Mijn beste vriend van veertig jaar wilde alles voor me betalen, maar langzaam merkte ik dat hij in ruil mijn vrijheid terugvroeg
“Dus wat is nou het probleem?” zei Geert, terwijl hij zijn glas neerzette alsof het gesprek daarmee ook klaar was. “Ik betaal die reis. Jij hoeft alleen maar mee. En een beetje beschikbaar te zijn. Dat is toch niet te veel gevraagd van je beste vriend?”
Ik voelde mijn wangen warm worden. In café De Zwaan was het verder gewoon zaterdag zoals altijd. Kaartgeluid aan de stamtafel, een natte jas over een stoel, Adele van achter de bar die deed alsof ze niks hoorde. Maar tussen Geert en mij hing iets zwaars. Iets wat er vroeger nooit was.
Geert en ik kennen elkaar sinds de technische school in Amersfoort. Veertig jaar. Misschien wel langer als je alle avonden meetelt waarop we elkaar uit de ellende hebben gepraat. Toen mijn scheiding door de straat ging alsof het dorpsnieuws was, zat hij naast me. Toen zijn vrouw Marjan ziek werd, reed ik hem naar het ziekenhuis en terug. We waren geen mannen van grote woorden. We kwamen gewoon opdagen.
Sinds zijn pensioen is alles veranderd. Eerst gunde ik het hem echt. Na die jaren in het transport, die kapotte rug, die nachtdiensten. En toen overleed zijn tante Riek, kinderloos, en liet hem meer na dan wie dan ook had verwacht. Ineens had Geert een appartement in Scheveningen gekocht, een caravan ingeruild voor een camper waar ik mijn hele flat van kon betalen, en hij vloog in het voorjaar “even” naar Sicilië omdat het daar toen al lekker was.
Ik bleef gewoon Henk. AOW, klein pensioen uit de metaal, energierekening die elke maand als een dreigbrief voelde. Boodschappenlijstje met rekenmachine in mijn hoofd. Als de wasmachine raar geluid maakt, slaap ik slechter. Zo simpel is het.
In het begin was Geert alleen maar gul.
“Kom, ik trakteer.”
“Neem die ronde nou gewoon aan.”
“Je hoeft toch niet altijd zo moeilijk te doen, Henk?”
Ik zei vaak nee. Soms zei ik ja, uit gemak. Of uit vriendschap. Misschien ook uit trots die moe was.
Toen kwam dat vakantievoorstel. Twee weken Algarve. Appartement met zeezicht. Zijn traktatie.
Ik lachte eerst nog. “Geert, man, dat kan ik helemaal niet terugdoen.”
Hij haalde zijn schouders op. “Dat hoeft ook niet. Maar ik zit daar niet op een vreemde te wachten. Ik wil jou mee. Alleen…” Hij boog iets naar voren. “Dan moeten we het wel samen doen. Niet dat jij halverwege zegt dat je een middag voor jezelf wil of met Jan en Kees gaat zitten appen. Ik wil gewoon rust. Gezelligheid. Dat je er bent.”
Dat “alleen” bleef hangen.
Een week later vroeg hij of ik ook af en toe naar zijn appartement in Scheveningen kon om werklui binnen te laten. Of ik de post wilde bijhouden. En misschien de huurders van de opslagbox even te woord staan als hij weg was. “Jij hebt toch tijd zat,” zei hij erbij, en hij lachte, maar niet helemaal.
Ik zei: “Ik heb ook mijn dingen. Dinsdag biljarten. Donderdag koffie bij mijn zus. Zondag wandelen met de jongens.”
Hij keek me aan alsof ik hem beledigde.
“Biljarten? Henk, kom op. We hebben het hier niet over een hobby. We hebben het over elkaar helpen.”
Daar begon het te schuren. Niet door wat hij vroeg, maar door hoe hij het bracht. Alsof mijn leven uit opvulling bestond en zijn plannen echt waren.
Toch slikte ik veel in. Omdat hij Geert was. Omdat ik hem niet kwijt wilde. Omdat ik mezelf hoorde denken: misschien ben ik gewoon krenterig, moeilijk, oud.
Maar vorige zaterdag knapte er iets.
Hij kwam binnen met een map onder zijn arm. Papieren. Sleutels. Een lijstje.
“Als jij nou komende maand wat meer beschikbaar bent, dan kunnen we meteen kijken of jij structureel wat voor me kan doen. Ik betaal je desnoods.”
Ik staarde hem aan. “Betalen?”
“Ja, wat is daar mis mee? Iedereen blij toch? Jij wat extra, ik iemand die ik vertrouw. Maar dan moet je niet steeds met die andere gasten zitten. Als ik je nodig heb, moet ik op je kunnen rekenen. Echte vrienden zijn er gewoon voor elkaar, ongeacht de prijs.”
Ongeacht de prijs.
Ik weet niet waarom juist die woorden zo hard binnenkwamen. Misschien omdat ik opeens begreep dat hij dacht dat de prijs normaal was. Dat mijn tijd, mijn rust, mijn kleine leven met zijn vaste ritme iets was waarover onderhandeld kon worden omdat hij nu geld had.
Ik zei zacht: “Je hoort jezelf niet meer, Geert.”
“Nee, jij bent trots. Dat is het. Je gunt het me niet eens.” Hij sloeg met zijn vlakke hand op die map. “Veertig jaar sta ik voor je klaar en nu ik een keer wat vraag, trek jij een grens?”
“Een keer?” Mijn stem sloeg over, daar baalde ik van. “Je vraagt niet om hulp. Je vraagt of ik mijn leven om jouw nieuwe leven heen bouw.”
Hij werd rood. “Wat een gezeur. Ik bied je mooie dingen aan. Reizen, werk, geld. En jij doet alsof ik een of andere uitbuiter ben. Ondankbaar is nog zacht uitgedrukt.”
Adele stopte met glazen poetsen. Aan de stamtafel werd het stil. Ik wilde verdwijnen. Of schreeuwen. Allebei tegelijk.
“Ik ben niet te koop, Geert,” zei ik uiteindelijk. Heel rustig ineens. “En mijn vriendschap ook niet.”
Hij lachte kort, schamper. Dat geluid doet nog steeds pijn. “Nee hoor. Jij blijft liever arm en koppig. Moet je zelf weten.”
Hij pakte zijn jas en liep weg. Zonder om te kijken. Veertig jaar, en hij liep weg alsof we alleen maar cafékennissen waren.
Sindsdien appt hij niet. Ik ook niet. Jan zegt dat Geert waarschijnlijk gewoon eenzaam is en het onhandig brengt. Mijn dochter zei: “Pap, iemand die geeft en tegelijk afpakt, die geeft niet echt.” En ik zit daar tussenin, zoals altijd.
Ik mis hem. Dat is misschien nog het ergste. Ik mis zijn droge grappen, zijn blik als Ajax weer eens stond te prutsen, het zwijgen dat vroeger genoeg was. Maar ik mis niet hoe klein ik me de laatste maanden voelde.
Misschien had ik eerder eerlijk moeten zijn. Misschien had hij eerder moeten voelen dat gul zijn iets anders is dan bezit nemen.
Zeg het maar: ben ik koppig geweest, of heb ik eindelijk op tijd gezien dat vriendschap geen abonnement is waar je met geld meer rechten bij koopt?
En hoe ver moet je gaan voor iemand van wie je houdt, als je onderweg jezelf een beetje begint kwijt te raken?