Na veertig jaar vriendschap zei mijn beste vriend dat we geen echte vrienden waren omdat we niet nóg meer zorg konden overnemen

Ik heb de laatste tijd een hekel gekregen aan het geluid van mijn telefoon. Dat vind ik afschuwelijk om toe te geven, want meestal is het Marja die belt. En als Marja belt, is er bijna altijd iets met Henk.

Henk en Marja kennen Els en mij al ruim veertig jaar. We woonden vroeger twee straten van elkaar in Amersfoort, allebei in een huurhuis met dunne muren en kinderen die ongeveer tegelijk kwamen. We gingen kamperen in Frankrijk met een veel te kleine vouwwagen, vier volwassenen die deden alsof die regen er gewoon bij hoorde. Henk hielp mij mijn eerste keuken zetten. Ik heb hem op een zondagavond naar de huisartsenpost gereden toen hij een niersteen had. Marja en Els hebben jarenlang elkaars kinderen opgevangen als er weer eens eentje ziek was en wij allebei moesten werken.

Het was nooit rekenen. Als iemand hulp nodig had, dan deed je dat. Zo simpel voelde het toen.

Henk is nu 68. Hij heeft Parkinson, al een paar jaar, maar het afgelopen jaar gaat het hard. Hij loopt kleine stukjes met een rollator, op slechte dagen nauwelijks van de stoel naar de wc. Daarbij is hij vergeetachtig geworden. Niet alleen waar zijn bril ligt, maar ook afspraken, pillen, soms midden in een verhaal de draad kwijt. De neuroloog zegt niet veel concreets, behalve dat ze blijven kijken en bijstellen. Marja is 66 en heeft zelf last van haar knieën. Toch doet zij bijna alles.

In het begin brachten Els en ik af en toe een pan soep, of we namen Henk mee voor een rondje met de auto. Dat was prettig. Henk fleurde op als hij even ergens anders was dan in die woonkamer waar de televisie de hele dag aanstaat. Marja kon dan douchen zonder steeds te luisteren of hij niet viel.

Maar het schoof langzaam op.

Eerst vroeg Marja of ik Henk naar de fysiotherapie kon rijden, omdat haar auto naar de garage moest. Geen punt. De week erna kon ze niet mee naar de neuroloog omdat ze een afspraak bij de tandarts had. Ook geen punt. Daarna belde ze op dinsdagochtend of Els misschien de badkamer kon doen, want Henk had ’s nachts diarree gehad en Marja was kapot.

Els is toen gegaan. Natuurlijk ging ze. Ze kwam pas aan het eind van de middag terug en zei alleen: “Het is daar echt niet meer te doen, Kees.” Ze rook naar schoonmaakmiddel. Ze had ook de was aangezet, de vloer gedweild en boodschappen gehaald.

Sindsdien hebben we eigenlijk een rooster, al heeft niemand dat zo genoemd. Maandag doe ik meestal boodschappen voor hen. Dinsdag gaat Els schoonmaken. Donderdag rijd ik als er een afspraak is, soms ook naar het ziekenhuis in Utrecht. Op vrijdag gaan we vaak samen langs, omdat Marja dan probeert te slapen terwijl ik bij Henk zit en Els kookt.

We zijn allebei gepensioneerd. Mensen zeggen dan snel: jullie hebben toch tijd genoeg? Maar tijd genoeg is niet hetzelfde als nergens meer van hoeven bijkomen. Els heeft na haar borstkankerbehandeling haar energie nooit helemaal teruggekregen. Ik heb last van mijn heup, niets dramatisch, maar na een middag Henk in en uit de auto helpen voel ik het twee dagen.

En we hadden nog plannen. Geen wereldreis of zo. Gewoon een paar dagen naar Texel buiten de schoolvakanties. Eindelijk die schuur uitmesten. Op woensdag met de kleinkinderen naar het zwembad. Soms een dag helemaal niets, zonder dat daar schuldgevoel bij kwam kijken.

Die woensdagmiddagen zijn als eerste verdwenen. Daarna de weekendjes weg. We zeiden een keer een huisje in Drenthe af omdat Marja belde dat Henk bijna niet meer uit bed kwam en zij bang was hem alleen te laten. Ze huilde zo hard dat ik niet eens wist wat ik moest zeggen. Ik zei alleen dat we zouden komen.

Achteraf gezien was dat misschien het moment waarop we iets hadden moeten regelen. Niet omdat we hen wilden laten vallen, maar juist omdat het zo niet door kon. De huisarts had het over wijkverpleging gehad, zei Marja. En iemand van het wijkteam zou met haar kijken naar ondersteuning via de Wmo. Maar volgens Marja ging dat allemaal langzaam en kwamen er steeds andere mensen over de vloer. “Die weten niet eens hoe Henk zijn koffie drinkt,” zei ze.

