Ik stond met mijn jas in mijn hand toen mijn vrouw zei dat ze na veertig jaar niet meer mee zou gaan met onze vrienden naar Frankrijk
‘Als jij weer niks zegt, ga ik niet mee. En dit keer meen ik het, Henk.’
Ik stond met mijn jas nog half aan in de keuken toen Marga dat zei. Gewoon op een dinsdagavond, tussen de aardappelschillen en de afwas. Buiten tikte de regen tegen het raam. Binnen voelde het alsof er iets knapte.
Ik lachte eerst nog een beetje ongemakkelijk. ‘Ach kom, zo erg is het nou ook weer niet.’
Ze keek me aan zoals ik haar lang niet had zien kijken. Niet boos alleen. Eerder moe. Tot op het bot moe.
‘Niet zo erg? Vorig jaar bepaalde José weer waar we aten, wanneer we opstonden, welke markt “de moeite waard” was en zelfs dat ik “niet zo moest treuzelen” toen ik in dat kleine winkeltje stond. En jij zei niks. Niemand zei iets.’
Daar had ze gelijk in. En juist dat maakte me zo onrustig.
Wij gaan al bijna veertig jaar met dezelfde club een week of twee naar Frankrijk. Wij, Marga en ik. Dan Kees en José. Peter en Anja. En later soms Wim als Els niet mee kon. Het begon ooit in een gehuurde stacaravan aan de Ardèche, toen we nog bruine benen kregen van één middag zon en onze kinderen klein waren. We hadden weinig geld, veel lol, en het voelde alsof we samen oud zouden worden. Dat zijn we ook gedaan, min of meer.
Alleen is er onderweg iets scheef gegroeid.
José was altijd al aanwezig. Zo noemden we dat netjes. Ze regelde graag. Had overal een mening over. In het begin was dat nog handig. José boekte de camping, belde restaurants, maakte lijstjes. Maar de laatste jaren was het geen regelen meer. Het was sturen. Duwen. Beslissen. En de rest hobbelde erachteraan met een wijnglas in de hand en een glimlach die steeds strakker werd.
Marga kon daar vroeger beter tegen. Of misschien slikte ze het gewoon in. Dat kan ook. Ze is nooit iemand geweest die meteen de boel op scherp zet. Maar sinds een paar jaar merkt ze alles scherper. Drukte, onderhuidse spanning, die kleine prikjes in zogenaamd gezellige opmerkingen.
‘Ik kom terug van vakantie vermoeider dan ik wegging,’ zei ze die avond. Zacht ineens. ‘Begrijp je dat dan echt niet?’
Dat kwam binnen.
Twee dagen later appte Kees in onze groepsapp: “Zal ik de reservering voor het huis in de Dordogne definitief maken? José heeft al iets moois gezien.”
Natuurlijk had José al iets gezien.
Ik legde mijn telefoon neer alsof hij warm was. Marga zat tegenover me aan tafel met de krant open, maar ze las niet.
‘Nou?’ vroeg ze.
‘Ik wil hier geen oorlog van maken.’
Ze schoof haar stoel naar achteren. Niet hard, maar wel met zo’n geluid waar alle ergernis in zit.
‘Oorlog? Henk, dit is precies het probleem. Alles wat niet buigen is, noem jij oorlog.’
‘Omdat ik weet hoe dit gaat. Voor je het weet kiezen mensen partij. Dan is het klaar.’
‘Misschien is het allang klaar en doet alleen niemand dat hardop erkennen.’
Die zin bleef hangen. Ook later in bed. Ook de ochtend erna in de supermarkt, tussen de paprika’s en de koffie. Misschien was dat het ergste: dat ik ergens al wist dat ze gelijk had.
Die zondag kwamen Kees en José bij ons koffie drinken. Dat was niet toevallig. Kees had gebeld met zijn opgewekte stem, die altijd iets te opgewekt klonk als er gedoe onder zat.
José kwam binnen met een mapje. Echt waar. Printjes van het vakantiehuis, uitstapjes in de buurt, restaurants op rijafstand.
‘Kijk,’ zei ze, terwijl ze al ging zitten zonder echt te vragen of de koffie klaar was, ‘als we vroeg boeken, hebben we nog die kamers met de goede bedden. En op dinsdag kunnen we dan naar die brocante, maar dan wel op tijd weg, want vorig jaar liep dat ook uit.’
Ik zag Marga verstarren. Heel klein, in haar schouders.
En opeens kon ik niet meer doen alsof ik het niet zag.
‘José,’ zei ik.
Mijn stem klonk schor. Alsof ik zelf schrok van het geluid.
Ze keek op. ‘Ja?’
‘We moeten het eens anders doen dit jaar.’
Het werd stil. Zelfs Kees ging rechter zitten.
‘Anders?’ vroeg José. Zo’n toon alsof het woord zelf al onzin was.
‘Ja. Minder vastgelegd. Minder door één persoon bepaald.’
Ik voelde Marga naast me niet bewegen.
José lachte kort. ‘Nou, iemand moet toch initiatief nemen? Anders gebeurt er niks.’
‘Initiatief is iets anders dan alles bepalen,’ zei Marga toen. Kalm, maar met trillende handen. ‘Ik ga niet nog een keer mee als ik me de hele tijd moet voegen naar jouw planning en humeur.’
Kees werd rood. ‘Nou zeg, dat is wel erg zwaar aangezet.’
‘Is dat zo?’ vroeg Marga. ‘Omdat het voor het eerst hardop gezegd wordt?’
José legde haar mapje dicht. Heel precies. ‘Ik vind dit eerlijk gezegd ondankbaar. Jarenlang regel ik alles, en nu ben ik ineens de boeman.’
Ik had medelijden met Kees. Dat was ook mijn probleem. Ik voelde altijd met iedereen mee, behalve op tijd met mijn eigen vrouw.
‘Niemand noemt je een boeman,’ zei ik. ‘Maar we hebben allemaal te lang gedaan alsof we alles prima vonden. Dat is niet zo.’
Weer stilte.
Toen zei Kees, zonder José aan te kijken: ‘Peter en Anja hebben vorig jaar ook al gezegd dat ze het wel veel vonden soms.’
José draaide zich naar hem om alsof hij haar had geslagen.
Ik vergeet die blik niet meer.
De middag liep stroef af. Geen ruzie met geschreeuw, eerder iets killer. Toen ze weg waren, bleef er een kopje halfvol koffie staan op tafel. Marga begon ineens te huilen. Niet hysterisch. Juist dat stille huilen waar je je machteloos van voelt.
‘Waarom heb je dit niet eerder gezegd?’ vroeg ik.
Ze veegde haar gezicht af. ‘Omdat ik bang was dat jij dan precies dit zou doen: eerst iedereen sparen en pas als ik breek, luisteren.’
Een week later kwam er geen gezamenlijke boeking. Peter en Anja wilden alleen meegaan als we losser planden. Kees had ineens “nog wat twijfels”. José liet niks meer horen. Uiteindelijk boekten Marga en ik een klein huisje in de Bourgogne. Alleen samen. Voor het eerst in decennia.
Het voelde als verraad. En als opluchting. Allebei tegelijk, dat kan dus.
Ik weet nog steeds niet of we onze vriendengroep gered hebben of juist eindelijk eerlijk hebben gemaakt wat er al jaren mis zat.
Hoe lang moet je de lieve vrede bewaren als één iemand daar de prijs voor betaalt? En is een vriendschap van veertig jaar nog hecht te noemen als niemand de waarheid durft te zeggen?