Toen onze beste vriend elke week bleef slapen, verdween de rust uit ons eigen huis

‘Dus ik ben jullie ineens te veel?’ vroeg Henk, met zijn jas nog aan en zijn weekendtas op de keukenvloer.

Bram stond bij het aanrecht met zijn handen plat op het hout. Ik zag aan zijn schouders dat hij zich inhield. Op tafel stonden drie lege koffiekopjes, een half pak stroopwafels en de medicijnen die Henk altijd naast zich legde alsof wij moesten controleren of hij ze wel innam.

‘Dat zeg ik niet,’ zei Bram. ‘Ik zeg dat we dit niet meer alleen kunnen dragen.’

Henk keek mij aan. Niet Bram. Mij.

‘Jij begrijpt toch wel dat ik niet naar dat stille huis terug kan?’

Mijn keel trok dicht. Want ja, ik begreep het. Veel te goed.

Henk en Marijke waren al ruim dertig jaar onze vrienden. We gingen vroeger met de kinderen naar de Veluwe, zaten op oudejaarsavond bij elkaar met oliebollen en te veel champagne, en deelden alles wat er in een huwelijk zoal mis kan gaan. Bram en Henk voetbalden ooit samen bij de zaterdagveteranen. Marijke en ik dronken koffie in de stad en deden alsof we geen zorgen hadden.

Toen Marijke vorig voorjaar vertelde dat ze wilde scheiden, zat Henk naast haar aan onze eettafel. Hij zei bijna niets. Alleen: ‘Ik wist niet dat ze zó ongelukkig was.’

Na de verkoop van hun huis kreeg Henk een huurwoning aan de rand van Amersfoort. Netjes, klein, een galerijflat met een balkon waar altijd wind stond. De eerste keer dat ik er kwam, hoorde ik de koelkast brommen in de woonkamer. Verder niks. Geen radio. Geen voetstappen. Geen Marijke die vanuit de badkamer riep dat hij zijn handdoek op de grond had gegooid.

‘Als het donker wordt, lijkt het alsof de muren dichterbij komen,’ zei hij.

Hij begon op donderdag bij ons te eten. Een paar weken later bleef hij ook slapen, eerst omdat hij wijn had gedronken, daarna omdat hij ‘toch al zijn tandenborstel hier had’. Voor ik het wist, kwam hij elke donderdagmiddag en vertrok hij zaterdagochtend na het ontbijt.

Ik kookte extra aardappels. Legde schone handdoeken klaar. Bram ruimde zijn werkkamer op, omdat Henk daar sliep. Het voelde als iets wat je gewoon doet voor een vriend die het moeilijk heeft. We zijn zestig, dacht ik. Juist nu moet je elkaar vasthouden.

Maar Henk werd niet lichter van onze zorg. Hij werd zwaarder.

Tijdens het eten vertelde hij soms drie keer hetzelfde verhaal over Marijke. Hoe zij bij de notaris had gezegd dat ze ‘ruimte nodig had’. Hoe ze nu vermoedelijk met iemand anders koffie dronk. Hoe hij elke ochtend wakker werd en even vergat dat zij weg was.

Als Bram na het journaal zei dat hij naar bed wilde, keek Henk op zijn horloge.

‘Is het al zo laat? Ik dacht dat we nog even konden praten.’

En Bram bleef dan zitten. Uit beleefdheid. Uit schuldgevoel. Tot half één, soms later.

Op vrijdag wilde Henk overal mee naartoe. Naar de markt, naar de bouwmarkt, zelfs naar Bram zijn afspraak bij de mondhygiënist, omdat hij anders twee uur alleen in huis zou zijn. Als we zeiden dat we een middag voor onszelf wilden, werd hij stil. Niet boos, erger nog. Gekwetst.

‘Natuurlijk. Ik snap het wel. Ik ben geen gezellig gezelschap meer.’

Dan voelde ik me meteen een slecht mens.

Bram niet meer. Of misschien voelde hij het ook, maar hij kon niet langer doen alsof het niet bestond. Hij sliep slecht. Hij zuchtte als de donderdag naderde. Op een avond vond ik hem in de schuur, zittend op een omgekeerde emmer, met zijn hoofd in zijn handen.

‘Ik wil niet nog een weekend op mijn tenen lopen, Els,’ zei hij. ‘In mijn eigen huis niet.’

Ik werd boos. ‘Hij is depressief, Bram. Je kunt hem toch niet laten vallen?’

Hij keek me aan, heel moe.

‘En wie vangt mij op als ik instort?’

Daar had ik geen antwoord op.

We hebben Henk voorgesteld om niet meer te blijven slapen. Wel iedere woensdag samen eten. We wilden met hem mee naar de huisarts, kijken naar een praktijkondersteuner, misschien een lotgenotengroep na scheiding. Bram zei zelfs dat hij hem op zondag wilde bellen.

Maar Henk hoorde alleen wat we afpakten.

‘Jullie waren mijn laatste veilige plek,’ fluisterde hij. ‘Blijkbaar moet ik daar ook weg.’

Hij pakte zijn tas. Ik wilde hem tegenhouden, maar Bram schudde bijna onmerkbaar zijn hoofd. Henk liep naar buiten zonder afscheid. Door het raam zag ik hem bij zijn auto staan, alsof hij niet meer wist aan welke kant het stuur zat.

Sindsdien is het stil tussen ons. Ik stuur berichten, Henk antwoordt kort of helemaal niet. Bram lijkt rustiger, maar ik zie ook zijn schuldgevoel. En ik mis Henk. Niet de Henk die elke donderdag onze lucht uit het huis trok, maar onze oude vriend. De man die ooit om drie uur ’s nachts door de sneeuw reed omdat Bram met een niersteen naar het ziekenhuis moest.

Hebben we hem in de steek gelaten, of eindelijk eerlijk gezegd wat wij aankunnen? En waar ligt de grens tussen trouw zijn aan een vriend en jezelf langzaam kwijtraken?