Mijn beste vriend herkent soms onze vakanties niet meer, maar zijn vrouw vraagt ons nu om drie dagen per week bij hen in te trekken
Vorige week stuurde Marja een foto in onze groepsapp. Henk zat aan hun eettafel met zijn handen om een mok koffie. Op de achtergrond hing nog steeds die kaart van onze vakantie in de Vogezen, met vier punaisegaatjes op de hoeken. Henk keek niet in de camera. Hij keek naar de suikerpot alsof hij die nog nooit gezien had.
Ik heb heel lang naar die foto zitten kijken voordat ik iets terugstuurde. Uiteindelijk alleen: “Hoe gaat het vandaag?”
Vroeger zouden we daar een flauwe opmerking onder hebben gezet. Henk en ik over de slechte koffie van Marja bijvoorbeeld, en Marja zou antwoorden dat wij zonder haar allang aan scurvy waren overleden op vakantie. Zo gingen wij al ruim dertig jaar met elkaar om.
We leerden Henk en Marja kennen toen onze kinderen nog op de basisschool zaten. Wij woonden in Amersfoort, zij in Leusden, dus dichtbij genoeg om spontaan even langs te gaan, maar ver genoeg om te doen alsof we daar heel relaxed in waren. Elke vrijdag om half zeven aten we om de beurt bij elkaar. Soms echt gekookt, soms gewoon Chinees uit bakjes op tafel. We hebben samen skivakanties gedaan, campings afgezworen en toch weer geboekt, ouders begraven, kinderen zien uitvliegen.
Toen ik op mijn 54ste een hartoperatie moest ondergaan, stond Henk de ochtend erna bij ons met een tas boodschappen. Niet alleen druiven en beschuit, maar ook vuilniszakken, afwasmiddel en kattenvoer. Hij wist dat Els in die weken aan dat soort dingen kapot zou gaan.
Dus nee, het is niet zo dat ik nu denk: dat is hun probleem.
Henk kreeg ruim een jaar geleden de diagnose. Beginnende Alzheimer. Eerst waren het van die dingen waar je nog omheen kon praten. Hij vergat een afspraak bij de tandarts. Hij vertelde in één avond drie keer hetzelfde verhaal over een oud-collega. Hij raakte in de supermarkt in de war omdat de indeling veranderd was.
Marja maakte er aanvankelijk grapjes over, misschien ook om zichzelf gerust te stellen. “Hij wordt gewoon eindelijk een echte man, hè, nooit weten waar iets ligt.” Henk lachte dan mee, al zag ik soms dat hij niet precies begreep waarom.
In de herfst werd het anders. Hij liep een keer naar buiten zonder jas en wist bij de rotonde niet meer welke kant hun huis was. Een buurvrouw heeft hem thuisgebracht. Daarna is Marja bang geworden om hem alleen te laten. Begrijpelijk. Ik denk dat ik hetzelfde zou zijn.
Els en ik hielpen al vaker. Ik ben met Henk naar de huisarts geweest toen Marja zelf een afspraak had. Els heeft een paar middagen bij hen gezeten zodat Marja naar de kapper kon, of gewoon naar de Albert Heijn zonder steeds op haar telefoon te kijken. We namen ze nog mee naar ons huis, maar Henk wordt onrustig van onbekende dingen. Zelfs bij ons, waar hij vroeger zonder kloppen de koelkast opentrok.
Drie weken geleden zaten we bij hen aan tafel. Marja had stamppot gemaakt, maar niemand at echt. Henk zat in de woonkamer naar een natuurprogramma te kijken met het geluid veel te hard.
Marja zei ineens dat ze het niet meer trok.
Niet huilend. Juist heel zakelijk. Ze had een schriftje op tafel gelegd met tijden erin. Wanneer Henk wakker werd, wanneer hij zijn medicijnen innam, hoe vaak hij vroeg waar zijn moeder was. Zijn moeder is al meer dan twintig jaar dood.
Toen zei ze: “Ik heb nagedacht. Misschien kunnen jullie drie dagen in de week hier slapen. Dinsdag tot en met donderdag bijvoorbeeld. Dan kan ik ook eens een nacht doorslapen.”
