Na dertig vakanties samen vertrokken Henk en Marja toch naar Drenthe, en ik weet nog steeds niet of ik ze had moeten tegenhouden
De reservering voor volgend jaar stond nog in mijn agenda toen Marja me belde om te zeggen dat ze hun huis hadden verkocht.
Niet onder voorbehoud, niet ‘we zijn eens aan het kijken’. Verkocht. Hun hoekwoning in Amersfoort, waar we dertig jaar lang op tweede kerstdag zaten, waar de kinderen vroeger in de tuin voetbalden en waar Henk altijd te lang bij de barbecue bleef staan, ook als het regende.
Ze gaan naar een kleinschalig wooncomplex in de buurt van Assen. Er zijn twaalf appartementen, een gezamenlijke huiskamer die je wel of niet gebruikt, en op afroep thuiszorg. Geen verpleeghuis, zei Marja er meteen bij. Dat woord wilde ze blijkbaar vóór zijn.
‘We kunnen daar oud worden zonder dat een van ons de ander helemaal hoeft te dragen,’ zei ze.
Ik zei dat ik het begreep. Dat was niet helemaal waar.
Mijn man Kees en ik kennen Henk en Marja sinds 1994. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk waar iedereen nog deed alsof hij geen gordijnen nodig had. Kees en Henk werkten bij dezelfde verzekeraar. Marja en ik raakten aan de praat bij de basisschool, met natte jassen over onze armen en kinderen die naar gym moesten.
Daarna ging het vanzelf. Eerst etentjes, later verjaardagen en familieweekenden. Sinds onze vijftigste doen we elk jaar een wat luxere vakantie samen. Niet kamperen, daar waren we toen al klaar mee. Een huisje in de Provence, een appartement aan het Gardameer, vorig jaar nog een mooi hotel op Tenerife. We sparen ervoor, we mopperen over de prijs van een glas wijn en vervolgens bestellen we er toch nog een.
Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht altijd dat wij vier een soort vaste vorm hadden. Niet dat we alles samen deden. Juist niet. Maar we wisten waar we elkaar konden vinden.
Henk is 68 en heeft Parkinson. Nog niet heel ernstig, zou hij zelf zeggen. Hij loopt wat stijver en hij raakt sneller moe. Marja is 66 en heeft artrose in haar handen en heupen. Ze redt zich prima, behalve op dagen dat ze doet alsof ze zich prima redt en daarna twee dagen op de bank ligt.
Hun besluit kwam niet uit het niets. Vorige winter was Henk ’s nachts gevallen op weg naar de wc. Marja kreeg hem niet overeind. Uiteindelijk heeft ze de huisartsenpost gebeld, doodsbang en beschaamd tegelijk. Hij had niets gebroken, maar het was voor hen allebei blijkbaar een grens geweest.
Toch vond ik Assen absurd ver. Niet letterlijk aan de andere kant van de wereld natuurlijk, maar ver genoeg om niet even langs te fietsen. Ver genoeg om niet zomaar een pannetje soep voor de deur te zetten of Henk mee te nemen naar de neuroloog als Marja zelf niet kon.
Kees was nog stelliger dan ik.
‘Ze trekken zich terug voordat het nodig is,’ zei hij. ‘En ze verkopen hun hele leven erbij.’
We zijn bij hen gaan zitten met een voorstel waarvan ik nu zie dat het vooral óns gerust moest stellen. We hadden gekeken naar een paar hofjes en een nieuw woonproject voor senioren in de regio Utrecht. Niet meteen om samen in één gebouw te gaan wonen, zei ik, want dat klonk zelfs in mijn eigen oren benauwend. Maar in elk geval dichter bij elkaar. Misschien konden we op termijn iets zoeken met een gezamenlijke tuin, ieder een eigen woning. En zolang ze nog in Amersfoort bleven, konden Kees en ik vaste dagen helpen.
Marja keek naar haar thee. Henk keek naar buiten.
