Na twee jaar zorg voor onze beste vrienden durfde ik niet meer op te nemen

Het begon eigenlijk met een gemiste oproep op een dinsdagmiddag. Ik stond bij de groenteboer in het centrum van Amersfoort, met een zak aardappelen in mijn hand, toen ik zag dat Henk drie keer had gebeld.

Dat deed hij nooit. Henk was altijd degene die zei: „Bel maar terug als je tijd hebt, hoor.” Ik belde hem tussen de kramen terug en hij nam pas na een paar keer overgaan op.

„Het is niet goed met Marja,” zei hij.

Meer zei hij eerst niet. Ik hoorde hem ademen, en ergens op de achtergrond liep een kraan. Later bleek dat Marja een chronische neurologische aandoening had. Niet iets waarvan je ineens in het ziekenhuis belandt en daarna weer naar huis gaat alsof het voorbij is. Eerder iets dat langzaam allerlei gewone dingen afpakte. Lopen, koken, plannen maken, een avond weg zonder dat er vooraf van alles geregeld moest worden.

Henk en Marja waren al ruim dertig jaar onze vrienden. Mijn vrouw Els kende Marja nog van haar werk bij de bibliotheek. Wij gingen vroeger met z’n vieren naar Frankrijk, met de auto en altijd te veel bagage. Elke donderdag aten we bij elkaar. Niet plechtig, gewoon om de beurt. Stamppot bij hen, pasta bij ons, en in de zomer te lang blijven zitten in de tuin met een glas wijn dat steeds opnieuw werd bijgeschonken.

Toen Marja ziek werd, was het voor Els en mij vanzelfsprekend dat we hielpen. Ik vind het nog steeds raar om dat woord te gebruiken, vanzelfsprekend, want het klinkt alsof er geen keuze in zat. Maar zo voelde het wel.

In het begin reden we mee naar afspraken in het ziekenhuis. Henk vond parkeren daar vreselijk en raakte, eerlijk gezegd, van alles in de war zodra er een arts iets ingewikkelds uitlegde. Els ging een paar keer mee naar de neuroloog omdat Marja na afloop vaak niet meer wist wat er precies gezegd was. Ik haalde medicijnen op als Henk verkouden was of kapot van een slechte nacht.

Daarna werden het andere dingen. Een traplift uitzoeken. Bellen met de gemeente over ondersteuning thuis. Een scootmobiel die geleverd zou worden maar niet door de poort paste. Maaltijden koken voor in de vriezer. Soms zat ik alleen maar een uur bij Henk aan de keukentafel omdat hij niet wist wat hij met zichzelf aan moest terwijl Marja boven sliep.

We zeiden steeds: het komt wel weer wat meer in balans.

Maar het kwam niet in balans. De ziekte van Marja werd grilliger. Ze had dagen waarop ze zelf nog een rondje door het park kon, langzaam, met haar rollator. En dan ineens kon ze niet uit bed komen. Henk werd steeds onrustiger. Hij belde niet alleen meer voor praktische dingen, maar ook omdat hij bang was. Soms belde hij ’s avonds om half elf. Soms op zondagmorgen voordat ik mijn eerste koffie op had.

Els en ik waren toen net met pensioen. We hadden plannen gemaakt waar we ons jaren op verheugd hadden. Een paar weken met de camper naar Denemarken. Meer fietsen. Eindelijk die cursus Spaans die Els al drie keer had uitgesteld. Ik zou vrijwilligerswerk gaan doen bij de voetbalclub, iets met de jeugdadministratie.

Het klinkt klein als ik het zo opschrijf. Alsof wij klaagden omdat we niet op vakantie konden. Zo voelde het niet. Het was meer dat onze dagen niet meer van ons waren. We hielden onze agenda leeg, want er kon altijd iets zijn. Als we ergens koffie dronken met andere mensen, keek Els om de paar minuten op haar telefoon. Ik deed stoer en zei dat ik hem wel op stil kon zetten, maar dat deed ik nooit.

Onze donderdagavonden verdwenen ook. Eerst aten we nog samen, alleen werd het geen gezellige avond meer. Henk wilde alles kwijt, wat begrijpelijk was. Marja zat er soms stil bij en werd boos als we te zacht praatten, omdat ze dacht dat het over haar ging. Andere keren zei ze ineens dat ze voor iedereen een last was. Dan zei Els natuurlijk dat dat niet zo was, terwijl ik zag dat ze zelf met haar vork in haar eten prikte zonder een hap te nemen.

