Na veertig jaar vriendschap voelt onze vakantie ineens als verraad
Ik heb vorige week de caravan weer uit de stalling gehaald. Hij stond er al bijna twee jaar vooral stof te verzamelen, behalve een paar losse weekenden op de Veluwe. Vroeger gingen Marijke en ik er ieder voorjaar mee weg. Niet luxueus, gewoon een camping in Frankrijk of Duitsland, beetje fietsen, brood halen bij de bakker, ’s avonds voor de caravan zitten met een glas wijn dat eigenlijk te warm was geworden.
Dit jaar hebben we drie weken in de Elzas geboekt. Toen ik de bevestiging in mijn mail zag, voelde ik eerst opluchting. En bijna meteen daarna schuld.
Onze vrienden Henk en Els kennen we sinds 1981. Henk werkte toen bij dezelfde technische dienst als ik, nog in een tijd dat iedereen rookte in de kantine en je gewoon om half vijf naar huis ging zonder dat iemand je op je mobiel kon bereiken. Els en Marijke konden het ook meteen vinden. We hebben elkaars kinderen zien opgroeien, op elkaars vijftigste gedanst, samen gekampeerd, samen onze ouders begraven. Niet iedere week bij elkaar over de vloer, maar wel het soort vriendschap waarbij je niet hoeft uit te leggen waarom je belt.
Tweeënhalf jaar geleden kreeg Henk de diagnose ALS. Ik wist eerlijk gezegd nauwelijks wat het precies inhield. Je hoort zo’n afkorting en denkt: ernstig, maar misschien behandeling, misschien tijd. Binnen een paar maanden liep hij moeilijker. Daarna kwam de scootmobiel. Nu praat hij zacht en traag, en Els helpt hem met bijna alles.
In het begin deden we gewoon wat vrienden doen. Ik reed Henk naar het ziekenhuis als Els zelf een afspraak had. Marijke kookte extra en zette bakjes stamppot of lasagne in hun vriezer. Ik heb een drempelhulp gemonteerd bij de achterdeur en een keer met de gemeente gebeld omdat er gedoe was over de Wmo-aanvraag voor hulpmiddelen. Dat voelde niet als een last. Henk zou hetzelfde voor mij hebben gedaan. Daar twijfel ik geen seconde aan.
Maar ergens is het verschoven zonder dat iemand dat hardop heeft gezegd.
Els begon te bellen als haar thuiszorg niet kwam opdagen. Soms was dat terecht; het is ook absurd hoeveel zij moet regelen. Maar ze belde ook als de boodschappen op waren, of als de televisie het niet deed, of als ze ‘even iemand nodig had die normaal doet’. Dat laatste begreep ik nog het best. Alleen betekende ‘even’ vaak dat Marijke om tien uur wegging en om half vijf thuiskwam, kapot maar met het gevoel dat ze niet mocht klagen.
We gingen uiteindelijk elke dinsdag en zaterdag. Dinsdag deed ik vaak praktische dingen met Henk of in huis, terwijl Marijke met Els koffie dronk en luisterde. Zaterdag namen we eten mee, maakten we schoon, haalden medicijnen op of zaten we gewoon uren aan tafel omdat Els niet wilde dat Henk alleen was als zij onder de douche ging of even naar bed moest.
Het klinkt misschien kil als ik het zo opsom. En ik snap ook heel goed dat Els op is. Zij slaapt slecht, heeft haar man zien verdwijnen terwijl hij gewoon naast haar in de woonkamer zit, en moet steeds opnieuw aan instanties uitleggen wat er nodig is. Maar wij zijn ook ouder geworden in die twee jaar. Ik heb last van mijn heup. Marijke heeft hoge bloeddruk en zegt zelf steeds dat het wel meevalt, maar ik zie haar na zo’n zaterdag soms met haar jas nog aan op de bank zitten, zonder de televisie aan te doen.
Als ik erover begon, zei ze: ‘Wat moeten we dan? Zeggen dat we geen tijd hebben omdat we naar de markt willen?’
Dat was niet wat ik bedoelde. Ik wilde alleen niet dat ons leven nog uit vaste zorgdagen en herstel van die zorgdagen bestond.
In november hadden we een etentje met oud-collega’s afgezegd omdat Els die middag appte dat Henk een slechte dag had en ze het niet trok. Marijke belde haar om te zeggen dat we na het eten wel even langs konden komen. Els werd stil en zei toen: ‘Dus wij moeten maar wachten tot jullie sociale leven klaar is?’
