Na veertig jaar vrijdagmiddag weet ik niet meer of ik mijn vriendin help of haar juist kwijtraak

Het ergste vind ik niet eens dat Marjan tegenwoordig zo vaak afzegt. Het ergste vind ik dat ik op vrijdag rond vier uur nog steeds automatisch drie glazen op het dienblad zet.

Twee voor ons en één voor haar.

Daar kom ik dan meestal pas achter als Kees vanuit zijn stoel zegt: „Je weet toch dat ze gisteren al appte?” Alsof ik dat niet weet. Alsof ik dat berichtje niet al vijf keer heb gelezen. *Lieve Els, ik red het vandaag niet. Het spijt me. Volgende week misschien. X.*

Marjan en ik kennen elkaar sinds de jaren tachtig. We werkten allebei bij de gemeente, zij bij burgerzaken en ik op de afdeling financiën. Niet eens op dezelfde verdieping, maar we rookten toen nog buiten achter het gebouw en zo is het begonnen. Kees hoorde er al snel bij. Toen we kinderen kregen, verhuisden, banen wisselden, ouders naar een verpleeghuis moesten: de vrijdagmiddag bleef. Eerst met jonge jenever en blokjes kaas uit een plastic bakje. Later wijn, olijven en veel te dure nootjes van de delicatessenwinkel in het dorp.

Veertig jaar, ongeveer. Niet iedere vrijdag zonder uitzondering, natuurlijk. Maar altijd als vanzelfsprekend. Als er iets was, wist je: vrijdag vertel ik het wel.

Sinds haar scheiding is die middag anders. Haar ex, Ton, was nooit mijn favoriete mens. Hij kon Marjan klein krijgen met één blik, vond ik. Tegelijkertijd was hij ook degene die haar medicijnen ophaalde toen ze een hernia had en die iedere zondag haar moeder meenam voor koffie. Mensen zijn zelden alleen maar slecht of goed, dat weet ik heus wel. Maar toen Marjan vorig voorjaar vertelde dat hij al maanden iets had met een vrouw van zijn tennisclub, zag ik haar letterlijk kleiner worden aan onze eettafel.

Eerst kwam ze nog wel. Ze dronk dan te snel, zei dat ze er „doorheen moest”, en lachte soms veel te hard om iets wat Kees vertelde. Daarna kwamen de stiltes. Geen gewone, gezellige stilte waarin je even een toastje pakt. Ze zat dan met haar handen om haar glas en keek naar de regen op het raam. Als ik vroeg hoe haar week was geweest, haalde ze haar schouders op.

„Ik ben dinsdag niet uit bed gekomen,” zei ze een keer.

Kees knikte toen en vroeg of ze contact had met de huisarts. Dat had ze. Ze stond op een wachtlijst voor een psycholoog, zei ze. Daarna viel het weer stil. Kees begon over de nieuwe beschoeiing bij de haven, iets waar Marjan vroeger best een mening over zou hebben gehad. Nu niet.

Ik merkte dat ik tijdens die middagen steeds harder mijn best deed. Ik bakte dingen. Ik zette muziek op die we vroeger draaiden. Ik vroeg of ze mee wilde naar de markt, of naar het filmhuis. Soms zei ze ja en dan zegde ze een uur van tevoren af. Een keer kwam ze wel mee naar de markt, maar na tien minuten stond ze ineens bij de fietsenstalling en zei ze dat de mensen haar te veel waren.

Kees heeft lang niets gezegd. Misschien te lang, want toen hij het uiteindelijk deed, kwam het er bot uit.

Het was een donderdagavond. We hadden net gegeten, stamppot boerenkool, en ik stond de pan af te spoelen. Hij zei: „Els, ik wil morgen eigenlijk niet dat Marjan komt.”

Ik draaide me om. „Waarom niet?”

„Omdat ik er tegenop zie.”

Dat vond ik op zichzelf al hard om te horen. Kees is niet ongevoelig. Hij heeft jaren in het onderwijs gewerkt, kon met de lastigste ouders rustig blijven. Maar sinds hij met pensioen is, bewaakt hij zijn tijd bijna krampachtig. Hij zegt dat hij te lang alles heeft laten bepalen door roosters, vergaderingen en andermans problemen.

„Ze hoeft toch niet gezellig te doen?” zei ik. „Ze hoeft alleen maar hier te zijn.”

„Maar ze is hier niet echt, Els. En daarna ben jij de hele avond van streek en ik ook. Iedere vrijdag draait om de vraag of ze komt, wat ze zegt, of ze weer iets vreselijks heeft gedaan of juist helemaal niets.”

Ik zei dat hij overdreef. Dat was niet eerlijk, denk ik nu. Want ik wist precies wat hij bedoelde.

