Mijn zoon kwam met een koffer terug naar huis, en ineens voelde ons veilige pensioenhuis niet meer van ons allebei
Ik werk al achtentwintig jaar in de ouderenzorg. Eerst als verzorgende IG, later vooral op een kleinschalige woonvorm hier in de buurt van Deventer. Ik heb zo vaak gezien wat er gebeurt als mensen alles uit handen wordt genomen. Een dochter die haar vader geen koffie meer zelf laat inschenken omdat hij knoeit. Een zoon die voor zijn moeder antwoord geeft bij de huisarts. Allemaal goed bedoeld. Maar je ziet mensen soms kleiner worden waar je bij staat.
Daarom vind ik het zo pijnlijk dat ik nu thuis blijkbaar degene ben die als hard wordt gezien.
Onze zoon Daan is tweeëndertig. Hij woonde al bijna tien jaar in Utrecht, had een baan bij een softwarebedrijf, een huurappartement waar hij belachelijk veel voor betaalde en waar hij desondanks heel trots op was. Hij belde niet vaak uit zichzelf, maar met verjaardagen kwam hij altijd. Dan nam hij van die dure speciaalbiertjes mee voor zijn vader en zei hij dat ik te veel eten had gemaakt, om vervolgens toch drie keer op te scheppen.
In november stuurde hij mij op een dinsdagmiddag een berichtje: ‘Mam, ben je thuis vanavond?’
Ik zat toen net in de auto na mijn avonddienst. Ik dacht nog dat hij misschien iets met zijn vriendin wilde vertellen. Hij had een tijdje iemand, Noor, maar daar hoorden we weinig meer over.
Hij stond die avond voor de deur met een weekendtas en een plastic tas van Albert Heijn. Geen jas dicht, terwijl het regende. Hij zag er mager uit, niet dramatisch mager, maar alsof hij wekenlang op broodjes en koffie had geleefd.
Hij zei: ‘Ik ben gestopt met werken.’
Mijn man Henk pakte meteen zijn tas van hem over en zei alleen: ‘Kom eerst maar binnen.’ Dat was typisch Henk. Eerst een dekentje, een bord eten, een oplossing later. Of helemaal geen oplossing, als het aan hem ligt.
Daan bleef die nacht slapen. Daarna nog een nacht. Na een week kwam Henk met zijn oude bureau uit de schuur, omdat Daan in zijn jongenskamer wilde ‘uitzoeken wat hij ging doen’. Die kamer was eigenlijk al half logeerkamer geworden. Er stond een droogrek, dozen met kerstspullen en mijn naaimachine. Ik heb alles eruit gehaald zonder er echt bij na te denken.
Pas toen ik zijn was uit de machine haalde, besefte ik dat we ergens ingerold waren.
Daan vertelde dat hij een burn-out had, en dat de bedrijfsarts had gezegd dat hij rust moest nemen. Hij zei ook dat hij somber was. Niet op zo’n losse manier van ‘ik zit niet lekker in mijn vel’, maar vlak. Hij keek tijdens het praten naar de rand van zijn mok. Noor had het een paar maanden eerder uitgemaakt. Op zijn werk was een reorganisatie geweest. Hij had ontslag genomen voordat hij echt ziek gemeld was, zei hij. ‘Ik kon daar niet nog een dag zitten.’
Ik geloofde hem. Ik geloof nog steeds dat het echt niet ging.
Maar na drie weken kwam hij beneden rond twee uur ’s middags. Soms later. Hij douchte weinig. Hij at wat ik neerzette, zei dank je wel, en verdween weer naar boven met zijn telefoon. Henk bracht hem soms koffie. Als ik daar iets van zei, keek Henk me aan alsof ik onze zoon een schop gaf.
Ik stelde voor dat Daan zich bij de huisarts hier zou inschrijven, of in elk geval een afspraak zou maken met zijn eigen huisarts in Utrecht. Niet omdat ik vond dat hij ‘gerepareerd’ moest worden, maar omdat dit te zwaar was om alleen in een slaapkamer uit te zitten.
Daan zei: ‘Jij maakt er meteen weer een project van.’
Dat kwam hard aan. Misschien omdat ik in mijn werk inderdaad gewend ben om te kijken: wat kan iemand nog zelf, wat is veilig, welke stap is haalbaar? Thuis wil ik helemaal niet professioneel doen. Ik wil gewoon zijn moeder zijn. Maar ik kan ook niet doen alsof ik niet zie wat ik zie.
Henk zei later in bed: ‘Je moet hem niet opjagen, Marijke. Hij is kapot.’
