Mijn zoon woont weer bij ons, maar ik herken hem soms niet meer en nu wil ik hem een deadline geven

Ik betrap mezelf er de laatste tijd op dat ik thuis zachter loop. In mijn eigen huis. Niet omdat Jasper slaapt, dat deed hij in het begin nog veel overdag, maar omdat ik geen zin meer heb in die blik van hem als ik iets te hard een kastje dichtdoe.

Dan kijkt hij op van zijn telefoon alsof ik expres iets doe. Soms vraagt hij ook: „Waarom doe je zo nerveus?”

Terwijl ík dan denk: jongen, ik haal gewoon een koffiekopje.

Annet en ik wonen in een vrijstaand huis aan de rand van een wijk in Oosterhout. Niet dat we miljonairs zijn, hoor. Ik heb jaren bij een installatiebedrijf gewerkt, Annet in de thuiszorg, en we hebben zuinig geleefd. Vorig jaar zijn we allebei gestopt. We hadden ons voorgesteld dat we eindelijk eens doordeweeks konden fietsen, een paar dagen naar Limburg misschien, zonder dat alles gepland moest worden rond werk.

Toen kwam Jasper.

Hij is 34. Hij had een kleine zaak in online marketing, iets met webwinkels helpen. Eerst ging het aardig, dachten wij. Daarna hoorden we steeds minder. Uiteindelijk bleek dat hij schulden had, een huurachterstand en al maanden bijna niet sliep. Zijn relatie was ook net uit. Hij kwam op een zondagmiddag langs met twee sporttassen en zei dat hij niet wist waar hij die nacht heen moest.

Je stuurt je kind dan niet weg. Zo simpel was het voor mij in elk geval toen.

We hebben afgesproken dat hij de zolderkamer zou krijgen. Tijdelijk. Hij zou zich inschrijven voor hulp via de huisarts, zijn administratie op orde brengen en meehelpen. Niet als straf, maar omdat het geen pension moest worden. Jasper zei overal ja op. Hij huilde zelfs een beetje toen Annet zijn bed opmaakte, wat ik moeilijk vond om te zien. Hij was als kind nooit zo. Altijd druk, altijd een grote mond, altijd plannen.

De eerste maanden hebben we hem met rust gelaten. Ik vond dat ook redelijk. Hij had een burn-out, zei hij, en zijn therapeut vond dat hij eerst moest stabiliseren. Prima. Alleen werd ‘eerst stabiliseren’ bij ons thuis iets waar niemand meer een einde aan durfde te maken.

Hij stond meestal rond elf uur op. Dan maakte hij havermout, liet alles op het aanrecht staan en ging weer naar boven. Als Annet vroeg of hij de vaatwasser wilde uitruimen, zei hij vaak: „Ja, zo.” Dat ‘zo’ kon een uur zijn, maar ook twee dagen.

Ik ben zelf ook niet altijd makkelijk. Dat weet ik best. Ik heb mijn hele leven gewerkt en als er een probleem was, pakte je het aan. Daar ben ik misschien ouderwets in. Maar ik zag Annet veranderen. Zij deed de boodschappen, kookte, waste handdoeken die Jasper in een hoop op zijn kamer liet liggen. Ze zei dat ze het niet erg vond. Tegelijk stond ze ’s avonds in stilte de pannen af te wassen, terwijl Jasper boven zat met een koptelefoon op.

Op een avond zei ik: „Dit is toch niet wat we afgesproken hadden?”

Annet bleef met haar handen in het sop staan. „Hij doet zijn best, Henk.”

„Waar zie jij dat aan?”

Ze zei niets. Alleen: „Je weet niet hoe het in zijn hoofd is.”

Dat was precies het punt. Ik wist het niet. En ik begon steeds meer het gevoel te krijgen dat ik niets meer mocht vragen omdat alles mogelijk verkeerd kon vallen.

