Sinds de scheiding van mijn beste vriend durf ik thuis soms niet meer te zeggen dat ik een rustige avond wil
Het begon met een plastic tas van Albert Heijn op de grond bij onze voordeur. Daarin zaten een half brood, een pot pindakaas en drie losse mandarijnen. Henk stond ernaast, met zijn jas nog aan, alsof hij alleen maar even iets kwam brengen.
“Sorry, ik wist niet waar ik anders heen moest,” zei hij.
Dat was in februari, twee dagen nadat Marijke hem had verteld dat ze definitief wilde scheiden. Henk en Marijke waren ruim vijfendertig jaar onze beste vrienden geweest. Wij gingen samen kamperen in Frankrijk toen de kinderen klein waren, vierden oud en nieuw bij elkaar, hielpen elkaar met verhuizingen en verbouwingen. Henk was getuige bij ons huwelijk. Mijn vrouw Els is peettante van hun oudste dochter.
Dus natuurlijk lieten we hem binnen.
Hij ging aan onze keukentafel zitten en begon te praten. Eerst heel rustig. Over hoe Marijke de laatste jaren veranderd was. Over dat zij zei dat hij emotioneel niet bereikbaar was, wat hij zelf onzin vond omdat hij juist altijd alles regelde. De hypotheek, de vakanties, de zorg voor haar moeder toen die nog leefde. Daarna ging hij huilen. Niet hard, meer met zijn hoofd omlaag en zijn handen over zijn gezicht.
Els zette thee, warmde een restje soep op en belde zijn dochter niet, omdat Henk dat niet wilde. “Die heeft haar eigen gezin,” zei hij. “Daar moet ik niet ook nog eens met mijn ellende aankomen.”
Hij bleef die eerste avond tot bijna twaalf uur.
Ik vond het niet erg. Echt niet. Je laat iemand die je zo lang kent niet alleen zitten als zijn leven in stukken ligt. Dat voelde voor mij net zo vanzelfsprekend als een lekke band plakken als je samen op fietsvakantie bent. Je doet het gewoon.
Alleen bleef het niet bij die ene avond.
Henk kreeg via de woningcorporatie een kleine seniorenwoning in Overvecht. Eén slaapkamer, een woonkamer waar zijn oude eettafel eigenlijk te groot voor is, en een balkonnetje dat uitkijkt op een parkeerplaats. Hij was er ongelukkig mee, dat snap ik ook wel. Hij was van een hoekwoning met een tuin, een schuurtje vol gereedschap en een keuken waar altijd wel iets op het fornuis stond, naar een woning gegaan waar de koelkast volgens hem ‘een soort hotelkoelkast’ was.
De eerste weken hielpen we met dozen, gordijnen en een kapotte lamp. Daarna kwam hij bijna dagelijks bij ons eten. Soms kondigde hij het aan, vaak ook niet.
Dan zat ik net na mijn werk in mijn stoel. Ik werk nog drie dagen per week bij een installateur, vooral planning en administratie. Ik ben drieënzestig en ik merk dat ik na zo’n dag minder fut heb dan vroeger. Els werkt niet meer; zij is vorig jaar gestopt in de thuiszorg. De bel ging, en nog voordat ik opstond, riep Els al: “Dat zal Henk zijn.”
Henk kwam binnen met een gezicht alsof er iets verschrikkelijks was gebeurd. Meestal was het dan iets als een berichtje van Marijke dat ze haar eigen spullen wilde ophalen, of een foto op Facebook waarop zij met hun kleindochter stond. Daar kon hij dan anderhalf uur over praten, met telkens dezelfde vragen.
“Denk je dat ze al iemand anders heeft?”
“Waarom zegt ze niet gewoon eerlijk wat er speelt?”
“Na alles wat ik voor haar gedaan heb, Kees. Na alles.”
Ik probeerde eerst serieus te luisteren. Daarna begon ik mezelf erop te betrappen dat ik naar de klok keek. Of dat ik expres langer in de schuur bleef rommelen als hij er was. Dat vind ik niet fraai van mezelf, maar het was zo.
Op zaterdag wilde ik soms gewoon naar de markt, een rondje fietsen of in de tuin werken. Niets bijzonders. Maar Henk belde dan om half tien. Als ik niet opnam, belde hij Els. Als zij ook niet opnam, stuurde hij een bericht: ‘Gaat het wel goed? Ik voel me vandaag heel naar.’
Els kon dat niet negeren. Zij zei dan: “Hij heeft letterlijk niemand meer, Kees.”
Dat was niet helemaal waar. Hij had twee dochters, een broer in Amersfoort, oude collega’s van de gemeente. Maar volgens Henk begreep niemand hem echt. Zijn dochters zouden te veel aan de kant van Marijke staan. Zijn broer was ‘altijd al oppervlakkig geweest’. De mannen van zijn vroegere voetbalteam zag hij al jaren nauwelijks meer.
