Mijn vriendin regelt ineens alles voor onze vriendengroep, en ik weet niet meer hoe ik nee moet zeggen

Het begon eigenlijk met een gedeelde Google-agenda. Daar moest ik nog om lachen.

Marjan stuurde op een dinsdagavond een linkje in onze appgroep, die al jaren gewoon ‘Vier op stap’ heet. Zij, haar man Theo, mijn man Erik en ik kennen elkaar sinds onze kinderen op dezelfde basisschool zaten. De kinderen zijn nu allemaal ruim boven de dertig, sommige wonen in Utrecht, eentje zelfs in Zweden, en wij zijn nog steeds over. Wij vier dus.

In die agenda stonden ineens etentjes, museumbezoeken, een fietstocht langs de Vecht en alvast twee weekenden weg. Met tijden erbij. “Anders komt er nooit meer iets van”, schreef Marjan erachter, met zo’n lachende emoji.

Theo was een halfjaar eerder gestopt bij de gemeente. Niet omdat hij ziek was of moest bezuinigen, hij was er gewoon klaar mee. Hij had altijd veel gewerkt, ook in zijn hoofd nog als hij thuis was. Eerst dacht ik dat het goed voor hem zou zijn. Hij ging wandelen, kocht een elektrische fiets, maakte zelf zuurdesembrood waar hij vervolgens foto’s van stuurde.

Maar eigenlijk werd hij vooral ontzettend aanwezig.

Vroeger deden we dingen nogal rommelig. Iemand zei op vrijdag: zullen we morgen naar de markt in Deventer? Dan gingen we. Of niet. Soms aten we bij ons een pan pasta en soms werd het friet van de snackbar omdat niemand zin had gehad om boodschappen te doen. Dat was juist fijn. We hoefden niet bijzonder te doen bij elkaar.

Theo begon eerst met reserveren. Dat was nog handig, vonden we allemaal. Zeker na corona, toen je voor alles vooraf een plekje moest hebben. Daarna stuurde hij opties. Drie restaurants, met links naar de menukaarten. Daarna verdween het woord opties een beetje. Hij schreef: “Ik heb voor zaterdag om 18.30 uur gereserveerd bij Bistro Bentinck. Parkeren kan daarachter, maar wel op tijd vertrekken.”

Erik zei dan: “Prima hoor.”

Ik ook. Ik werk nog twee dagen per week bij een fysiopraktijk en ik vond het eerlijk gezegd ook wel makkelijk dat iemand anders eraan dacht. Bovendien is Theo niet iemand die het kwaad bedoelt. Hij is gul, behulpzaam, hij haalt je op als je auto niet start. Toen mijn moeder vorig jaar naar een verzorgingshuis moest, heeft hij zonder gedoe twee keer een aanhanger geregeld voor spullen die we niet kwijt konden. Zo iemand is hij ook.

Alleen begon ik op rare momenten weerstand te voelen.

Bijvoorbeeld toen we een dag naar Rotterdam zouden. Ik had voorgesteld om naar de Kunsthal te gaan, omdat er een tentoonstelling was die ik graag wilde zien. Theo antwoordde bijna meteen dat we dan te weinig tijd zouden hebben voor de Markthal, een rondvaart en die ene wijnbar die Marjan op Instagram had gezien. Dus werd het geen Kunsthal.

Of toen Erik op een zondagmiddag zei dat hij liever niet om negen uur bij de parkeerplaats stond voor een fietstocht. Hij had de hele week al vroeg opgestaan en wilde eens rustig de krant lezen. Theo reageerde met: “Ja, maar als we later gaan, is het zo druk. En we moeten om twaalf uur bij Het Wapen van…”

Erik ging uiteindelijk mee. Hij was de rest van de dag chagrijnig, wat ook niet gezellig is. Ik werd kwaad op hem omdat hij niks zei tegen Theo maar wel tegen mij zuchtte in de keuken.

“Je hoeft toch niet overal ja op te zeggen?” zei ik.

Hij keek me aan terwijl hij de vaatwasser inruimde. “Dat zeg jij nou?”

Daar had hij wel een punt.

Een paar weken later zaten we bij Marjan en Theo op het terras. Het was zo’n zachte avond in juni waarop iedereen buiten blijft zitten, ook al wordt het fris. Theo had een mapje bij zich. Echt een mapje, met geprinte papieren erin. Hij legde uit dat hij voor oktober een huisje in Limburg had gevonden. Vrijdagmiddag aankomst, zaterdag Maastricht, zondag wandelen bij de Sint-Pietersberg en maandag via Valkenburg terug.

“Vier slaapkamers trouwens,” zei hij. “Dan heeft iedereen lekker ruimte.”

