Ik zei na veertig jaar vriendschap voor het eerst nee, en ineens leek ik het slechtste mens van iedereen

‘Je gaat nu toch niet echt weg?’ vroeg Henk, met zijn autosleutels nog in zijn hand. Zijn stem sloeg over op dat laatste woord. Alsof ík degene was die iets kapotmaakte.

Ik stond in de gang met mijn jas half aan en mijn weekendtas naast de voordeur. Mijn hart bonsde in mijn keel. Vanuit de woonkamer hoorde ik de telefoon trillen op tafel. Ik wist al wie het was. Weer Els.

‘Ik ga één weekend naar Texel,’ zei ik. ‘Eén weekend, Henk. We hebben dit maanden geleden geboekt.’

Hij keek me aan alsof ik gezegd had dat het me niets kon schelen dat Kees kanker had.

En misschien is dat het ergste. Dat alles ineens werd teruggebracht tot die ene vraag: ben je een goede vriendin of niet?

Wij kennen Kees en Els sinds 1984. We waren jonge stellen, net een huis, weinig geld, veel lol. Kamperen in Drenthe, gourmetten met kerst, op elkaars kinderen passen, samen door scheidingen van ouders en ontslagen heen. Altijd vanzelfsprekend. Als er iets was, stonden we er. Geen discussie.

Tot vorig jaar november.

Kees kreeg de diagnose na weken van vage buikpijn en moeheid. Ik zie Els nog zitten aan onze keukentafel, met mascara onder haar ogen en een verkreukeld papieren zakdoekje in haar hand.

‘Ze denken dat het ernstig is,’ fluisterde ze.

Henk zei meteen: ‘Wat er ook nodig is, wij doen het.’

Op dat moment vond ik dat nog mooi aan hem. Echt. Ik pakte Els vast en zei dat ze er niet alleen voor stonden.

Maar wat begon met af en toe rijden naar het ziekenhuis in Alkmaar, werd langzaam iets anders. Eerst één keer per week. Toen twee keer. Toen ook boodschappen meenemen. Dan de was opvouwen, omdat Els ‘er niet aan toe kwam’. Dan blijven koken, omdat Kees misselijk was en alleen zin had in aardappelpuree met worteltjes zoals ik die maakte.

Ik ben 64. Ik werk niet meer, maar dat betekent niet dat ik eindeloos energie heb. Ik heb artrose in mijn handen, slaap slecht en ik zorg ook nog voor mijn eigen moeder van 88, die in een appartement verderop woont. Toch schoof alles aan de kant voor Kees en Els. Mijn yogales op dinsdag, weg. Koffie met mijn zus, afgezegd. Een middag niks doen, bestond niet meer.

En Els veranderde ook. Dat vind ik nog het moeilijkst om te zeggen, maar het is wel waar.

In het begin was ze dankbaar. Ze pakte mijn handen vast. Ze huilde. Ze zei: ‘Wat moeten we zonder jullie?’

Na een paar maanden werd het meer een verwachting.

‘Kun je ook meteen de badkamer even doen?’

‘Neem je volkorenbrood mee, niet dat luchtige spul van de supermarkt?’

‘Waarom ben je pas om half elf hier? We moesten al om kwart over tien weg.’

Soms zei ik: ‘Els, ik doe echt mijn best.’

Dan zuchtte ze alleen maar. Zo’n korte, scherpe zucht. Alsof ik weer iets niet goed had gedaan.

Thuis begon ik stiller te worden. Henk merkte het wel, maar hij wilde het niet zien.

‘Ze zitten in de ellende, Anneke,’ zei hij dan. ‘Dan moet je niet op ieder woordje letten.’

‘Ik let niet op ieder woordje,’ beet ik een keer terug. ‘Ik ben op. Dat is iets anders.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Dit zijn onze vrienden.’

Alsof dat een antwoord was op alles.

De echte ruzie begon toen ik voorzichtig zei dat we misschien thuiszorg of een vrijwilliger konden inschakelen. Of via de gemeente kijken naar ondersteuning. We wonen hier niet op een eiland, er is toch van alles geregeld in Nederland, al moet je er soms achteraan.

Els hoorde dat niet van mij, maar van Henk, en belde me meteen.

‘Dus jij wilt ons doorsturen naar vreemden?’ Haar stem was ijskoud. ‘Na veertig jaar?’

Ik stond op dat moment in de Jumbo met een mandje vol kattenvoer en soepgroenten. Ik voelde iedereen om me heen bewegen, winkelwagentjes, piepjes van de kassa, en toch was het alsof alles stilviel.

‘Dat zeg ik niet,’ zei ik. ‘Ik zeg alleen dat wij niet alles kunnen dragen.’

‘Nee,’ zei ze. ‘Jij niet.’

Dat kwam hard aan. Belachelijk hard misschien, maar het voelde alsof al die maanden in één zin werden weggeveegd.

Henk koos meteen partij, al zal hij het zelf anders noemen.

‘Ze is bang,’ zei hij. ‘En jij maakt het nu over formulieren en hulpinstanties. Dat is zo kil.’

Ik heb toen voor het eerst gehuild van woede. Niet netjes, niet beheerst. Gewoon in de keuken, met mijn handen op het aanrecht.

‘Kil?’ zei ik. ‘Ik heb hun wc geschrobd, hun medicijnen opgehaald, mijn hele leven omgegooid, en jij noemt mij kil?’

Hij zei niets. Dat was misschien nog erger.

Vorige week kwam de ontploffing. Henk had zonder overleg aan Kees en Els beloofd dat wij dit weekend zouden blijven slapen, omdat Kees na een zware behandeling waarschijnlijk beroerd zou zijn en Els het niet alleen aankon.

Dit weekend. Ons weekend. Voor het eerst in maanden even weg. Geen ziekenhuisschema, geen boodschappenlijstjes, geen telefoon die steeds gaat.

Ik zei nee.

Gewoon nee.

Henk werd rood in zijn gezicht. ‘Hoe kun je dit maken?’

‘Hoe kun jij dit beloven zonder het mij te vragen?’ riep ik terug.

Later belde Els. Ik nam op, dom genoeg.

‘We hadden dit niet van jullie verwacht,’ zei ze. Geen hallo. Meteen dat.

‘Van mij bedoel je,’ zei ik.

Een paar tellen bleef het stil.

‘Als je nu afhaakt,’ zei ze zacht, ‘dan weet ik eigenlijk niet meer wat veertig jaar vriendschap waard is.’

Ik heb daarna niets meer gezegd. Ik kon het gewoon even niet. Ik hoorde Kees op de achtergrond hoesten. Een rauwe, kapotte hoest. En toen voelde ik schuld, verdriet, woede, alles door elkaar. Dat is het gemene eraan. Je kunt tegelijk medelijden hebben en toch vinden dat iets niet meer gaat.

Ik ben niet trots op dat nee. Maar ik kon niet anders meer. Als ik ook dit laatste stukje van mezelf had weggegeven, was er niks overgebleven wat nog vrijwillig voelde.

Henk praat nu kortaf tegen me. Kees appt niet meer. Els al helemaal niet. Veertig jaar lijkt ineens te wankelen op één grens die ik eindelijk trok.

Dus zeg het maar: laat je alles vallen voor vrienden in hun donkerste tijd, ook als je er zelf aan onderdoor gaat? Of mag je pas echt eerlijk zijn als je toegeeft dat liefde en loyaliteit ook een grens hebben?