Na veertig jaar elke vrijdag samen, wilde ik ineens gewoon thuisblijven

Vorige vrijdag heb ik gedaan alsof ik hoofdpijn had.

Dat klinkt kinderachtig, ik weet het. Ik ben 63, geen zestien. Maar om half zeven stond Pieter al met zijn overhemd aan in de gang, sleutels in zijn hand, en ik kreeg het gewoon niet over mijn lippen om te zeggen: ik wil niet mee omdat ik er klaar mee ben. Niet met één avond. Met het hele idee dat we élke vrijdag ergens moeten zitten.

Dus zei ik dat mijn hoofd bonkte.

Pieter keek me aan alsof ik net had gezegd dat ik niet meer met hem getrouwd wilde zijn. Daarna zei hij: “Dan drinken we toch alleen een kop koffie en zijn we vroeg terug?”

Dat is precies wat hij niet begrijpt. Het gaat mij niet om hoe laat we thuiskomen. Het gaat om de hele aanloop. Bedenken wat ik aantrek, iets meenemen omdat we om de beurt hapjes doen, luisteren naar de verhalen die ik vaak al ken voordat ze verteld zijn. Wie ruzie heeft met een schoonzoon, wie weer een nieuwe knie krijgt, wat de kinderen verdienen, of de caravan dit jaar naar Frankrijk gaat of toch naar Italië.

Het zijn geen slechte mensen. Dat maakt het ook zo lastig.

We kennen elkaar vanaf de tijd dat we nog in een huurflat in Nieuwegein woonden. Pieter werkte toen bij de gemeente en ik in de thuiszorg, later ben ik planner geworden bij een verpleeghuis. Henk en Marja woonden twee portieken verderop. Via hen kwamen Rob en Ellen erbij, en Kees en Anita. Eerst waren het zaterdagavonden met bier, sigaretten op het balkon en baby’s die in reiswiegjes in de slaapkamer lagen. Later werden het verjaardagen, vakanties met z’n allen in Zeeland, de diploma’s van de kinderen, begrafenissen van ouders.

Toen mijn moeder overleed, stond Marja de volgende ochtend met een pan soep voor de deur. Toen Pieter een hartoperatie moest, bracht Henk hem naar controles toen ik zelf een griepje had. We hebben echt veel aan elkaar gehad.

Maar juist daarom voelt het alsof ik iets afpak als ik zeg dat ik niet meer iedere week wil.

Sinds ik in januari met pensioen ben, dacht iedereen dat ik eindelijk tijd zou hebben. En dat heb ik ook. Alleen bedoelen zij daarmee blijkbaar tijd voor nóg meer samen. Koffie na het wandelen. Een lunch op dinsdag. De vrijdagavond. Soms tussendoor appjes over een spontaan terrasje als de zon schijnt.

In het begin ging ik overal in mee. Ik was bang dat ik anders ondankbaar zou lijken. Mijn laatste jaren op het werk waren druk en rommelig geweest, met roosters die steeds krapper moesten en collega’s die uitvielen. Ik dacht: straks, als ik vrij ben, ga ik genieten.

Maar ik werd juist onrustig van alle afspraken.

Ik ben keramiek gaan doen op woensdagmorgen, in een lokaal achter de bibliotheek. Gewoon met vrouwen en twee mannen die ik nauwelijks ken. Niemand vraagt daar hoe het met Pieter is of of mijn dochter al weet waar ze deze zomer heen gaat. We praten over glazuur dat is gaan lopen en klei die te nat was. Soms zit ik anderhalf uur bijna stil een kommetje glad te strijken. Daarna ben ik moe, maar op een fijne manier.

Ook ben ik weer gaan zwemmen, vroeg in de ochtend. Pieter vindt dat prima. Hij zegt zelfs dat het goed voor me is. Maar zodra ik over de vrijdag begin, verandert er iets in hem.

