Na 32 jaar wilde ik stoppen met onze maandelijkse etentjes, maar voor mijn vrouw voelde het alsof ik haar vrienden afpakte
Ik wist dat ik er klaar mee was toen ik op een dinsdagochtend, half negen, met mijn laptop aan de keukentafel zat om voor twaalf mensen een restaurant te zoeken waar iemand met een rollator makkelijk naar binnen kon, waar Henk geen last zou hebben van harde muziek en waar Marja glutenvrij kon eten zonder daar vervolgens drie kwartier over te moeten uitleggen.
Het was nog geen eens mijn beurt, officieel. Zo hadden we dat nooit gedaan. Sinds 1992 kwamen we elke maand met dezelfde club bij elkaar: ik en Els, Henk en Marja, Theo en Karin, en vroeger ook Joop en Anneke. Na het overlijden van Joop bleef Anneke gewoon komen. Dat was vanzelfsprekend. Eerst deden we het bij elkaar thuis, met grote pannen chili of nasi en iedereen op klapstoelen in de woonkamer. Later, toen de kinderen uit huis waren en we iets meer geld hadden, werd het vaker een eetcafé of een restaurantje.
Ik was degene die de datumprikker stuurde, die reserveerde, die in de groepsapp herinnerde dat we om half zeven begonnen en niet om zeven uur. Ik deed dat graag, denk ik. Of misschien was ik er gewoon goed in en heeft iedereen dat toen gemakshalve aan mij overgelaten.
Toen ik nog bij de gemeente werkte, was zo’n avond anders. Dan was ik blij dat de week voorbij was. Een beetje gedoe over een tafel was niets vergeleken met deadlines, bezwaarbrieven en overleggen waar niks uit kwam. Nu ik twee jaar met pensioen ben, voelt het precies omgekeerd. Mijn dagen hebben eindelijk ruimte. Ik fiets soms zomaar naar de Reeuwijkse Plassen, neem een thermos koffie mee en blijf langer weg dan gepland. Ik rommel in mijn schuurtje met oude radio’s. Els en ik drinken op woensdagmiddag soms koffie in de stad, zonder dat we ergens op tijd hoeven te zijn.
Maar rond de twintigste van iedere maand begon dat bekende trekken in mijn maag weer. Wie kan wanneer. Waar eten we. Wie rijdt Anneke. Is de rekening weer ingewikkeld. En daarna altijd berichten: leuke avond, volgende keer bij jou weer Piet? Alsof ik een kleine horecazaak dreef waar niemand loon kreeg.
Ik heb het niet handig aangepakt. Dat zie ik zelf ook wel.
Els stond aardappels te schillen toen ik zei dat ik wilde stoppen met die maandelijkse etentjes. Niet helemaal met de mensen, zei ik nog. Gewoon niet meer zo vast. Eens per kwartaal misschien. Of een keer spontaan koffie, een wandeling. Minder geregel.
Ze bleef doorschillen. Dat vond ik toen al vervelend. Els is niet iemand die snel ontploft. Als zij stil wordt, weet ik dat ze iets inslikt.
“Dus jij wilt stoppen,” zei ze uiteindelijk.
“Ik wil niet meer iedere maand verantwoordelijk zijn.”
“Dat ben je niet. We zijn met z’n allen.”
Daar had ze natuurlijk een punt, maar ook weer niet. Zij regelde soms een toetje of kocht een cadeautje als iemand jarig was. Karin nam vaak bloemen mee voor Anneke. Maar als er geen datum of reservering kwam, gebeurde er niets.
Els legde het mes neer en keek me aan. “Voor jou is het een taak. Voor mij is het de enige plek waar ik niet hoef uit te leggen hoe het met me gaat.”
Dat kwam harder binnen dan ik verwachtte. Els heeft een paar jaar geleden gedoe gehad met haar zus, na de afwikkeling van hun moeders huis. Ze spreken elkaar nog wel met verjaardagen, maar dat is het. Onze dochter woont in Groningen en heeft een druk gezin. Onze zoon zit voor zijn werk veel in België. Els heeft kennissen van yoga en van de bibliotheek waar ze vrijwilliger is, maar deze groep kent haar al sinds ze 35 was. Zij weten nog hoe zenuwachtig ze was toen ze een baan in het onderwijs aannam. Ze weten hoe ze na de geboorte van onze zoon dagenlang huilde omdat borstvoeding niet lukte. Dat soort mensen.
