Ik zei na veertig jaar vriendschap eindelijk nee tegen mijn beste vriend, en aan tafel ontplofte alles
‘Dus dat is het dan? Een cursusje schilderen is ineens belangrijker dan veertig jaar vriendschap?’
Geert zei het met zijn hand nog om zijn wijnglas, maar hij keek me niet aan. Mijn vrouw Marjan verstijfde naast me. Ik voelde mijn kaak vastschieten. We zaten gewoon aardappels te eten, sperziebonen, een gehaktbal die ineens naar karton smaakte, en in één zin lag alles open op tafel waar ik al maanden omheen draaide.
‘Zo hoef je het niet te brengen,’ zei ik nog.
‘Hoe dan wel, Henk? Jij bent er niet meer. Altijd wat. Werk. Kleinkinderen. Nu dat schildergedoe weer.’
Schildergedoe. Dat ene woord deed meer pijn dan ik verwacht had.
Geert en ik kennen elkaar sinds 1984. We leerden elkaar kennen bij de voetbalvereniging in Amersfoort, allebei jonge gasten, grote mond, klein salaris. Hij stond naast me toen mijn vader overleed. Ik stond naast hem toen zijn huwelijk met Ria kapotging. We wandelden elke woensdagavond, speelden op vrijdag bridge in het buurthuis, dronken op zondag vaak koffie. Dat ging jaren goed. Vanzelf bijna.
Tot hij vorig jaar stopte met werken.
In het begin gunde ik het hem. Eindelijk rust, zei ik. Lekker uitslapen, fietsen, misschien vrijwilligerswerk. Maar binnen een paar weken begon mijn telefoon voortdurend te trillen.
‘Ga je mee naar de markt?’
‘Zin om even te lopen?’
‘Ik dacht, we kunnen ook dinsdag bridge oefenen.’
‘Ben je thuis?’
Als ik niet meteen reageerde, kwam er nog eentje.
‘Alles goed?’
En daarna soms: ‘Laat maar.’
Dat ‘laat maar’ was altijd het ergst. Alsof ik iets fout had gedaan.
Ik werk nog drie dagen per week op kantoor in Utrecht. Niet zwaar, maar wel druk. Daarnaast zijn er de kinderen, de kleinkinderen, mijn moeder van 86 in Leusden, het gewone gedoe waar een week vol mee loopt. Marjan zei op een avond: ‘Henk, je bent thuis, maar je bent er niet. Altijd bezig of jij Geert tevreden houdt.’
Ik werd boos op haar. Of eigenlijk omdat ik wist dat ze gelijk had.
Toch bleef ik me aanpassen. Een wandeling extra hier, een kop koffie daar. Als ik zei dat het niet uitkwam, hoorde ik de teleurstelling al in zijn stilte. Geert kon zwijgen op zo’n manier dat je jezelf meteen een rotzak voelde.
De schildercursus kwam toevallig voorbij in het cultureel centrum. Vier weken, twee avonden per week. Portret en licht. Iets wat ik vroeger al wilde, maar nooit deed. Ik schreef me in zonder er lang over na te denken. Misschien juist omdat ik wist dat ik het anders weer zou laten schieten.
Toen ik het Geert vertelde tijdens het wandelen, bleef hij ineens staan bij de vijver.
‘Vier weken?’ vroeg hij.
‘Ja, dat is te overzien toch?’
‘Dus geen bridge op vrijdag?’
‘Even niet. Daarna weer wel.’
Hij lachte kort. Zo’n droge lach zonder warmte.
‘Mooi. Dan weet ik waar ik sta.’
Ik dacht eerst dat hij overdreef. Dat hij wel bij zou draaien. Maar hij begon afstandelijk te doen, en tegelijk ook niet. Rare combinatie. Hij stuurde geen grapjes meer, maar wel berichten als: ‘Veel plezier met je nieuwe leven.’ Of: ‘Ik zal je verder niet lastigvallen.’
Marjan zei: ‘Dit is geen vriendschap meer, dit is trekken en duwen.’
Ik verdedigde hem nog. ‘Hij moet gewoon wennen.’
Maar diep vanbinnen voelde ik iets anders. Vermoeidheid. Benauwdheid ook. Alsof ik in een jas liep die steeds strakker werd.
Dat etentje was bedoeld om de sfeer goed te maken. Gewoon simpel. Geert kwam binnen met een fles rode wijn en een gezicht alsof hij naar een begrafenis ging. Mijn dochter Sanne was er met haar man, dus ik hoopte nog dat hij zich een beetje zou inhouden.
Niet dus.
Halverwege het eten zei hij: ‘Ik snap één ding niet, Henk. Als je weet dat iemand weinig mensen over heeft, waarom kies je dan juist nu voor jezelf?’
Mijn dochter keek van hem naar mij. Marjan legde haar bestek neer.
Ik voelde iets knappen. Niet hard, eerder moeizaam. Alsof een touw te lang strak had gestaan.
‘Omdat ik dat al jaren te weinig doe,’ zei ik. ‘En omdat jij doet alsof ik van jou ben.’
Hij werd rood. ‘Wat een onzin.’
‘Is dat onzin? Je verwacht dat ik altijd kan. Altijd wil. En als dat niet zo is, straf je me af met schuldgevoel.’
‘Ik heb alleen mijn beste vriend nodig, ja. Mag dat soms niet meer?’
‘Nodig hebben is iets anders dan opeisen.’
Het werd stil. Je hoorde alleen de klok in de keuken en iemand buiten die een container dichtgooide.
Geert keek naar zijn bord en zei zacht, maar venijnig: ‘Sinds je vrouw zich ermee bemoeit, ben je veranderd.’
Marjan trok wit weg.
Toen was ik echt klaar.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik ben niet veranderd. Ik ben eindelijk eerlijk. Ik kan niet jouw hele leven opvullen omdat jij niet weet wat je met je dagen aan moet.’
Hij stond zo abrupt op dat zijn stoel over de tegels schraapte. ‘Ongelooflijk. Na veertig jaar krijg ik dit.’
‘Na veertig jaar zou je me beter moeten kennen,’ zei ik.
Hij pakte zijn jas, mompelde nog iets van ‘zoek het uit’ en sloeg de voordeur dicht.
Die klap voelde in huis nog minuten na.
Ik sliep die nacht bijna niet. Ik was boos, maar ook kapot van verdriet. Je gooit niet zomaar veertig jaar weg. Ik zag ons weer jong zijn, op natte zaterdagen langs het veld, sigaretje in de hand, grote plannen. En nu dit. Twee oude kerels die ruzie maken over tijd, aandacht, ruimte. Het klinkt bijna klein. Maar dat was het niet. Het ging over ademhalen.
De volgende ochtend had ik drie gemiste oproepen van hem. Geen voicemail. Ik heb niet teruggebeld. Niet meteen. Voor het eerst niet.
Ik ben wel naar die schildercursus gegaan. De eerste avond trilden mijn handen toen ik het penseel vasthield. Niet alleen door spanning. Ook door schuld. Maar ergens voelde ik ook rust. Een vreemde, dunne rust waar ik bijna van moest huilen.
Misschien is dat het pijnlijkste aan ouder worden: dat je zelfs bij mensen van wie je houdt alsnog grenzen moet trekken.
Zeg eerlijk, heb ik hem laten vallen toen hij me nodig had, of had hij allang moeten zien dat ik niet zijn hele wereld kon zijn?