Twee weken geleden zei ik dat ik voortaan misschien één keer per maand mee wilde, of als er echt iets te vieren was. Hij werd stil en ruimde de vaatwasser in terwijl die nog niet eens vol was.

Toen zei hij: “Dus ik moet daar dan alleen zitten en uitleggen waarom mijn vrouw geen zin meer heeft in haar eigen vrienden?”

Ik zei dat het ook zijn vrienden zijn en dat hij niets hoeft uit te leggen.

“Jawel,” zei hij. “Na veertig jaar merken mensen dat echt wel.”

Daar had hij natuurlijk gelijk in. De vrijdag erna stuurde Ellen me al rond acht uur: Alles goed bij jullie? Pieter is zo stil vanavond.

Ik heb teruggestuurd dat ik moe was en een avond thuis nodig had. Zij reageerde met een hartje en: Snap ik hoor. Maar een uur later kwam er nog een berichtje: We zijn er toch juist ook voor elkaar als het minder gaat?

Misschien bedoelde ze het lief. Toch heb ik daarna mijn telefoon op stil gezet en heb ik zitten huilen op de bank, met een dekentje over mijn benen, terwijl er niets concreets was gebeurd.

Pieter kwam die avond laat thuis. Hij had gedronken, niet stomdronken, maar wel net genoeg om harder te praten dan normaal. Hij zei dat Henk had gevraagd of er problemen waren tussen ons. Hij zei ook dat hij zich schaamde dat hij geen antwoord wist.

Dat woord bleef hangen: schaamde.

Ik werd boos. Ik zei dat ik niet verantwoordelijk ben voor zijn verhaal tegenover Henk. Dat ik niet iedere vrijdag een gezellige vrouw hoef te spelen zodat hij zich niet ongemakkelijk voelt. Dat ik veertig jaar lang bijna nooit heb afgezegd, ook niet toen ik nachtdiensten draaide en soms rechtop in slaap viel op de bank bij Rob en Ellen.

Maar ik zei ook iets lelijks. Ik zei: “Misschien heb jij die mensen harder nodig dan je eigen vrouw.”

Dat was niet eerlijk. Pieter heeft altijd naast me gestaan. Hij is geen man die me klein houdt of mijn hobby’s belachelijk maakt. Hij is alleen bang, denk ik. Onze kinderen wonen allebei niet om de hoek. Zijn broer is vorig jaar overleden. Hij ziet die vrijdagavond als iets wat niet kan verdwijnen, omdat er al genoeg verdwenen is.

De volgende ochtend hebben we nauwelijks gesproken. Hij ging boodschappen doen bij de Jumbo en kwam terug met croissantjes, alsof dat iets oploste. Ik vond dat ontroerend en irritant tegelijk.

Deze week heeft Marja voorgesteld om met z’n allen bij ons te eten, “zodat het weer eens als vanouds is”. Pieter had nog niet geantwoord toen ik het zag. Mijn eerste neiging was om te zeggen dat het niet kon. Daarna dacht ik aan Marja met die pan soep bij mijn voordeur, aan Henk in de wachtkamer van het ziekenhuis, aan al die jaren.

Ik heb uiteindelijk zelf in de groepsapp gezet dat Pieter welkom is om te gaan, maar dat ik die avond thuisblijf. Geen uitleg over hoofdpijn, geen smoes over een afspraak.

Er kwamen een paar losse duimpjes. Ellen stuurde: Jammer, maar we zien je wel weer.

Pieter heeft niets gezegd. Vanavond is het vrijdag. Hij zit beneden voetbal te kijken, hoewel hij normaal allang in de badkamer zou staan om zich klaar te maken. Ik zit boven en probeer een schaal af te maken die scheef is geworden in de oven.

Ik weet niet of hij straks alsnog gaat. Ik weet ook niet of ik over een maand weer mee wil, of juist helemaal niet. Maar ik wil niet nog eens liegen dat ik hoofdpijn heb terwijl ik eigenlijk alleen maar rust nodig heb.