Els keek mij aan. Ik weet nog dat ik naar dat schriftje keek en dacht dat de kaft viesblauw was, zo’n onbelangrijk detail dat nu in mijn hoofd blijft hangen.
Ik zei niet meteen nee. Ik zei: “Drie dagen echt hier wonen, bedoel je?”
Marja knikte. “Jullie zijn de enigen bij wie Henk nog rustig blijft. Hij kent jullie. Misschien kunnen jullie hem ’s morgens helpen, een stukje lopen. Gewoon zorgen dat er structuur is.”
Gewoon.
Els was vorige maand 66 geworden. Ik word in augustus 67. We hebben allebei doorgewerkt tot we het zat waren, niet omdat we rijk zijn. Mijn pensioen is prima, maar we letten nog steeds op. We hadden eindelijk plannen gemaakt die niet afhankelijk waren van schoolvakanties, werkroosters of zieke ouders. Met de trein naar Italië in september. Een paar weken met de camper door Denemarken. Els wil een cursus keramiek doen, ik wilde weer gaan fietsen met een groepje op woensdagochtend.
Het klinkt misschien klein als je het naast dementie zet. Alsof je zegt dat je niet kunt helpen omdat je zo graag potjes wilt draaien en op een racefiets wilt zitten. Maar het is niet alleen dat. Ik voelde meteen: als we dit doen, dan wordt het niet drie dagen. Dan worden wij onderdeel van hun zorgrooster. En als Henk achteruitgaat, wat dan?
We zijn uiteindelijk pas na twaalven weggegaan. Marja was stil. Henk zei bij de voordeur: “Tot volgende week op de camping.” Niemand verbeterde hem.
Een paar dagen later zijn Els en ik teruggegaan met een voorstel. Dat we twee vaste momenten per week zouden komen. Dat ik met Marja mee zou gaan naar het gesprek met de casemanager dementie. Dat we konden helpen uitzoeken welke thuiszorg mogelijk was, misschien dagbesteding voor Henk. Niet om hem af te schuiven, zei Els, maar zodat Marja niet alleen op ons leunde.
Marja werd heel bleek toen Els dat zei.
“Dus jullie willen gewoon een vreemde hier neerzetten,” zei ze.
Els zei dat dat niet eerlijk was, dat we juist wilden helpen.
“Jullie zijn zijn vrienden. Jullie weten wie hij was.”
Daar had ze natuurlijk gelijk in. Een verzorgende weet niet dat Henk altijd bang was voor diepe meren. Niet dat hij vroeger op vakantie standaard om zes uur al wakker was en dan brood haalde voor iedereen. Niet dat hij, toen onze dochter na haar scheiding een tijdje bij ons woonde, haar zonder een woord een envelop met geld gaf voor een tweedehandsfiets.
Maar vriendschap maakt ons toch niet automatisch geschikt als mantelzorgers? Ik durfde dat niet hardop te zeggen. Misschien omdat het hard klinkt. Misschien omdat ik zelf ook niet zeker weet of ik het geloof.
Marja zei uiteindelijk dat ze er geen discussie van wilde maken. Vervolgens heeft ze bijna twee weken niets laten horen. Geen berichtjes, geen foto’s, niks. Els is boos en gekwetst. Ik vooral onrustig. Elke keer als mijn telefoon gaat, denk ik dat het Marja is met slecht nieuws.
Vanmiddag hebben we wel bij haar aangebeld. Henk sliep boven. Marja deed open in haar badjas, om drie uur ’s middags. Ze zei dat ze zich had verslapen op de bank. In de keuken lagen ongeopende brieven en er stond een pan van gisteren in de gootsteen.
Ik heb de brieven op een stapel gelegd en zonder te vragen koffie gezet. Els heeft een was aangezet. Dat soort dingen kunnen we blijkbaar wel, zonder dat er meteen een heel nieuw leven omheen gebouwd wordt.
Voor we weggingen, zei Marja zacht dat ze maandag toch met ons mee wil naar de casemanager. Ik zei dat we haar om tien uur ophalen.
Thuis heeft Els onze reservering voor de trein naar Milaan nog niet geannuleerd. Hij staat gewoon in haar agenda, in september. Ik kijk er soms naar en voel me tegelijk opgelucht en misselijk.