Mijn man wil onze bakkerij nu verkopen, maar ik ben nog niet klaar om alleen ‘met pensioen’ te zijn
Vorige maand stond mijn man om half negen op een dinsdag in de bakkerij met twee koffers naast zich. Niet echt ingepakt voor die dag, hoor. Ze stonden nog dicht. Maar wel zichtbaar, pal naast de broodsnijmachine.
Ik was net bezig met de bestellingen voor het weekend en dacht eerst dat hij ze uit de berging had gehaald. We hebben weinig ruimte achter de winkel, dus spullen zwerven daar nogal eens rond.
Hij zei: „Ik heb gekeken naar een huisje in de Ardèche. Voor september. Drie weken.”
Ik zei dat september voor ons juist een lastige maand is, met de buurtbraderie en daarna de start van de scholen. Ik zei het zonder op te kijken van mijn schrift. Daar ben ik achteraf niet trots op.
Toen bleef het even stil.
„Precies,” zei hij. „Altijd precies.”
Mijn man, Henk, is net zestig geworden. Ik ben 61. We hebben onze bakkerij in een dorp net buiten Amersfoort zevenentwintig jaar geleden overgenomen. Geen grote zaak, gewoon een winkel met een eigen oven achterin, drie vaste mensen en op zaterdag twee scholieren. We doen brood, gebak en, als het december is, veel te veel kerststollen.
Henk deed jarenlang de nachten. Om kwart over twee eruit, deeg draaien, ovens aan. Ik kwam rond half zes, deed de winkel, de bestellingen, de administratie en later steeds meer van het banket. Hij heeft een slechte knie gekregen en zijn schouders zijn ook niet best meer. Vorig jaar heeft hij gezegd dat hij ermee wilde stoppen. Niet met ons, niet meteen met de zaak, maar met het zware werk.
Dat snapte ik. Echt. We hebben een jongen gevonden die het broodbakken grotendeels overneemt en Henk komt nu hooguit nog eens langs voor een kapotte kraan of om iemand uit de brand te helpen. Officieel is hij eruit.
Alleen ben ik dat niet.
Ik wil nog drie jaar door. Niet zes dagen per week zoals vroeger. Ik heb de maandag al vrij en ik probeer op woensdagmiddag eerder te stoppen. Maar ik wil die drie jaar wel. Voor mijn pensioenopbouw, ja. We hebben geen beroerd inkomen gehad, maar als zelfstandigen zet je toch minder netjes weg dan je achteraf denkt. En ik wil niet doen alsof geld geen rol speelt. De verkoop van de zaak is nu ook niet ideaal. De huur loopt nog, de oven is pas vijf jaar oud en een overnamekandidaat betaalt vooral voor de inventaris en de klantenkring, niet voor de uren die wij erin hebben gestoken.
Maar het is niet alleen dat geld.
Als ik ’s morgens de eerste plaat kaasstengels uit de oven haal en de winkel nog donker is aan de straatkant, dan voel ik me nog steeds goed. Moe soms, geïrriteerd ook. Ik kan klagen over leveranciers tot ik erbij neerval. Maar het is míjn werk. Ik ken mensen hier al vanaf dat hun kinderen klein waren. Mevrouw Van Dijk wil haar krentenbrood altijd iets lichter gebakken. De jongen van de bloemenzaak haalt op vrijdag een saucijzenbroodje en doet alsof hij niet weet dat ik hem extra scherp vind. Dat soort dingen.
Henk noemt het tegenwoordig „de winkel”. Alsof ik daar alleen maar blijf hangen omdat ik geen afscheid durf te nemen.
Hij heeft wel ergens een punt. Ik ben nooit iemand geweest die makkelijk stilzit. Toen onze dochter Lotte zei dat ze zwanger was van onze eerste kleindochter, riep ik meteen dat ik op maandag kon oppassen. Vervolgens bleek maandag de dag waarop alle administratie zich opstapelde. Lotte zei dat het niet erg was, maar ik voelde me een slechte moeder én een slechte oma. Uiteindelijk gaat Noor nu naar de opvang en zie ik haar meestal op zondag.
Henk ziet dat ook. Hij zegt niet dat ik een slechte oma ben. Zo gemeen is hij niet. Maar hij zegt wel: „Je zegt al jaren: straks. Als de verbouwing klaar is. Als de lening afloopt. Als we iemand voor de nachten hebben. Wanneer is straks nou?”
Dat kwam er een paar weken geleden uit tijdens het eten. Gewoon macaroni uit een pakje, omdat ik geen zin had om uitgebreid te koken. Hij had die middag gebeld met een makelaar die gespecialiseerd is in bedrijfsverkoop. Zonder mij eerst iets te zeggen.
Ik werd daar zo boos om dat ik mijn bord naar de andere kant van de tafel schoof. Niet gegooid, maar het scheelde niet veel.