Dat snap ik ook wel. Henk drinkt slappe koffie met veel melk. Hij wordt onrustig van onbekenden. Maar wij zijn ook geen zorgverleners. Ik weet niet wat ik moet doen als hij zo stijf is dat hij niet uit zijn stoel komt. Marja roept dan: “Even onder zijn oksel pakken, Kees,” en ik doe het, maar ik ben bang dat ik hem verkeerd vasthoud.

Vorige maand zat Els op zaterdagochtend aan de keukentafel met haar jas nog aan. We zouden naar onze dochter in Zwolle. Onze kleinzoon had een voetbalwedstrijd, de eerste waar hij zelf echt om gaf. Marja belde. Henk was gevallen in de slaapkamer. Niet hard, zei ze, maar hij kwam niet overeind en zij kreeg hem niet getild.

Els keek naar mij. Ik zag aan haar gezicht dat ze hoopte dat ik iets anders zou zeggen dan: ik ga wel even.

Maar ik ging. Natuurlijk.

Henk had geen zichtbare wond. Hij lag op de grond met één arm onder zich en zei steeds dat het wel meeviel. Marja liep in haar badjas heen en weer, helemaal bleek. We hebben uiteindelijk de huisartsenpost gebeld en die stuurde een ambulance omdat hij niet kon staan. Het bleek gelukkig niets gebroken. Tegen de tijd dat ik thuis was, was de wedstrijd voorbij.

Els zei die avond niet veel. Ze zette twee glazen wijn neer en keek op haar telefoon naar een foto die onze dochter had gestuurd. Onze kleinzoon, modder op zijn knieën, brede lach. Toen zei ze: “Ik wil niet dat ik straks boos word op Marja. Want dat word ik nu een beetje.”

Daar schrok ik van, omdat ik precies hetzelfde voelde.

We hebben die maandag Marja uitgenodigd. Zonder Henk, want hij was te moe. Els had koffie gezet en ik had zelfs vlaai gehaald, alsof we slecht nieuws gingen brengen en dat met slagroom konden verzachten.

Ik vertelde dat we wilden blijven helpen, maar dat we niet meer iedere week vaste huishoudelijke taken konden doen en niet standaard beschikbaar konden zijn voor afspraken. Dat we samen met haar konden bellen met het wijkteam, en dat ik best mee wilde naar een eerste gesprek. Maar niet alles kon op ons blijven leunen.

Marja keek eerst naar haar handen. Ze zei niets. Ik dacht nog: misschien begrijpt ze het.

Toen begon ze te huilen. Niet hard, eerder boos huilen.

“Dus als het echt moeilijk wordt, trekken jullie je terug.”

“Dat zeg ik niet,” zei Els meteen.

“Maar zo voelt het wel. Henk zou voor jou ook alles doen, Kees.”

Dat kwam aan. Henk zou dat inderdaad hebben gedaan. Of hij had in elk geval gezegd dat hij het zou doen en vervolgens met een thermoskan koffie en een te zware gereedschapskist voor de deur gestaan.

Ik zei dat ik wist dat zij overbelast was. Dat we juist daarom professionele hulp moesten regelen. Marja keek me aan alsof ik over een folder van de gemeente begon terwijl haar huis in brand stond.

“Echte vrienden laten elkaar niet zitten,” zei ze.

Ik weet nog dat ik rood werd. Ik zei iets naars terug, iets als: “Echte vrienden maken elkaar ook niet tot personeel.” Meteen daarna had ik er spijt van. Marja stond op, trok haar jas aan en zei dat ze wel zou zien hoe ze het moest doen.

Nu zijn we drie weken verder. Ik ben nog twee keer bij Henk geweest. Els heeft soep gebracht, maar niet schoongemaakt. Marja neemt soms niet op als wij bellen. Gisteren stuurde ze een appje dat er iemand van de wijkverpleging was geweest en dat Henk daar kwaad van was geworden. Daarna schreef ze: “Laat maar, ik red het wel.”

Dat geloof ik niet. En misschien is dat het ergste: dat ik weet dat ze het niet redt, maar ook voel dat wij niet de oplossing kunnen zijn.

Vanmiddag ga ik toch even langs. Niet om de badkamer te doen of een hele dag over te nemen. Ik heb een brood van de bakker gehaald en ik wil met Henk een potje kaarten, als hij daar zin in heeft. Ik weet niet of Marja de deur open zal doen. Maar ik wil ook niet dat veertig jaar vriendschap eindigt in gemiste telefoontjes en zinnen waar we allebei koppig aan blijven hangen.