Mijn man wilde eindelijk genieten van zijn pensioen, maar onze beste vriend lag thuis doodziek te wachten
“Zeg dan gewoon dat je niet meer komt,” zei Els door de telefoon. Haar stem was schor, alsof ze al uren niet had gesproken. “Maar laat me niet elke maandag wachten met een pan aardappels op het vuur voor iemand die uiteindelijk afzegt.”
Ik stond in onze keuken met mijn jas nog aan. Buiten tikte de regen tegen het raam. Henk zat aan tafel zijn vakantiepapieren te bekijken, de reis naar Zeeland die we al in januari hadden geboekt.
“Els, ik kom morgen. Ik zweer het je.”
Henk keek niet eens op. Pas toen ik ophing, schoof hij zijn leesbril op zijn hoofd.
“Marianne, morgen zouden we naar de caravan rijden.”
“Dan ga jij toch.”
Hij zuchtte diep, zo’n zucht die ik de laatste maanden steeds vaker hoorde. “Dit bedoel ik nou. Alles draait ineens om Kees en Els.”
Kees en Els waren veertig jaar onze mensen. We leerden elkaar kennen op de camping bij Ommen, toen onze kinderen nog met opblaasbandjes in de Vecht stonden. Daarna kwamen de zaterdagse etentjes, de verjaardagen, de vakanties in Drenthe en de eindeloze avonden aan hun keukentafel. Toen mijn moeder stierf, zat Els naast me zonder iets te zeggen. Toen Henk zijn baan bij de drukkerij kwijtraakte, hielp Kees hem met solliciteren. We noemden elkaar voor de grap ‘reservefamilie’.
Tot Kees afgelopen najaar ineens zo moe werd dat hij de trap niet meer op kon. De diagnose kwam hard binnen: uitgezaaide alvleesklierkanker. Niet meer beter worden. Alleen nog tijd rekken, als het lukte.
Els vroeg nooit om geld. Dat maakte het misschien nog pijnlijker. Ze vroeg alleen of ik op dinsdag wilde koken, of Henk soms de post en de ingewikkelde formulieren wilde doornemen. Of we af en toe een uur bij Kees wilden zitten zodat zij kon douchen, boodschappen doen, even normaal ademhalen.
Ik zei meteen ja.
Henk niet.
In het begin deed hij nog mee. Hij bracht een keer een tas boodschappen en verving een kapot lampje in de gang. Maar toen Kees steeds zwakker werd en Els vaker belde, veranderde er iets. Henk werd kortaf. Hij nam zijn telefoon niet op als hij haar naam zag.
“Wij zijn geen thuiszorg,” zei hij op een avond.
“Dat zegt niemand.”
“Nou, het voelt wel zo. Ik ben net twee maanden met pensioen, Marianne. Ik heb veertig jaar om half zes opgestaan. Mag ik nu eindelijk iets voor mezelf doen?”
Ik voelde mijn gezicht warm worden. “En Els dan? Denk je dat zij nog iets voor zichzelf doet?”
“Dat is haar man.”
Die woorden bleven tussen ons hangen. Harder dan hij ze misschien bedoelde.
“Hij is ook jouw vriend,” zei ik.
Henk keek naar zijn handen. “Ja. Maar ik kan dit niet elke week. Ik wil Kees niet zo zien. En ik wil niet dat ons hele leven wordt opgeslokt door ziekte.”
Ik begreep zijn angst wel. Misschien juist daarom werd ik zo boos. Want ik was ook bang. Maar je loopt toch niet weg omdat je bang bent?
De echte breuk kwam op een donderdagmiddag. Ik had soep gemaakt en nam Henk mee, tegen zijn zin. Kees lag in de woonkamer onder een plaid. Hij was zo mager geworden dat zijn horloge los om zijn pols hing. Els rommelde zwijgend in de keuken.
Kees keek Henk lang aan.
“Je hoeft niet te komen als je liever ergens anders bent,” zei hij zacht.
Henk verstijfde. “Zo bedoel je het niet eerlijk, Kees.”
“Nee,” zei Kees. “Eerlijk is misschien juist wel het woord. Ik wil geen bezoek dat op zijn horloge kijkt.”
Ik zag Henk slikken. Hij zette zijn kop koffie neer zonder te drinken.
In de auto reed hij eerst een straat te ver voordat hij iets zei. Toen sloeg hij met zijn hand op het stuur.
“Zie je wel? Ik doe het nooit goed. Als ik kom, is het niet betrokken genoeg. Als ik niet kom, ben ik een klootzak.”
“Hij is stervende, Henk.”
“En ik leef nog,” beet hij me toe. Meteen daarna keek hij weg. “Dat mag toch ook nog ergens meetellen?”
Die nacht sliep ik op de bank. Niet omdat ik geen woorden meer had, maar omdat ik er te veel had. Ik dacht aan Els, die waarschijnlijk wakker lag naast Kees en luisterde of hij nog rustig ademde. Ik dacht aan Henk, die boven in ons bed lag en misschien even bang was als ik.
De volgende ochtend ging ik alleen naar Els. Henk vertrok naar Zeeland. Hij zei bij de voordeur: “Ik ben zondag terug.” Alsof we ruzie hadden over een vergeten afspraak.
Els deed open in haar badjas. Haar haar was niet gekamd. In de gang stonden ongeopende brieven op een stoel.
“Ik weet niet meer wie ik mag bellen,” fluisterde ze.
Ik pakte haar vast. Ze trilde helemaal.
Sindsdien ga ik twee keer per week. Ik kook, ik bel instanties, ik zit bij Kees terwijl Els even naar buiten loopt. Henk helpt soms alsnog met de administratie, maar alleen wanneer ik hem erom vraag. Hij is geen slechte man. Dat maakt het zo ingewikkeld. Hij bewaakt een grens die ik zelf niet kan accepteren.
Misschien heeft hij recht op zijn pensioen. Misschien heeft Els recht op ons allebei. Maar wat is veertig jaar vriendschap waard als je elkaar juist op het donkerste moment niet meer kunt dragen?
Zou u uw eigen leven opzijzetten voor een zieke vriend, of ligt daar ergens een grens die ik niet wil zien?