Hij zei dat die makelaar had aangegeven dat we dit voorjaar waarschijnlijk nog een nette prijs konden krijgen. Niet wat ik in mijn hoofd heb, maar genoeg om geen zorgen te hebben. Henk had al gerekend. De hypotheek is bijna klaar, Lotte redt zichzelf, we hebben spaargeld. Hij praatte over een camper. Over weken naar Frankrijk, niet drie weken in september als een schoolvakantiegezin. Hij wil ook wandelen in Schotland. Hij wil op donderdagmiddag ergens koffie drinken zonder dat ik na twintig minuten op mijn telefoon kijk of Samira de bestelling wel goed heeft ingevoerd.
Toen zei hij iets waar ik nog steeds last van heb.
„Ik heb al die jaren gedacht dat we dit samen deden voor later. Maar jij wilt blijkbaar vooral dat ik wacht tot jij ook klaar bent.”
Ik wilde zeggen dat híj degene was die nu alles op zijn tempo wilde bepalen. Dat ik ook jaren nachten en zaterdagen heb ingeleverd. Dat ik niet voor mijn plezier op vakantie zat te rekenen hoeveel roomboter er die week doorheen ging. In plaats daarvan zei ik: „Je kunt toch prima zonder mij weg?”
Dat klonk kouder dan ik bedoelde.
Hij keek me aan alsof ik hem een vreemde had genoemd. Misschien deed ik dat ook wel.
Sindsdien leven we een beetje langs elkaar heen. Hij staat later op. Maakt soms koffie voor mij, soms niet. Hij is begonnen met zwemmen bij het zwembad in Leusden en heeft een abonnement op de golfbaan genomen met een oud-collega van vroeger. Ik gun het hem, maar ik merk dat ik er kinderachtig jaloers van word. Hij heeft ineens een leven dat niet om de bakkerij draait, en ik sta om kwart voor zes croissants af te bakken.
Tegelijkertijd doet hij alsof ik hem bewust alleen laat. Vorige zondag wilde Lotte met Noor langskomen. Henk vroeg of we daarna misschien spontaan naar het strand konden rijden, gewoon even uitwaaien en ergens vis eten. Ik zei dat ik maandag vroeg moest beginnen en dat ik nog facturen moest doen.
Hij zei: „Natuurlijk.” Heel rustig. Dat was erger dan wanneer hij boos was geworden.
Ik heb die avond de facturen niet eens gedaan. Ik zat op de bank met mijn laptop dicht en hoorde hem boven rommelen. Uiteindelijk ben ik naar bed gegaan zonder dat we echt hadden gepraat.
Het lastige is dat ik niet vind dat hij ongelijk heeft. Hij heeft een groot deel van zijn leven gewerkt naar een moment waarop wij vrij zouden zijn. Hij heeft dingen laten schieten voor de zaak. Een vriendengroep die vroeger ieder jaar ging zeilen, voetbal op zondag, een keer een baan bij een grotere bakkerij omdat we dan de winkel zouden moeten opgeven. Ik heb daar ook van geprofiteerd, al deden we het samen.
Maar ik kan mezelf ook niet dwingen om nu ineens een vrouw te worden die haar dagen vult met reisfolders, oppassen en lunchen. Daar is niets mis mee, begrijp me goed. Alleen: ik ben nog niet zover. En misschien ben ik bang dat ik nooit meer ergens echt nodig ben als de winkel weg is. Dat klinkt zielig als ik het opschrijf, maar het is wel waar.
Afgelopen vrijdag heeft Henk gevraagd of ik tenminste met die makelaar wil praten. Niet om meteen te tekenen, zei hij. Gewoon luisteren. Ik heb ja gezegd, omdat ik niet nóg een keer wilde doen alsof zijn wens alleen maar lastig is.
Maar daarna vroeg ik hem of hij drie jaar zou kunnen leven met het idee dat ik nog werk, als we het anders organiseren. Twee vaste vrije dagen. In de zomer twee weken dicht, iets wat we vroeger nooit deden. Misschien kan ik iemand opleiden die meer overneemt, zodat ik niet elke dag nodig ben.
Hij zei niet meteen nee. Hij zei alleen: „Ik weet niet of ik wil dat ons huwelijk een rooster wordt.”
Dat begrijp ik ook weer. En toch dacht ik: ons huwelijk is altijd al een rooster geweest. Alleen stonden we er vroeger allebei op.
De koffers staan inmiddels niet meer in de bakkerij. Hij heeft ze weer naar zolder gebracht. Morgen komt de makelaar om elf uur. Ik heb Samira gevraagd de winkel dan even alleen te doen.
Vanavond eet Henk bij zijn broer, en ik neem waarschijnlijk een restje soep in de winkel. Daarna moet ik nog de deegmachine schoonmaken. Of misschien hoeft dat helemaal niet vanavond. Ik weet het nog niet.