Ik dacht dat veertig jaar vriendschap alles kon dragen, tot onze vakantie voelde als verraad

‘Je gaat toch niet nú over die vakantie beginnen?’ zei mijn man, terwijl hij zijn bril van tafel griste alsof ík degene was die iets kapot had gemaakt. ‘Kees trekt het niet meer alleen met Marjan.’

Ik stond met twee koffiemokken in mijn hand en voelde mijn wangen gloeien. Niet van boosheid alleen. Vooral van vermoeidheid. Die diepe, doffe vermoeidheid die al maanden in mijn lijf zat.

‘En ik trek dit ook niet meer alleen, Henk,’ zei ik. Zacht eerst. Toen harder. ‘Dat hoor je blijkbaar niet.’

Het begon niet groot. Marjan vergat eerst kleine dingen. Een sleutel in de koelkast. Twee keer vragen welke dag het was. Tijdens onze vaste donderdagavond zei ze ineens tegen mij: ‘Wat doet u hier eigenlijk?’ Ze lachte erna, alsof het een grapje was, maar Kees keek naar zijn handen. Ik wist toen al: dit is niet gewoon vergeetachtigheid.

Wij vieren al meer dan veertig jaar alles samen. Ik en Henk. Kees en Marjan. Kampeervakanties in Zeeland, weken in Drenthe, kaarten op zondag, oud en nieuw altijd om en om. We waren nooit van die mensen met honderd vrienden. Wij hadden genoeg aan elkaar.

Dus toen Kees begon te vragen of we mee konden naar het ziekenhuis, voelde dat logisch. Natuurlijk gingen we mee. Toen er gesprekken kwamen met de huisarts, de geheugenpoli, een casemanager, deden we dat ook. Henk haalde Kees soms op voor een wandeling, zodat hij even zijn hoofd leeg kon maken. Ik ging met Marjan naar de markt, omdat ze daar rustig van werd.

In het begin gaf het zelfs een gevoel van saamhorigheid. Alsof we met elkaar door een moeilijke tijd heen zouden komen.

Maar die moeilijke tijd hield niet op. Die werd ons nieuwe ritme.

Kees belde steeds vaker. Soms al om half acht.

‘Ria, weet jij waar Marjan haar tas heeft gelaten?’

‘Henk, kun jij vanmiddag even komen? Ze vertrouwt mij ineens niet meer.’

‘Zouden jullie zaterdagavond hier kunnen zijn? Ik durf haar niet alleen te laten en ze wil geen vreemde hulp.’

Steeds als de telefoon ging, schoot er iets door mijn buik. Dat rotgevoel. Alsof ik direct klaar moest staan. Alsof nee zeggen hetzelfde was als iemand laten vallen van een trap.

Marjan veranderde ook. Ze werd achterdochtig. Een keer trok ze haar hand weg toen ik haar jas dicht wilde doen.

‘Niet aan mijn spullen zitten,’ siste ze.

Ik verstijfde. Dit was de vrouw met wie ik bevallen verhalen had gedeeld, rouwkaarten had uitgezocht voor mijn moeder, en in een stacaravan in Renesse wijn had gedronken tot diep in de nacht.

Kees begon zichtbaar op te raken. Zijn overhemd zat vaker scheef dichtgeknoopt. Hij rook soms naar oude koffie en zweet, heel eerlijk gezegd. Ik schaamde me dat ik het opmerkte, maar ik zag het wel. Hij keek Henk op een avond aan en zei: ‘Jullie zijn de enigen die we nog hebben.’

Dat kwam binnen. Bij Henk als een opdracht. Bij mij als een gewicht.

Onze eigen dingen verdwenen. Mijn aquafit sloeg ik af. Henk zei biljarten af. Etentjes met onze dochter in Amersfoort werden verplaatst. En altijd was er die onderstroom thuis.

‘We moeten er gewoon zijn,’ zei Henk.

‘Maar hoe lang is gewoon?’ vroeg ik.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Zolang het nodig is.’

Dat vond ik makkelijk gezegd door iemand die nog steeds elke middag een rondje op de fiets maakte om zijn hoofd leeg te krijgen, terwijl ik degene was die Marjan meenam naar de kapper, naar de pedicure, naar de apotheek, en ondertussen haar paniek opving als ze niet meer wist waar ze was.

Op een dinsdag in april zat ik in de auto met Marjan naast me. We moesten naar het gezondheidscentrum. Halverwege begon ze te huilen.

‘Ik wil naar mijn moeder,’ zei ze.

Haar moeder was al dertig jaar dood.

Ik zette de auto aan de kant, vlak bij een rotonde in Soest, en ik voelde ineens dat ik zelf ook niet meer kon ademen. Echt. Mijn handen trilden zo erg dat ik de alarmlichten niet eens in één keer aan kreeg.

Die avond zei ik tegen Henk: ‘Ik ben op.’

Hij keek me aan alsof ik iets onfatsoenlijks zei.

‘Zij is op,’ zei hij. ‘Kees is op. Dan kun jij toch niet beginnen over jezelf?’

Dat was het moment waarop ik me niet alleen moe voelde, maar ook alleen. In mijn eigen huwelijk nog wel.

Een week later boekte ik die vakantie. Niet stiekem, maar wel zonder overleg af te wachten, omdat ik wist dat er anders weer iets tussen zou komen. Twee weken Texel, in september. Gewoon lucht, fietsen, slapen, geen telefoon die ons huis gijzelt.

Toen ik het vertelde, werd het stil aan tafel.

Kees zat erbij, want natuurlijk zat Kees erbij.

‘September?’ zei hij. ‘Maar dan heeft Marjan juist die onderzoeken en… ja, ik dacht eigenlijk dat jullie…’

Hij maakte zijn zin niet af. Dat was nog erger.

Henk schoof zijn stoel naar achteren. ‘Ria, meen je dit nou?’

Ik voelde me ineens klein en keihard tegelijk.

‘Ja,’ zei ik. ‘Ik meen dit. Ik ben geen hulpverlener. Ik ben haar vriendin. En ik wil dat nog kunnen blijven.’

Marjan keek van de een naar de ander en fluisterde: ‘Gaan jullie verhuizen?’

Niemand zei iets. Je hoorde alleen de klok in de kamer. Tik. Tik. Tik.

Kees stond op, pakte zijn jas en zei: ‘Ik snap het wel hoor.’ Maar de manier waarop hij dat zei, betekende precies het tegenovergestelde.

Sindsdien is niets meer hetzelfde. Henk praat kortaf tegen me. Alsof ik iets heiligs heb verraden. Kees belt minder, maar als hij belt hoor ik de teleurstelling door alles heen. En ik? Ik leef met schuldgevoel én opluchting. Wat een rotcombinatie is dat.

We gaan waarschijnlijk gewoon op vakantie. Of misschien ook niet. Zelfs nu voelt het alsof elke keuze iemand beschadigt.

Ik vraag me steeds af: wanneer verandert vriendschap in zorg, en mag je dan nog zeggen dat het te veel wordt?

En als je dat niet meer mag zeggen, ben je dan nog een goede vriend — of ben je jezelf langzaam aan het kwijtraken?