Ik zei: “Maar ik pak toch niks van je af?”
En meteen daarna wist ik dat het een domme zin was.
De weken erna deden we alsof het onderwerp weg was. In de groepsapp vroeg Henk wie de datum voor april zou sturen. Ik keek ernaar en legde mijn telefoon omgekeerd op tafel. Na twee dagen stuurde ik: ‘Ik merk dat ik na mijn pensioen minder behoefte heb aan vaste verplichtingen. Daarom organiseer ik de maandelijkse etentjes voorlopig niet meer. Misschien kunnen we kijken naar iets minder vaak en meer verdelen.’
Ik heb dat bericht zeker tien keer aangepast. Toch stond het er uiteindelijk veel kouder dan ik het bedoelde.
Henk belde dezelfde avond. Hij zei dat hij het begreep. Hij was zelf ook moe van alle afspraken sinds hij op zijn kleinkinderen paste op donderdag en vrijdag. Theo reageerde met een duimpje, wat bij hem meestal betekent dat hij geen zin heeft in emotionele gesprekken.
Karin schreef een lange app. Dat ze het jammer vond, maar dat ze best een beurt wilden doen.
Alleen Anneke zei niets.
Pas drie dagen later kreeg Els een bericht van haar. Els las het op de bank en begon te huilen zonder geluid te maken. Ik vroeg wat er was, maar ze schudde eerst haar hoofd. Toen gaf ze mij haar telefoon.
Anneke had geschreven dat ze niet wilde zeuren, maar dat die etentjes soms het enige waren waarvoor ze zich echt aankleedde. Dat ze niet wist of ze nog zou worden meegenomen als alles losser werd. “Joop zou zeggen dat Piet ook wel eens rust mag,” stond er. “Maar Joop had makkelijk praten. Die is er niet meer.”
Ik ben boos geworden. Niet op Anneke, eigenlijk. Op het feit dat ik me ineens verantwoordelijk voelde voor haar eenzaamheid. Alsof ik door een restaurant niet te bellen iemand uit haar leven duwde.
Ik zei tegen Els dat dit precies was wat ik bedoelde: dat het een verplichting was geworden waar niemand eerlijk over sprak.
Els zei: “Misschien omdat jij altijd zei dat je het leuk vond.”
Dat had ik ook gezegd. Jarenlang. En vaak was het ook waar geweest.
Uiteindelijk heeft Karin voor april gereserveerd, bij een Italiaan in Gouda waar we vroeger ook kwamen. Els is gegaan. Ik niet. Ik had gezegd dat ik een avond alleen wilde zijn, maar om kwart voor zeven stond ik toch in de keuken een omelet te bakken en luisterde ik veel te hard naar de radio.
Rond tien uur kwam Els thuis. Ze hing haar jas op, zette haar tas neer en vroeg of ik nog wakker was. Ik zei ja, alsof dat niet duidelijk was.
“Hoe was het?” vroeg ik.
“Rommeliger,” zei ze. “Maar ook wel gezellig.”
Ze vertelde dat Henk had geprobeerd de rekening uit te splitsen en er twintig minuten rekenwerk was geweest. Theo had veel te veel wijn besteld. Anneke had voor het eerst in tijden echt gelachen, volgens Els. Daarna zei Els dat ze in juni misschien zelf iets wilde doen, een lunch thuis met alleen de vrouwen.
Ik voelde opluchting, en daar schaamde ik me meteen voor. Niet omdat ik Els die middag misgunde. Maar omdat ik dacht: zie je wel, het kan zonder mij.
Tegelijkertijd staat de groepsapp nu voller dan ooit met halve plannen en misverstanden. Er is nog geen datum voor mei. Els kijkt daar steeds naar. Ik doe alsof ik het niet zie.
Vanmiddag vroeg ze of ik misschien toch één keer wil bellen voor een tafel, omdat niemand knopen doorhakt. Ik heb gezegd dat ik erover nadenk. Dat meen ik ook. Alleen wil ik niet meer terug naar hoe het was, alsof mijn pensioen betekent dat ik voortaan alle tijd van de wereld moet vullen voor andere mensen.
Maar ik wil ook niet dat Els naast me op de bank zit en zich afvraagt welke vrienden er overblijven als de vaste avond langzaam verdwijnt.