Twee weken eerder had Marjan op de wc gezeten en had ik haar zachtjes horen huilen. Niet hard, niet dramatisch. Juist dat ingehouden snikken waar je niet goed van weet of je moet aankloppen. Kees zat aan tafel met zijn bril af, wreef over zijn ogen en zei: „Dit kunnen wij niet oplossen.”

Maar wat doe je dan wel? Iemand die al zo weinig buiten komt, ook nog vertellen dat de vaste vrijdagmiddag voortaan alleen op uitnodiging is?

Kees stelde voor om het anders te doen. Eens in de drie weken, bijvoorbeeld. Of soms alleen ik met Marjan lunchen. „Dan is het niet meteen voorbij,” zei hij. „Maar we hoeven niet te doen alsof dit nog onze leuke borrel is.”

Daar werd ik boos om. Misschien omdat hij gelijk had met dat laatste.

„Dus als iemand niet meer leuk is, hoeft die er niet meer bij?” vroeg ik.

Hij keek me aan alsof ik hem bewust verkeerd wilde begrijpen. „Dat zeg ik niet. Ik wil alleen niet dat wij haar enige reddingsboei worden.”

„Dat zijn we misschien al.”

„Precies. En dat is te veel.”

We hebben die avond nauwelijks gesproken. Hij keek een natuurprogramma, ik deed alsof ik een puzzel maakte op mijn telefoon. Om half elf stuurde Marjan een bericht. Ik zag haar naam oplichten en voelde meteen iets in mijn buik zakken.

*Ik weet dat ik de laatste tijd geen leuke vriendin ben. Maar die vrijdag bij jullie is soms het enige waar ik de hele week naartoe leef. Als ik weet dat ik ergens verwacht word, douche ik tenminste en trek ik kleren aan. Sorry dat ik dat zo zeg. Ik wil geen last zijn.*

Ik heb het bericht aan Kees laten lezen. Hij zei eerst niets. Hij pakte zijn leesbril, zette hem op, las het nog een keer en legde mijn telefoon op tafel.

„Dit bedoel ik dus,” zei hij zacht.

Ik ontplofte bijna. Niet omdat hij schreeuwde of haar belachelijk maakte. Juist omdat hij er zo moe van klonk. Ik zei dat hij geen idee had hoe het is om zo diep te zitten. Hij zei dat ik geen idee had hoe het is om iedere week bang te zijn dat je één verkeerd woord zegt tegen iemand die al op omvallen staat.

Daar zat ook iets in. Kees is de laatste maanden stiller geworden. Hij slaapt slecht. Zijn broer is vorig jaar overleden en hij doet alsof dat hem minder raakt dan het doet. Misschien heeft hij geen ruimte over, misschien wil hij die ruimte niet afstaan. Ik weet niet wat erger is.

Vrijdag heb ik Marjan gebeld en gezegd dat ze gewoon moest komen. Kees zei niets toen ik dat deed. Hij haalde alleen de wijn uit de koelkast en vroeg of ik ook alcoholvrij bier voor hem wilde meenemen bij de supermarkt, omdat hij die middag liever niet wilde drinken.

Marjan kwam een halfuur te laat. Ze had haar haar gewassen, dat zag ik meteen. Ze droeg een nette blouse die ik nog kende van vroeger. Bij binnenkomst zei ze: „Ik ben er hoor,” op een manier die me bijna brak.

De middag was niet goed en niet slecht. Kees was beleefd, misschien té beleefd. Marjan vertelde dat haar huisarts haar had aangemeld voor een groep bij de GGZ, maar dat ze daartegen opzag. Ik zei dat ik haar desnoods de eerste keer breng. Kees zei: „Dat lijkt me verstandig.” Hij bedoelde het waarschijnlijk goed, maar Marjan keek naar haar glas.

Toen ze weg was, stond haar halfvolle schaaltje nootjes nog op tafel. Kees ruimde af zonder iets te zeggen.

We hebben nog geen besluit genomen. Volgende vrijdag staat nog steeds in mijn agenda. Maar ik heb Marjan vanochtend wel geappt dat ik niet wil dat ze alleen op ons leunt en dat we samen moeten kijken wie er nog meer dichtbij haar kan staan. Ik heb drie keer aan dat bericht zitten sleutelen, omdat het zo snel klinkt alsof je iemand wegduwt.

Ze heeft alleen teruggestuurd: *Ja, snap ik. Sorry.*

Dat woordje staat er nu al uren. Ik weet niet of ik haar moet bellen, of haar juist even met rust moet laten. Kees is in de schuur bezig met een kapotte tuinstoel. Ik hoor hem rommelen met gereedschap. Over een uur moet ik de boodschappen doen. En vrijdag komt sneller dan je denkt.