Sinds een maand of twee is er nog iets bijgekomen waar ik met niemand goed over durf te praten. Jasper denkt dat mensen dingen achter zijn rug om regelen. Niet altijd, niet heel wild misschien, maar vaak genoeg dat het mij onrustig maakt.

Hij vroeg een keer waarom ik zijn post had opengemaakt. Dat had ik niet gedaan. De envelop lag nog dicht op de kapstok, nota bene. Een andere keer zei hij dat Annet expres tegen de buurvrouw had gezegd dat hij „thuiszat”. Annet had alleen verteld dat Jasper tijdelijk bij ons woonde, omdat die buurvrouw hem had gezien met vuilniszakken bij de kliko.

Vorige week vond ik een klein zwart schriftje op de eettafel. Ik had het niet moeten lezen, dat weet ik. Maar het lag open en ik zag mijn eigen naam staan. Er stonden data bij, tijden, en korte zinnen. ‘Henk 08.12 boven aan deur geluisterd.’ ‘Annet fluisterde in keuken.’ ‘Ze willen dat ik faal zodat ik wegga.’

Ik voelde me misselijk toen ik dat las.

Ik was die ochtend inderdaad boven geweest, maar omdat de verwarming op zijn kamer al uren loeide en het raam openstond. Ik had geklopt. Hij reageerde niet. Meer was het niet.

Toen Jasper thuiskwam van zijn wandeling heb ik dat schriftje niet genoemd. Ik schaamde me dat ik erin gekeken had, maar ik was ook bang dat hij zou denken dat ik bewijs zocht tegen hem. Dat klinkt misschien overdreven, alleen zo voelt het inmiddels: ieder normaal ding in huis kan ineens een betekenis krijgen die ik niet bedoeld heb.

Die avond heb ik tegen Annet gezegd dat er een termijn moest komen. Een maand om iets anders te zoeken. Desnoods begeleid wonen via de gemeente, een kamer, iets met hulp erbij. We kunnen financieel nog wel even bijspringen, maar niet op deze manier in dit huis.

Annet werd kwaad. Niet hard schreeuwen, dat doet zij nooit, maar haar gezicht ging helemaal dicht.

„Je zet hem toch niet met een maand op straat?” zei ze.

„Ik zet hem niet op straat. Ik zeg dat dit niet eindeloos kan.”

„Hij kan dat helemaal niet aan, Henk. Zijn therapeut zegt juist geen grote druk.”

„En wat als hij over een halfjaar nog steeds om twaalf uur opstaat en denkt dat wij hem weg willen hebben?”

Daar had ze geen antwoord op. Of misschien wilde ze mij geen antwoord geven.

De volgende ochtend hoorde Jasper ons praten in de bijkeuken. Niet eens over hem, geloof ik. Over de energierekening. Hij kwam beneden en vroeg meteen of we al bezig waren met een plan om hem eruit te krijgen. Annet begon te huilen. Ik werd boos, veel bozer dan ik had moeten worden, en zei dat hij niet alles steeds tegen ons moest gebruiken.

Dat was verkeerd. Dat zie ik nu wel. Hij trok wit weg, pakte zijn jas en is uren weggebleven. Toen hij terugkwam, zei hij alleen dat hij bij een vriend had gezeten. Hij keek mij niet aan.

Ik weet niet of ik hem moet beschermen tegen de werkelijkheid of juist tegen mezelf, tegen mijn ongeduld. Ik weet ook niet hoe lang Annet dit volhoudt. Ze zegt nog steeds dat het goedkomt, maar ze slaapt slecht en vergeet de laatste tijd zelfs afspraken met vriendinnen.

Morgen hebben we met z’n drieën een gesprek. Jasper wil dat zijn therapeut via beeldbellen aansluit. Ik vind dat ongemakkelijk, alsof wij voor een soort rechtbank moeten uitleggen waarom ons huis geen veilige plek meer voelt.

Toch heb ik ermee ingestemd. Ik heb de agenda al op tafel gelegd en vanmiddag extra koffie gehaald. Alsof dat iets oplost.