Wij waren dus over.
Een maand of twee geleden hadden Els en ik kaartjes voor een voorstelling in TivoliVredenburg. Een cadeau van onze zoon voor onze trouwdag. We waren al bijna weg toen Henk belde. Hij had die middag een gesprek gehad met de mediator en hij kon naar eigen zeggen niet alleen zijn.
Els keek mij aan. Ik wist meteen wat er ging gebeuren.
“Zeg maar dat hij hier kan komen,” zei ze zacht.
Ik zei nee.
Niet hard. Niet boos. Ik pakte de telefoon niet eens van haar af. Ik zei alleen: “Els, we gaan vanavond. Hij kan toch ook een vriend bellen, of zijn dochter? Of desnoods gewoon thuis zijn? Dat is rot, maar dat overleeft hij echt wel.”
Ze keek me aan alsof ik iets heel kils had gezegd.
“Je weet niet hoe diep hij zit.”
“Dat weet ik juist wel, want hij vertelt het ons iedere dag.”
Daar ging het mis. Niet met geschreeuw, wij schreeuwen eigenlijk nooit. Maar Els trok haar jas uit en legde de kaartjes op het dressoir. Ze zei dat ze geen zin had in een voorstelling als Henk misschien thuis zat te breken. Ik ben uiteindelijk alleen gegaan. Ik heb de helft gemist, denk ik. Ik zat steeds op mijn telefoon te kijken.
Thuis lag Els al in bed. Henk was niet geweest. Hij had blijkbaar na het gesprek met Els een magnetronmaaltijd gehaald en vroeg naar bed gegaan.
De volgende ochtend zei Els dat ik veranderd was sinds mijn vader was overleden. Dat ik minder geduld had met verdriet van anderen. Misschien zit daar iets in. Toen mijn vader stierf, wilde ik vooral met rust gelaten worden. Els wilde juist dat iedereen langskwam. Misschien begrijpen we elkaar daar al jaren minder goed in dan ik dacht.
Vorige week heb ik Henk zelf aangesproken. Bijna ongemerkt, want ik durfde het eigenlijk niet goed. Hij zat op onze bank en vertelde voor de zoveelste keer dat Marijke bij de bankrekening had geïnformeerd. Els was boodschappen doen.
Ik zei: “Henk, heb je er weleens aan gedacht om met iemand te praten die hiervoor is? Via de huisarts bijvoorbeeld. Of zo’n lotgenotengroep. In het buurthuis hier hebben ze toch van die koffiemorgens voor mensen na een scheiding?”
Hij werd eerst heel stil. Toen zei hij: “Ben ik jou te veel?”
Dat is een vraag waar je eigenlijk niet eerlijk op kunt antwoorden zonder iemand pijn te doen. Ik zei dat het niet zo simpel lag. Dat ik om hem gaf, maar dat Els en ik ook weer tijd samen nodig hadden. Dat we niet elke avond beschikbaar konden zijn.
Hij knikte, maar zijn gezicht ging dicht. Hij zei: “Duidelijk. Ik zal jullie niet meer lastigvallen.”
Dat had ik ook weer niet bedoeld. Ik ben hem achterna gelopen tot in de gang en zei dat hij altijd mocht bellen als het echt niet ging. Alleen hoorde ik mezelf praten en dacht ik: wat is ‘echt niet gaan’ dan? Wie bepaalt dat? Ik blijkbaar, terwijl ik daar helemaal niet geschikt voor ben.
Sindsdien komt hij minder vaak. Niet niet, maar minder. Hij appt Els vooral. Zij laat haar telefoon nu soms ondersteboven op tafel liggen, wat ze vroeger nooit deed. Gisteravond zei ze dat Henk zich schaamt en dat hij denkt dat wij hem zat zijn. Ik zei dat ik hem niet zat ben, maar dat ik dit leven ook niet meer wil.
Els antwoordde niet. Ze vouwde de was op, veel te netjes, en vroeg of ik de vuilnis nog buiten wilde zetten.
Vanmiddag gaan we naar Henk om een kastje op te hangen dat nog steeds in zijn gang staat. Els heeft ook voorgesteld dat we voortaan op woensdag samen eten en op zondagmiddag koffie drinken. Een soort vaste afspraken. Ik weet niet of Henk daar blij mee zal zijn. Misschien vindt hij het vernederend. Misschien houdt hij zich eraan en wordt het rustiger. Misschien belt hij vanavond toch weer.
Ik heb net zijn naam in mijn telefoon gezien toen het scherm oplichtte. Ik heb hem nog niet teruggebeld.