Wie ben ik als mijn eigen moeder mij niet herkent? – Mijn zoektocht naar mezelf in een wereld vol verwachtingen
“Lotte, kun je nou niet gewoon een jurkje aantrekken voor één keer?” De stem van mijn moeder snijdt door de stilte van de vroege ochtend. Ik staar naar mijn sneakers, mijn handen verstopt in de zakken van mijn spijkerbroek. Mijn moeder staat in de deuropening, haar armen over elkaar, haar blik streng maar vermoeid. “Het is een schoolreisje, mam. Niemand draagt een jurk naar de Efteling,” mompel ik, hopend dat ze het laat rusten. Maar ze zucht diep, haar schouders zakken. “Je weet toch hoe mensen kijken. Je lijkt zo op je vader… Soms denk ik—”
Ze slikt haar woorden in, maar ik weet precies wat ze bedoelt. Soms denk ik dat je liever een jongen was geweest. Of erger nog: dat je eigenlijk geen dochter hebt. Die gedachte blijft als een koude steen in mijn maag liggen terwijl ik mijn rugzak pak en de deur uit loop.
De bus naar de Efteling is gevuld met gelach en geroezemoes. Ik zit alleen bij het raam, kijkend naar de regen die over het glas stroomt. Naast me schuift Sanne, mijn beste vriendin, haar hand even geruststellend op mijn knie. “Niet luisteren naar haar, Lot,” fluistert ze. “Je bent perfect zoals je bent.”
Maar ben ik dat? In de gangen van onze middelbare school word ik vaak nageroepen: “Hé, gozer!” of “Ben jij nou een jongen of een meisje?” Soms lachen ze erbij, soms klinkt het venijnig. Ik lach meestal mee, alsof het me niets doet. Maar elke keer voelt het alsof er een stukje van mij afbrokkelt.
Op het schoolplein bij de Efteling vraagt onze mentor, meneer Van Dijk, om een groepsfoto. Iedereen dringt samen, armen om elkaar heen geslagen. Ik sta ergens aan de zijkant, half verscholen achter Joris, die een kop groter is dan ik. De flits gaat af en voor een moment voel ik me onzichtbaar – veilig.
’s Avonds thuis scroll ik door de foto’s die in de groepsapp worden gedeeld. Op de groepsfoto zie ik mezelf nauwelijks terug; alleen mijn pet en een stukje van mijn gezicht zijn zichtbaar. Mijn moeder kijkt over mijn schouder mee en fronst. “Wie is die jongen naast Sanne?” vraagt ze. Ik voel mijn wangen gloeien. “Dat ben ik, mam.”
Ze lacht ongemakkelijk. “Oh… sorry, Lot.” Ze zegt het luchtig, maar haar blik blijft hangen op het scherm. “Misschien moet je toch eens iets vrouwelijkers proberen.”
Ik wil schreeuwen dat ik niet anders wil zijn. Dat ik niet wíl veranderen om haar of iemand anders tevreden te stellen. Maar de woorden blijven steken in mijn keel.
De dagen daarna voel ik me steeds meer vervreemden van alles om me heen. Op school lijkt iedereen zijn plek te hebben gevonden: de populaire meiden met hun make-up en crop tops, de jongens met hun stoere praatjes en voetbalshirts. En dan ben ik daar – ergens tussenin, nergens echt bij horend.
Tijdens het avondeten zwijgen we meestal, maar deze keer breekt mijn moeder het ijs. “Lotte, waarom maak je het jezelf zo moeilijk? Je zou zoveel makkelijker vrienden maken als je gewoon wat meer…” Ze zoekt naar woorden. “…meisjesachtig deed.”
Mijn vader kijkt op van zijn bord. “Laat haar toch,” zegt hij zachtjes. “Ze is wie ze is.”
Mijn moeder schudt haar hoofd. “Dat snap jij niet. Jij wilde altijd al een zoon.”
De spanning aan tafel is te snijden. Ik duw mijn stoel naar achteren en vlucht naar boven, waar ik op bed ga liggen met mijn gezicht in het kussen.
Sanne appt: ‘Gaat het?’ Ik typ ‘ja’, maar wis het weer voordat ik op verzenden druk.
’s Nachts lig ik wakker en vraag ik me af wie ik eigenlijk ben als zelfs mijn eigen moeder mij niet herkent op een foto. Ben ik dan nog wel Lotte? Of ben ik gewoon een lege huls die zich aanpast aan wat anderen willen zien?
Op school probeer ik me onzichtbaar te maken. Maar tijdens gym roept iemand uit de jongensgroep: “Lotte mag wel bij ons team, zij is toch eigenlijk een jongen!” Iedereen lacht. Zelfs Sanne glimlacht ongemakkelijk mee.
Na afloop zit ik op de kleedkamerbank en staar naar mijn handen – groot, hoekig, met afgekloven nagels. Ik hoor gefluister achter me: “Misschien is ze wel lesbisch.” “Of trans.”
Ik weet niet wat ik ben. Ik weet alleen dat ik moe ben van het zoeken.
’s Avonds besluit ik met mijn moeder te praten. Ze zit op de bank met haar breiwerk, haar gezicht in diepe concentratie.
“Mam?”
Ze kijkt op, haar ogen zacht maar ook gespannen.
“Waarom vind je het zo erg dat ik niet ben zoals jij had gehoopt?”
Ze legt haar breiwerk neer en zucht diep.
“Het is niet dat ik je niet accepteer, Lot… Het is gewoon… moeilijk soms. Je vader en ik hadden altijd een bepaald beeld van hoe ons gezin eruit zou zien. Een dochter die met mij gaat winkelen, die haar haren vlecht… En nu weet ik soms niet hoe ik met je moet omgaan.”
Ik voel tranen branden achter mijn ogen.
“Maar mam… Ik ben nog steeds jouw dochter. Ook al draag ik geen jurken of vlechtjes.”
Ze knikt langzaam en pakt mijn hand vast.
“Ik weet het… Het spijt me als ik je pijn heb gedaan.”
We zitten even zwijgend naast elkaar.
De volgende dag besluit ik iets te doen wat ik nog nooit heb gedaan: tijdens mentoruur steek ik mijn hand op.
“Meneer Van Dijk? Mag ik iets zeggen?”
Iedereen kijkt verbaasd op.
“Ik wil gewoon even zeggen dat het pijn doet als mensen steeds vragen of je een jongen of meisje bent. Dat je je soms nergens thuis voelt omdat je niet past in hun hokjes.”
Het is doodstil in de klas.
Na afloop komt Sanne naar me toe en slaat haar arm om me heen.
“Sorry dat ik nooit iets heb gezegd,” fluistert ze.
Langzaam begin ik te accepteren dat wie ik ben misschien niet past in andermans verwachtingen – zelfs niet die van mijn moeder. Maar misschien is dat juist oké.
’s Avonds kijk ik naar mezelf in de spiegel en vraag me af: Wie ben ik als niemand kijkt? En belangrijker nog: Wie wil ík zijn?
Hebben jullie je ooit zo gevoeld – alsof je nergens echt bij hoort? Wat zouden jullie doen als zelfs je eigen familie moeite heeft om jou te zien zoals je bent?