Marjan zei niets. Zij keek naar haar glas rosé en trok met haar nagel een velletje van het etiket. Ik weet niet of zij het ook allemaal te veel vond of dat ze Theo niet wilde afvallen. Zij is van nature rustiger dan hij, maar sinds hij thuis is, vult hij ook voor haar vaak de zinnen in.

Erik vroeg wat het kostte.

Theo noemde een bedrag dat hoger was dan ik verwachtte. Niet onmogelijk, we kunnen het betalen, maar voor een lang weekend in oktober vond ik het veel. Zeker omdat er nog restaurantreserveringen en toegangsbewijzen bij zouden komen, dat hoorde je eigenlijk al aan zijn toon.

“En als we nou liever iets anders doen?” vroeg Erik.

Theo lachte eerst, alsof Erik een grap maakte. “Zoals?”

“Nou ja. Misschien helemaal geen Limburg. Of gewoon twee nachten. Of een keer met de trein naar Groningen, weet ik veel. We hebben het er niet over gehad.”

Het werd stil op een vervelende manier. Niet dramatisch, maar iedereen ging ineens ergens anders naar kijken. Naar de tuin, naar een onderzetter, naar de schaal nootjes.

Theo zei toen: “Ik probeer het juist leuk te maken voor iedereen. Jullie zeggen altijd dat jullie nergens aan toekomen. Dan regel ik het een keer en dan is het weer niet goed.”

Erik bleef heel rustig, wat ik knapper vond dan ik op dat moment wilde toegeven. “Het is niet dat het niet goed is. Het is dat jij nu beslist voor vier mensen.”

Marjan zei zacht: “Theo steekt er wel veel tijd in.”

Daar voelde ik me meteen rot van. Alsof wij ondankbaar waren voor iets waar we niet om hadden gevraagd. Ik zei dus ook niks. Dat is denk ik mijn grootste aandeel hierin: ik heb Theo maandenlang laten denken dat dit precies was wat ik wilde, omdat ik geen gedoe wilde en omdat ik wist dat hij er trots op was.

De volgende ochtend stond het huisje in Limburg als definitieve boeking in de app. “Geregeld! Aanbetaling gedaan. Verrekenen we later wel.” Met daaronder een foto van een vakantiehuis met een houtkachel en veel te veel beige meubels.

Ik zat aan de keukentafel met een boterham die ik niet op kreeg. Erik was boven aan het stofzuigen. Dat doet hij elke zaterdag, altijd veel te fanatiek. Ik hoorde hem meubels verschuiven.

Ik typte eerst: “Wat leuk.” Daarna haalde ik het weg.

Toen typte ik: “Theo, we moeten hier toch even over praten, want wij hebben niet toegezegd.” Ook weggehaald.

Uiteindelijk stuurde ik alleen: “Kun je me vanmiddag even bellen?”

Hij belde binnen een minuut. Ik hoorde dat hij buiten liep, wind langs zijn telefoon.

“Is er iets?” vroeg hij meteen.

Ik zei dat ik het lief vond dat hij zo veel regelde. En ik meende dat ook. Maar dat het huisje voor ons niet vanzelfsprekend was, zeker niet voor dat bedrag, en dat ik het jammer vond dat hij boekte voordat we samen hadden gekozen.

Hij was lang stil.

Toen zei hij: “Ik dacht echt dat ik jullie ermee hielp.”

“Dat geloof ik,” zei ik. “Maar helpen is niet hetzelfde als alles al besloten hebben.”

Hij zei niet boos dat ik ondankbaar was. Dat was bijna lastiger geweest. Hij klonk gekwetst en moe. Hij vertelde dat hij na zijn pensioen soms dagen had waarop hij niemand sprak behalve Marjan. Dat hij het fijn vond om ergens naartoe te leven, om weer het gevoel te hebben dat hij iets in beweging bracht.

Daar zat ik dan, met mijn keurige grens die ineens tegen zijn eenzaamheid aan botste.

We hebben afgesproken dat hij zou kijken of hij kosteloos kon annuleren. Of dat lukt, weet ik nog niet. Marjan heeft me daarna een bericht gestuurd: “Hij bedoelt het echt goed, maar hij kan doorslaan.” Meer niet.

Vanavond zouden we eigenlijk bij hen eten. Theo heeft de reservering afgezegd, schreef hij. We eten gewoon bij hen thuis. Marjan maakt lasagne.

Ik ben opgelucht dat er geen schema is. Tegelijk zie ik ertegenop om aan tafel te zitten alsof er niks is gebeurd. Erik zegt dat we gewoon moeten gaan, niet overdreven voorzichtig doen, maar ook niet terugkrabbelen.

Ik heb een bos bloemen gekocht bij de bloemist op de hoek. Niet omdat bloemen iets oplossen. Ik wist alleen niet met lege handen naar binnen te gaan.