Na 38 jaar zorgen had ik eindelijk mijn eigen werkplaats, maar mijn man zette er een bromfiets tegenover
Sinds vorige dinsdag ruikt onze bijkeuken naar oude benzine, nat rubber en iets metaals dat ik niet thuis kan brengen. De bromfiets staat scheef op een stuk karton, met een blauwe deken half over het zadel. Alsof hij zich schaamt dat hij er is.
Ik loop er zo veel mogelijk met een boog omheen. Dat is lastig, want de vriezer staat er ook en de achterdeur. Iedere keer als ik erlangs moet, voel ik die irritatie al in mijn schouders voordat ik überhaupt iets heb gedaan.
Rob en ik wonen al 34 jaar in dit huis, in een rustige wijk aan de rand van Deventer. De kinderen zijn al jaren de deur uit. Onze dochter zit in Amersfoort, onze zoon met zijn gezin in Zwolle. We zien ze regelmatig genoeg om mee te krijgen dat onze kleindochter haar zwemdiploma heeft gehaald en dat er weer gedoe is met de opvang, maar niet zó vaak dat het huis vol leven is.
Vroeger vond ik dat heerlijk, een rustig huis. Ik had drie dagen per week in een drogisterij gewerkt en daarnaast was ik altijd degene die wist wanneer de tandarts gebeld moest worden, wat er in de koelkast ontbrak en welke ouder op school aangesproken moest worden. Rob werkte bij de technische dienst van een scholengemeenschap. Hij kwam thuis met verhalen over een lekkend dak, een kapot digibord of een conciërge die iets verkeerd had aangesloten. Hij was nooit stil, eigenlijk.
Toen hij met pensioen ging, zei hij de eerste maanden steeds dat hij eindelijk tijd had. Hij schilderde het schuurtje, deed de tegels achter het huis met de hogedrukspuit en reed op dinsdag naar de markt voor vis, hoewel ik daar nooit om had gevraagd. Daarna werd het stiller.
Ik had ondertussen iets gevonden waar ik volledig in kon verdwijnen: oude klokken. Het begon met een kleine Junghans die van mijn moeder was geweest. Die liep al jaren niet meer. Via een cursus van het Volksuniversiteitje hier in de stad kwam ik terecht bij een man die klokken restaureerde in een werkplaats vol laatjes, radertjes en glazen stolpen. Ik vond het meteen prachtig. Niet gezellig prachtig, maar echt iets waar mijn hoofd rustig van werd.
Van Rob mocht ik de voormalige garage gebruiken. Hij zei zelfs nog: “Eindelijk een hobby waarbij je niet alleen wol koopt en er vervolgens niks mee doet.” Dat was zijn manier van enthousiast zijn.
We hebben er een werkbank ingezet, goede verlichting, een oude vitrinekast van Marktplaats. Ik heb zuurvrije doekjes, pincetten, olie, reinigingsmiddel en kleine bakjes waarin ik onderdelen sorteer. Voor sommige middelen zet ik de deur open of draag ik handschoenen. Het is geen hobby waarbij je even tussen twee wasjes door een schroefje vastdraait. Als ik een uur bezig ben met een uurwerk, wil ik niet steeds aangesproken worden omdat iemand zoekt waar de schaar ligt.
Dat klinkt misschien overdreven, maar die garage is de eerste plek in mijn leven die niet vanzelf ook van iedereen anders werd.
Rob begreep dat eerst wel. Of hij deed alsof.
In januari vertelde hij tijdens het avondeten dat hij een cursus kleine motorreparaties had gevonden in Zutphen. Zes zaterdagmiddagen. Hij keek er bijna verlegen bij.
“Brommers en scooters vooral,” zei hij. “Gewoon voor de techniek. Lijkt me wel wat.”
Ik zei dat het hem goed zou doen. Dat meende ik ook. Hij zat steeds vaker na de lunch al voor de televisie, met het geluid harder dan nodig. Soms zette hij een quiz aan die hij niet eens volgde. Als ik naar de garage ging, bleef hij in de keuken staan alsof hij nog iets wilde zeggen, maar dan vroeg hij alleen of ik koffie wilde.
Een week later zei hij dat hij in de garage een hoekje nodig had.
“Een hoekje?” vroeg ik.
“Ja, tegen die achterwand. Daar staat toch alleen die kast.”
Ik zei dat die kast vol spullen stond. Hij zei dat we die konden verplaatsen. Ik zei dat er ook een afzuiger zou komen, en dat ik niet wilde dat er olie en benzine tussen mijn gereedschap kwamen. Hij keek me aan alsof ik hem had verteld dat hij voortaan buiten moest eten.
