Mijn man noemt mij een verrader omdat ik onze vriendengroep wilde redden
‘Dus jij hebt iedereen gebeld?’ vroeg Henk. Hij stond in de keuken met zijn jas nog aan, één hand plat op het aanrecht. ‘Achter mijn rug om?’
Ik had net de vaatwasser ingeruimd. Een bord gleed uit mijn handen en tikte hard tegen het rekje. Niet kapot, helaas bijna. Ik keek hem aan en zei: ‘Ik heb voorgesteld om de etentjes kleiner te maken. Dat is iets anders dan iemand wegsturen.’
‘Voor jou misschien.’ Zijn gezicht werd rood. ‘Voor Kees voelt het precies hetzelfde.’
Kees is al veertig jaar onze vriend. Hij en Henk voetbalden samen bij de zaterdagamateurs in Zwolle. Ik leerde Ria, zijn vrouw, kennen bij een barbecue waar het vlees zwart was en iedereen deed alsof dat erbij hoorde. We kregen kinderen, verloren ouders, vierden jubilea en gingen elk jaar een weekend naar de Veluwe. De eerste zaterdag van de maand was van ons. Eten, kaarten, wandelen of gewoon veel te lang aan tafel zitten.
We waren met acht. Of eigenlijk waren we altijd met acht geweest.
Sinds ruim een jaar is Kees niet meer dezelfde. Eerst waren het kleine dingen. Hij vertelde dezelfde mop drie keer. Hij vergat dat Anja haar heup had gebroken en vroeg waarom ze zo moeilijk liep. We lachten het weg, want wat doe je anders?
Maar het werd sneller erger dan we wilden zien.
Tijdens een etentje bij Willem en Marijke pakte Kees ineens Marijkes hand vast. Hij keek haar aan alsof hij haar niet kende.
‘Waarom kijk jij zo naar mij?’ vroeg hij.
Marijke trok haar hand rustig terug. ‘Omdat we aan tafel zitten, Kees.’
‘Je zit te liegen,’ zei hij. Hard ook. ‘Jij wilt dat Ria mij dom vindt.’
Er viel zo’n stilte waarin je het tikken van de klok hoort. Ria begon te huilen in de gang. Kees zelf wist vijf minuten later niet meer wat er gebeurd was. Hij wilde een ronde drankjes bestellen, thuis aan de eettafel.
De huisarts had het over een beginnende vorm van dementie. Onderzoek, wachttijden, gesprekken met een casemanager. Ria liep erbij alsof ze elke nacht een stuk kleiner werd. En Henk? Die zette zijn schouders eronder, zoals hij altijd doet.
‘Juist nu hebben ze ons nodig,’ zei hij tegen mij. ‘Je laat iemand niet vallen omdat het ongemakkelijk wordt.’
Daar had hij gelijk in. Daar ging het me ook helemaal niet om.
Alleen: Anja meldde zich steeds vaker af. Willem ging na een uur al naar huis. Marijke keek bij elk geluid op alsof Kees elk moment weer kon ontploffen. En Ria kwam bijna niet meer aan praten toe, omdat ze Kees voortdurend in de gaten hield.
Bij ons thuis maakte Kees het het ergst. Hij beschuldigde Willem ervan geld uit zijn portemonnee te hebben gepakt. Er bleek geen geld weg te zijn. Daarna riep hij tegen Anja dat ze ‘zich niet zo aanstelde’ toen ze schrok van zijn stem. Henk nam hem apart, sprak rustig op hem in. Maar Kees duwde zijn stoel naar achteren en zei: ‘Jij denkt ook dat ik gek ben.’
Die avond ging iedereen om half negen weg. Normaal zetten we rond middernacht pas koffie.
Ik lag wakker naast Henk. Hij sliep meteen, of deed alsof. Ik dacht aan Ria. Maar ik dacht ook aan Marijke, die me in de hal had gefluisterd: ‘Els, ik trek dit niet elke maand. Ik schaam me dat ik het zeg.’
Dus belde ik de anderen. Niet om Kees eruit te werken. Ik stelde voor dat we de vaste avonden zouden opsplitsen. Soms met z’n allen, korter en overdag, op een rustige plek. En daarnaast af en toe een kleiner diner zonder Kees en Ria, zodat de groep niet alleen nog om zorg en spanning draaide. Ook wilde ik met twee mensen per keer bij Ria en Kees langsgaan.
Iedereen zei dat het verstandig klonk. Iedereen, behalve Henk. Die hoorde het via Willem.
‘Je hebt besloten dat Kees een probleem is dat we moeten managen,’ beet hij me toe.
‘Nee,’ zei ik. Mijn keel brandde. ‘Ik heb gezien dat we elkaar kwijtraken. Inclusief Ria.’
Hij zweeg lang. Toen zei hij zachter: ‘Als ik ooit zo word, wil ik niet dat jij me in een apart hoekje zet.’
Dat kwam binnen. Natuurlijk kwam dat binnen.
Ik pakte zijn hand, maar hij trok hem niet terug en kneep ook niet. Hij liet hem gewoon liggen tussen ons in.
‘Als jij ooit zo wordt,’ zei ik, ‘dan wil ik dat mensen bij je blijven. Maar ik wil ook dat ze eerlijk mogen zijn over wat het met hen doet. Liefde is toch niet doen alsof alles nog hetzelfde is?’
Morgen praten we met Ria. Niet over uitsluiten, maar over wat nog wél kan. Toch ben ik bang dat er iets is gebroken wat we niet meer kunnen terugdraaien.
Wanneer wordt trouw blijven aan iemand eigenlijk het opofferen van iedereen eromheen? En heb ik onze vriend beschermd, of hem juist in de steek gelaten?