Marijke was daar dagen ziek van. Ze zei dat Els het vast niet zo bedoeld had. Misschien. Maar ze zei het wel.
Ik ben zelf ook niet netjes gebleven. Een paar weken later belde Els op zaterdagochtend. We zouden naar mijn broer in Zwolle gaan, die net een knieoperatie had gehad. Els wilde dat ik kwam omdat de tillift raar deed en Henk bang was dat hij erin vast zou komen te zitten. Ik heb gezegd dat ik geen verstand heb van zo’n ding en dat ze de thuiszorg of de leverancier moest bellen.
Ze zei: ‘Maar jij laat ons nu gewoon zitten.’
Toen zei ik: ‘Els, ik kan niet steeds de reservehulpdienst zijn.’
Dat was hard. Ik hoorde het zelf terwijl ik het zei. Daarna hing ze op.
Henk stuurde die avond een berichtje, heel langzaam getypt waarschijnlijk: ‘Sorry dat het zo loopt.’ Ik heb alleen teruggestuurd dat hij zich niet hoefde te verontschuldigen. Meer wist ik niet.
De vakantie hebben we in januari geboekt. Niet stiekem, maar ook niet meteen verteld. Marijke bleef schuiven met het moment. Zij had het gevoel dat we toestemming moesten vragen. Uiteindelijk belde Els haar, niet andersom, omdat ze wilde weten of we in juni beschikbaar waren. Er kwam een logeerweekend van haar zus aan, zei ze, en misschien zou die zus daarna een paar dagen rust willen, dus of wij dan extra konden bijspringen.
Marijke vertelde over de Elzas. Ik zat aan de keukentafel en zag aan haar gezicht dat het misging.
Els zei niet veel. Ze zei alleen: ‘Drie weken?’
Marijke begon meteen uit te leggen dat we al jaren niet echt weg waren geweest en dat we bereikbaar bleven, wat natuurlijk onzin is als je met een caravan op een Franse camping staat en niet binnen twintig minuten bij iemand kunt zijn.
Toen zei Els: ‘Ik snap het wel. Jullie willen nog wat van jullie pensioen maken.’
Die zin klonk niet begripvol. Het was meer alsof ze zei dat wij kozen voor wijnproeven en fietsroutes, terwijl zij achterbleef in een huis waar Henk steeds minder zelf kan.
Sindsdien is het ongemakkelijk. Els appt Marijke nog wel over praktische dingen, maar kort. Henk reageert amper. Marijke wil de vakantie nu eigenlijk inkorten naar tien dagen. Ik heb gezegd dat ik dat niet wil. Daar hebben we vorige zondag ruzie over gekregen, echt ruzie, met stemverheffing. Dat gebeurt bij ons bijna nooit.
Ze zei dat ik niet begrijp wat het is om een vriendin in nood los te laten.
Ik zei dat zij niet begrijpt dat hulp pas hulp is als je het vrijwillig kunt blijven geven. Daarna zei ik iets doms over dat Els ons als personeel behandelt. Marijke begon te huilen, niet eens vooral om mij denk ik, maar omdat ze zelf ook voelt dat er iets niet klopt en niet weet aan welke kant ze dan moet staan.
Ik vind Els niet ondankbaar als mens. Ik vind haar vooral wanhopig. En misschien ben ik jaloers op de plek die die wanhoop in ons leven heeft ingenomen. Het is lelijk om dat toe te geven. Henk is ziek, niet ik. Els draagt het zwaarste. Toch denk ik steeds vaker: als wij hier zelf aan onderdoor gaan, wie helpt er dan eigenlijk iemand?
We gaan nog steeds iedere week, voorlopig. Marijke wil eerst met Els praten als Henk erbij is, niet aan de telefoon. Ik wil voorstellen dat we één vaste middag per week blijven komen en daarnaast alleen inspringen als het echt niet anders kan. Niet omdat ik Henk minder belangrijk vind dan vroeger, maar omdat ik niet wil dat ik hem uiteindelijk ga mijden zodra mijn telefoon overgaat.
De caravan staat nu op de oprit. Ik moet nog de gasflessen laten controleren en Marijke heeft een lijstje gemaakt van dingen die mee moeten. Ze heeft de camping nog niet geannuleerd. Dat voelt op dit moment al bijna als een besluit.