Na bijna twee jaar merkte ik dat ik geïrriteerd raakte van Henks naam op mijn scherm. Daar schaam ik me nog steeds voor. Niet omdat ik hem niet meer wilde helpen, maar omdat ik wist wat er achter dat belletje kon zitten: paniek, gedoe, een middag die weg was, een gesprek waar ik daarna zelf twee dagen somber van was.

Els kreeg slecht slaap. Ze lag wakker en maakte lijstjes in haar hoofd: wanneer moest Marja weer naar de fysio, hadden ze wel genoeg boodschappen, moest Henk niet eens met de huisarts praten over hoe het met hém ging? Op een ochtend zei ze aan de keukentafel: „Ik kan dit niet meer op deze manier.”

Ik reageerde veel harder dan nodig was. Ik zei dat zij dan maar moest zeggen dat we niet kwamen. Alsof ik haar de schuld wilde geven van iets wat ik zelf ook al maanden voelde.

We hebben er nog drie weken omheen gedraaid. Uiteindelijk zijn we op een zaterdagmiddag naar Henk en Marja gegaan. Ik had de hele rit geoefend wat ik wilde zeggen. Rustig. Niet verwijtend. Geen rekensom maken van alles wat we gedaan hadden.

Els zei dat we van hen hielden, en dat was ook echt zo. Ze zei dat we niet konden doorgaan met drie, vier keer per week langskomen en ieder moment beschikbaar zijn. Dat we voortaan op zondagmiddag zouden komen, en dat we bij spoed natuurlijk zouden helpen, maar dat Henk voor de dagelijkse dingen meer hulp via de thuiszorg, familie en andere regelingen moest organiseren.

Marja keek eerst naar haar handen. Ze had net nagellak op, lichtroze, heel netjes ondanks dat haar vingers trilden.

Toen zei ze: „Dus nu ik minder kan, worden jullie ook minder.”

Ik weet nog dat ik meteen wilde zeggen dat het niet eerlijk was. Dat we juist ontzettend veel hadden gedaan. Maar het was haar huis, haar lichaam dat haar in de steek liet, haar leven dat kleiner werd. Ik zei niets.

Henk werd rood en zei dat hij dit niet van ons had verwacht. „Wij zouden toch altijd vrienden blijven?”

Dat was misschien het ergste. Niet dat hij boos was, want daar had hij recht op. Maar dat ik geen antwoord had dat niet slap klonk. Natuurlijk bleven we vrienden. Alleen blijkbaar niet op de manier die hij op dat moment nodig had.

De weken daarna was het stil. Niet helemaal, maar anders. Henk stuurde korte berichten over afspraken en hulpmiddelen, zonder de foto’s van Marja erbij die hij vroeger altijd meestuurde. Marja reageerde nauwelijks op Els. Eén keer schreef ze: ‘Ik moet hier nog aan wennen.’ Daar kon ik haar geen ongelijk in geven.

We zijn inmiddels een keer met de camper weggeweest. Vier nachten naar de Achterhoek, niet bepaald Denemarken. De eerste dag voelde ik me misselijk van schuld. Bij elke sirene keek ik naar mijn telefoon. Els heeft zelfs een middag zitten huilen op een terras in Lochem, heel ongemakkelijk voor de mensen naast ons.

Maar thuis was er ook iets veranderd. Ik ging weer op donderdagavond kaarten bij de club. Els is begonnen met Spaans, al moppert ze dat ze alleen maar weet hoe ze koffie moet bestellen. We spreken weer af met mensen die we twee jaar amper zagen. Dat is fijn, maar het voelt soms ook alsof we stiekem een deur achter ons dichttrekken.

Afgelopen zondag waren we bij Henk en Marja. Er is nu twee keer per week hulp in huis en een nicht van Marja doet de administratie. Henk was nog steeds afstandelijk, maar hij maakte wel koffie. Marja vroeg aan Els hoe Spaans ging. Daarna viel er een stilte die vroeger niet bestond tussen ons.

Toen we weggingen, zei Henk bij de voordeur alleen: „Volgende week dan.”

Ik zei ja. In de auto keek Els uit het raam. Ik startte de motor, maar we reden niet meteen weg.