Ik wilde mijn beste vriendin na haar verlies redden, maar bijna verloor ik daardoor mijn huwelijk

‘Ze blijft toch niet weer eten, hè?’

Jan zei het zacht, maar ik hoorde de irritatie in elke letter. Hij stond bij het aanrecht met zijn leesbril nog op, de krant half opgevouwen onder zijn arm. In de woonkamer zat Ria al, met haar jas nog aan, haar hand om een koude kop thee. Ze staarde naar de tuin alsof ze daar iemand verwachtte die nooit meer zou komen.

Ik keek van hem naar haar en voelde meteen die bekende knoop in mijn buik.

‘Jan, doe nou even normaal,’ siste ik.

Hij lachte niet eens. ‘Normaal? Het is dinsdag. Ze was er zondag ook. En maandagmiddag. Wanneer zijn wij hier nog gewoon met z’n tweeën, Anja?’

Dat was het moment waarop ik wist dat het misging. Niet met Ria. Met ons.

Ria en ik kennen elkaar sinds 1984. Onze mannen zaten toen samen bij de voetbal in Amersfoort. Wij stonden langs de lijn met thermoskannen koffie en te kleine kinderen aan onze jassen. We vierden verjaardagen samen, gingen kamperen op de Veluwe, hielpen elkaar met verhuizingen, met sterfgevallen van ouders, met alles eigenlijk. Kees, haar man, en Jan waren verschillend, maar op een rustige manier bevriend. Mannen die niet veel woorden nodig hadden.

Toen Kees drie maanden geleden overleed aan alvleesklierkanker, ging het ineens hard. Zes weken tussen diagnose en begrafenis. Alsof iemand met een bot mes door een leven heen sneed.

Na de uitvaart bleef Ria alleen achter in dat hoekhuis in Soest. Overal zijn spullen. Zijn stoel. Zijn mok. Zijn sloffen nog onder de kapstok. De stilte was daar geen gewone stilte. Het drukte op je borst.

‘Anja,’ zei ze een week later aan mijn telefoon, haar stem schor, ‘zou ik misschien één nachtje per week bij jullie mogen zijn? Ik trek die avonden niet alleen. Ik hoor hem steeds… nou ja, je snapt het.’

Ik zei meteen ja. Zonder met Jan te overleggen. Daar begon het waarschijnlijk al.

In mijn hoofd was het simpel. Dit was geen buurvrouw van drie huizen verder. Dit was Ria. Mijn Ria. De vrouw die naast me zat toen ik na mijn miskraam niet eens meer boodschappen durfde te doen. De vrouw die mijn moeder waste toen ik zelf met griep in bed lag. Hoe kon ik nu zeggen: zoek het maar uit?

De eerste weken leek het nog te gaan. Ze kwam op woensdag. Ik kookte stamppot of soep, Jan schonk wijn in, we haalden herinneringen op aan vroeger. Er werd gehuild, maar ook gelachen. Soms sliep ze op de logeerkamer. Ik vond het bijna mooi, op een vreemde manier, dat we dit voor haar konden zijn.

Alleen bleef het niet bij woensdagen.

Ze begon op maandagen te bellen. Dan op vrijdagochtend. Soms stond ze ineens voor de deur.

‘Ik was toch in de buurt.’

Maar niemand is daar zomaar in de buurt. Ze kwam gewoon omdat ze niet alleen wilde zijn.

Jan trok zich steeds vaker terug naar boven. Eerst met een smoesje. Dan zonder smoesje.

Op een avond, toen Ria net weg was, gooide hij de afstandsbediening harder dan nodig op tafel.

‘Ik herken mijn eigen huis niet meer.’

‘Ze heeft niemand, Jan.’

‘Ze heeft wel iemand. Ons. De hele tijd.’

Ik voelde de boosheid in me opkomen. ‘Wat had jij dan gewild? Dat ik haar laat verpieteren tussen de foto’s van Kees en de ongeopende post?’

Hij keek me aan met een vermoeid gezicht dat ik te lang niet goed had bekeken.

‘Ik wil mijn vrouw terug. Dat lijkt me al heel wat.’

Die kwam binnen. Hard.

Toch schoof ik het weg. Uit schuld. Uit koppigheid ook, als ik eerlijk ben. Want elke keer dat ik dacht: ik moet grenzen stellen, zag ik Ria weer aan haar eettafel zitten met twee borden in de kast minder, omdat ze zei dat dat praktischer was nu. Alsof ze zichzelf al kleiner aan het maken was.

Maar Ria veranderde ook. Ze werd claimend, al vind ik dat een rotwoord. Als ik zei dat Jan en ik een dagje naar zee wilden, viel er zo’n stilte.

‘O, gezellig voor jullie,’ zei ze dan.

Of: ‘Laat maar, ik red me wel.’

Die laatste zin was altijd het ergst, want we wisten allebei dat dat niet zo was.

Vorige maand escaleerde het. We zaten aan tafel. Gewoon dinsdagavond, boerenkool, regen tegen de ramen. Ria had net verteld dat ze ’s nachts paniekaanvallen kreeg. Ik pakte haar hand en voor ik erover nadacht zei ik:

‘Misschien moet je gewoon een tijdje hier komen wonen. Tot je weer wat steviger staat.’

Ik hoorde Jan zijn bestek neerleggen. Heel rustig. Veel te rustig.

‘Nee,’ zei hij.

Ria trok haar hand terug alsof ze zich had gebrand.

Ik stamelde nog: ‘Jan, we kunnen toch—’

‘Nee, Anja. Absoluut niet. Dit is mijn huis ook. Ik ga niet in mijn pensioen samenwonen met iemand die ik aardig vind maar niet heb uitgekozen.’

Het werd doodstil. Je hoorde alleen de klok in de gang.

Ria stond op. ‘Ik had dit niet moeten vragen.’

‘Dat heb jij niet gedaan,’ zei Jan meteen, maar toen was het al te laat.

Ze pakte haar tas, haar sjaal, alles met trillende vingers. Ik liep achter haar aan naar de voordeur.

‘Ria, alsjeblieft…’

Ze keek me aan en ik zag niet alleen verdriet. Ook vernedering.

‘Ik ben geen project, Anja. En ik wil ook geen probleem worden tussen jou en Jan.’

Sindsdien is niets meer gewoon. Ria neemt mijn telefoontjes kort op. Jan praat beleefd, maar op afstand, alsof hij bang is dat elk verkeerd woord weer een vreemde aan tafel zet. En ik? Ik voel me alsof ik twee mensen verraden heb die ik allebei liefheb.

Misschien had Jan eerder duidelijk moeten zijn. Misschien had ik eerder moeten luisteren. Misschien had Ria professionele hulp nodig in plaats van mijn logeerkamer en mijn eeuwige ja.

Maar zeg jij het maar: laat je een vriendin van veertig jaar los als ze bijna verdrinkt in haar verdriet?

Of bescherm je eerst het huis en de rust van de man met wie je oud bent geworden, ook als dat voelt als iemand in de steek laten?