Mijn beste vriend vroeg of mijn man bij hem mocht wonen — en ik zei nee

“Dus jij wilt dat Pieter hier komt wonen?” vroeg ik.

Mijn stem klonk harder dan ik wilde. Karel zat aan onze eettafel met zijn handen om een kop koffie die al lang koud was. Buiten sloeg de regen tegen het raam. Hans stond bij het aanrecht en zei niets. Dat zwijgen kende ik maar al te goed. Hij was het al half met Karel eens.

“Niet in jullie huis-huis,” zei Karel haastig. “Die werkkamer met de oude badkamer ernaast. Als jullie daar een studio van maken, kan hij zelfstandig zijn. Een eigen deur misschien. Ik kom elke dag. Maar dan weet ik dat hij veilig is. En dan kan ik… ook eens naar de biljartclub, of gewoon een avond niet opletten of hij het gas aan laat staan.”

Veertig jaar waren we bevriend. Hans en ik, Karel en Pieter. Elke woensdag klaverjassen, altijd bij toerbeurt. Zomervakanties met de caravan in Zeeland, later een huisje in Drenthe omdat onze ruggen niet meer meewerkten. We hadden samen kinderen groot zien worden, ouders begraven, ontslagen overleefd. Pieter was degene die Hans na zijn hartoperatie elke ochtend belde.

Maar ik hoorde maar één woord: studio.

In ons huis.

“Ik ga dat niet doen,” zei ik.

Karel keek me aan alsof ik hem een klap gaf. Hans draaide zich om.

“Marijke…”

“Nee. Niet ‘Marijke’. We zijn tweeënzestig. Dit huis is eindelijk afbetaald. We hebben die bovenverdieping net opgeknapt omdat we dachten: straks kunnen de kleinkinderen blijven slapen. Of we kunnen er zelf rustig zitten. Ik wil niet dat ons huis een zorgadres wordt.”

Karel knikte heel langzaam, pakte zijn jas en zei dat hij het begreep. Maar zijn mond zei iets anders dan zijn ogen. Pieter zat die middag thuis op de bank, wist waarschijnlijk niet eens dat er over hem onderhandeld werd.

Hans wachtte tot de voordeur dichtviel.

“Je had het ook wat zachter kunnen brengen.”

Ik voelde mijn wangen branden. “En jij had kunnen zeggen dat je dit al met hem besproken had.”

Dat had hij dus. Tijdens een wandeling langs de IJssel, twee weken eerder. Hans had naar de ruimte gekeken, naar de mogelijkheden. Hij had zelfs al uitgezocht wat een kleine douche en een pantry zouden kosten.

“Zesentwintigduizend euro,” zei ik die avond. “En wie gaat er aanbellen als Pieter om drie uur ’s nachts bang is? Wie merkt dat hij zijn medicijnen vergeet? Karel? Die woont aan de andere kant van de stad. Dan zijn wij het, Hans. Jij en ik.”

“Hij is mijn beste vriend.”

“Dat weet ik. Maar ik ben je vrouw.”

De woensdag daarna gingen we toch naar Karel en Pieter. Het was een gewoonte die sterker was dan onze ruzie. Pieter deed open in zijn badjas, hoewel het pas zeven uur was. Zijn haar stond alle kanten op.

“Wat leuk dat jullie er zijn,” zei hij, overdreven vrolijk. “Ik dacht net: het is hier zo stil. Je hoort jezelf denken. Nou ja, als je nog weet wat je dacht.”

Hij lachte om zijn eigen grap, maar niemand lachte mee.

Tijdens het kaarten vroeg hij drie keer of mijn dochter nog in Groningen woonde. Ze woonde al acht jaar in Deventer. Karel verbeterde hem niet meer. Hij keek alleen naar zijn kaarten, alsof daar een antwoord tussen lag.

Toen Hans naar de wc was en Karel in de keuken de bitterballen uit de oven haalde, schoof Pieter zijn stoel dichterbij.

“Marijke,” fluisterde hij. “Karel zegt dat ik soms lastig ben.”

Mijn keel trok dicht.

“Hij bedoelt het niet zo,” zei ik.

“Misschien wel.” Pieter plukte aan een los draadje van zijn vest. “Ik wil niet alleen zijn. Als Karel weg is, denk ik soms dat hij nooit meer terugkomt. Dan ga ik bij het raam staan. Beetje dom, hè?”

Ik kon alleen mijn hand op de zijne leggen. Zijn vingers waren koud en dun geworden. Dezelfde handen die vroeger zonder moeite onze vastgelopen caravan uit de modder duwden.

In de auto naar huis zei Hans niets. Ik ook niet. Thuis legde hij zijn sleutels op tafel en keek naar de trap, naar de deur van de werkkamer boven.

“Hij is bang,” zei hij.

“Ik weet het.”

“En Karel verdrinkt.”

“Ik weet het ook.” Mijn stem brak toen pas. “Maar waarom moet onze reddingsboei dan ons hele huis zijn?”

Hans sliep die nacht op de bank. Niet uit boosheid, zei hij. Hij kon gewoon niet naast me liggen zonder te denken aan Pieter, alleen achter dat raam.

Ik heb nog geen antwoord gegeven dat alles goedmaakt. Misschien bestaat dat antwoord niet. Is een vriend in nood helpen hetzelfde als je eigen grenzen opgeven? Of ben ik harteloos omdat ik eindelijk ook een beetje ruimte voor onszelf wil houden?