Ik zei: ‘Ik jaag hem niet op. Ik wil dat hij hulp krijgt.’
‘Hij krijgt hulp. Hij is hier.’
Daar heb ik lang wakker van gelegen. Want ik snapte precies wat Henk bedoelde. Daan was hier, hij at, hij sliep, hij hoefde niet alleen in dat appartement te zitten. Misschien was dat voor nu inderdaad het belangrijkste.
Maar ons huis veranderde ook. Henk zette de televisie zachter als Daan boven sliep. We gingen niet meer spontaan een weekend weg met de camper, want stel dat Daan ons nodig had. Ik liep op mijn vrije ochtend steeds zachter de trap op, bang dat ik hem zou wakker maken en tegelijk bang dat hij al uren wakker lag zonder op te staan.
Op een zondag, eind januari, zei ik dat we moesten afspreken hoe lang hij bij ons zou blijven en wat hij zelf kon doen. Niet omdat ik hem eruit wilde zetten. Ik wilde een kader. Een afspraak met de huisarts binnen twee weken. Een bijdrage aan boodschappen zodra zijn geld geregeld was. Misschien één vaste taak in huis. De hond uitlaten, of koken op woensdag. Iets kleins, maar iets van hemzelf.
Daan werd stil. Henk keek al geïrriteerd voordat Daan iets gezegd had.
‘Dus ik mag hier alleen wonen als ik aan jouw lijstje voldoe?’ vroeg Daan.
Ik zei dat het geen lijstje was. Meteen wist ik dat het wel als een lijstje klonk.
‘Mam, ik probeer gewoon niet dood te gaan van binnen,’ zei hij. Heel zacht. ‘En jij hebt het over de hond.’
Ik heb toen niets teruggezegd. Ik kon ook niets terugzeggen. Henk sloeg een arm om hem heen. Niet om mij. Dat neem ik hem nog steeds kwalijk, al schaam ik me daarvoor.
Later barstte het tussen Henk en mij los in de bijkeuken, terwijl de wasmachine draaide. Hij zei dat ik geen idee had hoe dicht Daan misschien bij een afgrond zat. Ik zei dat hij Daan behandelde alsof hij zestien was en dat wij straks allebei om hem heen draaiden totdat niemand meer wist hoe hij zelf verder moest.
‘Jij wilt hem een deadline geven omdat je het ongemakkelijk vindt,’ zei Henk.
Misschien zat daar iets in. Ik vind het verschrikkelijk ongemakkelijk. Niet Daan zelf, maar mijn machteloosheid. Op mijn werk kan ik na een dienst overdragen. Ik kan naar huis. Dit is mijn huis, mijn kind, mijn man. Er is geen overdracht.
De week daarna heeft Daan toch de huisarts gebeld. Niet omdat ik het nog eens vroeg, maar omdat zijn oude studievriend Bas langskwam. Bas bleef maar een uur. Ze zaten in de tuin met hun jassen aan, omdat Daan niet naar binnen wilde. Toen Bas weg was, kwam Daan bij me in de keuken staan.
‘Ik heb morgen een belafspraak,’ zei hij.
Ik zei: ‘Goed.’ Meer niet. Ik wilde hem vasthouden, maar ik durfde niet. Hij leek al zo snel te schrikken van alles wat betekenis kreeg.
Hij woont nu ruim vier maanden bij ons. Hij heeft gesprekken via de praktijkondersteuner en staat op een wachtlijst voor verdere behandeling. Hij helpt soms met koken. Soms ook helemaal niet. Er zijn dagen dat ik denk: zie je wel, hij komt langzaam terug. En er zijn dagen dat ik om half één zijn dichte deur zie en meteen boos word, waarna ik me een uur later weer schuldig voel omdat boosheid zo goedkoop is naast zijn verdriet.
Met Henk gaat het ook niet vanzelf. Hij is nog steeds de zachte van ons twee. Ik ben nog steeds degene die vraagt wat het plan is. Maar vorige week zei Henk uit zichzelf tegen Daan dat hij de afspraak bij de huisarts niet moest afzeggen omdat hij zich die ochtend iets beter voelde. Dat vond Daan niet leuk. Henk ook niet, geloof ik.
Vanmorgen stond Daan om kwart over acht in de keuken. Hij had zelf brood gehaald bij de bakker en vroeg of ik koffie wilde. Ik zei ja. We zaten vijf minuten zwijgend aan tafel, allebei moe, allebei een beetje voorzichtig.
Daarna ging hij weer naar boven. Maar hij nam zijn schoenen mee.