‘Dat is lief,’ zei zij uiteindelijk. ‘Maar we willen niet dat jullie rooster onze oplossing wordt.’
Ik werd daar boos van, terwijl ik wist dat het onredelijk was. Ik hoorde alleen maar dat onze hulp niet goed genoeg was.
‘Het gaat niet om een rooster,’ zei ik. ‘Het gaat erom dat jullie niet alles hoeven op te geven omdat jullie bang zijn voor wat er misschien komt.’
Toen keek Henk me wel aan.
‘Nee, Els,’ zei hij. ‘We doen dit juist omdat we niet willen wachten tot er geen keuze meer is.’
Onze vakantie naar Mallorca was drie weken later. We hadden al betaald, alles was geregeld. Normaal begint zo’n week met gedoe over wie welke kamer heeft en eindigt hij met de vraag of we volgend jaar misschien eens naar Portugal gaan. Deze keer hing de verhuizing vanaf de eerste avond tussen ons in.
Bij het ontbijt zocht Marja op haar telefoon naar foto’s van het complex. Kees vroeg of er wel een ziekenhuis in de buurt was. Henk zei dat het Wilhelmina Ziekenhuis Assen op tien minuten rijden lag. Ik vroeg of ze daar eigenlijk al mensen kenden.
‘Nee,’ zei Marja. ‘Dat is ook niet verboden.’
Dat kwam harder binnen dan het waarschijnlijk bedoeld was.
De derde avond, na een etentje in Palma, liep het echt vast. Henk had twee glazen wijn op en Kees misschien drie. We zaten op het balkon. Beneden klonk muziek van een bar en er waaiden servetten over het terras van het restaurant ernaast.
Kees zei dat hij het onverantwoord vond om op hun leeftijd een vertrouwde omgeving in te ruilen voor een plek waar ze niemand hadden.
Marja zei: ‘Onze vertrouwde omgeving is een huis met drie slaapkamers, een trap en een tuin die ons allebei pijn doet.’
Ik zei dat ze familie en vrienden kwijtraakten.
‘Wij raken jullie niet kwijt,’ zei Henk. ‘Tenzij jullie besluiten dat afstand belangrijker is dan vriendschap.’
Daar had ik niets goeds op terug. Ik zei iets over dat wij ons zorgen mochten maken. Dat was waar, maar ik gebruikte het als schild.
Marja begon te huilen. Niet heel zichtbaar, geen grote scène. Ze veegde gewoon steeds onder haar bril langs en zei dat ze al maanden het gevoel had dat iedereen over haar en Henk sprak alsof ze er niet bij waren.
‘Iedereen wil ons helpen,’ zei ze. ‘Maar niemand vraagt hoe het is om elke ochtend wakker te worden en te denken: als hij vannacht valt, kan ik hem dan nog optillen?’
De rest van de vakantie deden we beleefd. Te beleefd. We gingen nog naar de markt, we speelden kaart, we lachten zelfs om Henk die een veel te dure leren riem had gekocht. Maar er zat iets kapots in de week. Of misschien was het niet kapot, misschien zag ik het nu pas.
Thuis heb ik Marja een bericht gestuurd. Geen lange uitleg. Alleen dat het me speet dat ik haar het gevoel had gegeven dat zij zich moest verantwoorden voor haar eigen leven.
Ze antwoordde de volgende ochtend: ‘Dank je. Ik weet dat het uit liefde komt. Maar liefde kan soms erg veel ruimte innemen.’
Over twee maanden krijgen ze de sleutel. Kees is nog steeds gekwetst en doet alsof hij vooral boos is. Ik ook, als ik eerlijk ben. Ik vind hun keuze nog altijd eng. Ik denk nog steeds dat ze zich kunnen vergissen.
Maar vorige week vroeg Marja of ik in september een weekend naar Assen wil komen, om mee te kijken naar gordijnen en misschien ergens te lunchen. Ik heb meteen ja gezegd.
De vakantie voor volgend jaar heb ik niet verwijderd. Alleen de bestemming staat nog open.