“Het is toch onze garage?” zei hij.
Dat woordje, onze, maakte me meteen kwaad. Niet omdat het feitelijk onjuist is. Het is natuurlijk onze garage. Maar toen de kinderen klein waren, was alles ook van ons. De keuken, de woonkamer, de agenda, mijn tijd. Alleen kwam het regelen meestal bij mij terecht.
Ik stelde voor dat hij de houten schuur achter in de tuin kon gebruiken. Daar stonden nu alleen wat tuinstoelen, verfblikken en de oude grasmaaier. We zouden een werkbank kunnen kopen, misschien een elektrisch kacheltje.
Hij keek door het raam naar die schuur en zei: “Daar is het vochtig en koud. Daar ga jij zelf ook niet zitten.”
Dat was waar. In november trekt de kou er doorheen. Maar ik zei dat je het kon opknappen.
Hij zei niet veel meer. Hij schreef zich wel in voor die cursus, maar na de eerste keer kwam hij thuis met een gezicht alsof iemand hem had afgezegd. Hij vertelde dat een paar mannen uit de groep al samen onderdelen gingen zoeken en dat een van hen een Puch had gekocht. Rob had alleen een folder en een schrift met aantekeningen.
Die avond zei hij: “Misschien moet ik er maar mee stoppen. Het heeft ook geen zin als ik nergens kan sleutelen.”
Ik zei dat hij wel degelijk ergens kon sleutelen, alleen niet in mijn werkplaats.
Hij zette zijn bord in de vaatwasser en zei: “Nee, precies. Jouw werkplaats.”
Daarna hadden we bijna een week van die nare, vlakke dagen. We deden normaal tegen elkaar, wat misschien nog vervelender is dan ruzie. Hij haalde boodschappen. Ik kookte. ’s Avonds keken we een serie waar geen van beiden aandacht voor had.
Afgelopen dinsdag kwam ik terug van de cursus met een doos nieuwe veertjes en een boek over Franse pendules. Ik zag de aanhanger al voordat ik de straat in reed. Rob stond bij de bijkeuken met een man die ik niet kende. Tussen hen in stond die bromfiets, een oude Tomos, groen maar op veel plekken bruin van de roest.
Rob zei: “Hij doet het niet, maar het blok is nog goed. Voor honderd euro.”
Ik weet nog dat ik vooral keek naar de moddersporen op de tegels.
“Waar gaat die heen?” vroeg ik.
Rob wees naar de bijkeuken. Alsof dat de normaalste zaak van de wereld was.
Ik zei dat dat niet kon. Hij zei dat het tijdelijk was, totdat hij ruimte had gemaakt. Ik vroeg welke ruimte. Hij zei: “In de garage, Marjan. We wonen hier samen.”
Dat was het moment dat ik iets zei waar ik niet trots op ben. Ik zei dat hij binnen vierentwintig uur moest zorgen dat dat ding weg was, anders zou ik een nieuw slot op de deur van de bijkeuken zetten. Niet op de garage, zei ik er meteen achteraan, maar dat maakte het niet beter. Ik hoorde mezelf praten alsof ik beheerder van een gebouw was.
De verkoper keek naar zijn schoenen. Rob zei niets meer totdat die man weg was.
Later zat hij aan de keukentafel met zijn jas nog aan. Hij zei dat hij niet per se een bromfiets wilde. Hij wilde alleen niet de hele dag het gevoel hebben dat hij bij mij thuis op bezoek was.
Dat kwam hard aan, juist omdat ik dacht dat ik eindelijk iets voor mezelf aan het doen was zonder iemand tekort te doen.
De bromfiets staat er nu nog. Rob heeft de schuur opgemeten en offertes aangevraagd voor isolatie, maar hij doet het zonder overtuiging. Gisteren vroeg hij of ik wilde meekijken naar een tweedehands werkbank. Ik zei ja. Daarna vroeg hij of hij dan tenminste soms in de garage een onderdeel mocht schoonmaken als het buiten regende.
Ik zei niet meteen nee. Ook niet ja.
Vanmiddag ga ik verder met een Friese staartklok die al drie weken op mijn werkbank ligt. Rob heeft een afspraak bij de bouwmarkt voor platen en tochtstrips. Als ik de achterdeur open doe, moet ik eerst langs die Tomos. Ik denk dat ik hem er niet minder om vind, maar ik vind het nog steeds moeilijk om ruimte te maken zonder meteen bang te zijn dat ik zelf weer verdwijn.