Mijn man wilde onze vaste vriendenkring openbreken, maar ik verloor daardoor juist de plek waar ik mezelf nog kende

Ik heb de tuinstoelen vorige week al geteld, terwijl het feest pas over drie weken is.

Acht klapstoelen in de schuur, zes gewone stoelen van de eettafel die naar buiten kunnen, en die oude groene bank waar altijd iemand op zit die zegt dat hij geen last heeft van zijn rug. Ik stond daar met een notitieblokje in mijn hand en dacht ineens: dit is niet mijn feest. Dit wordt een invasie, en ik ben blijkbaar degene die de servetten moet regelen.

Mijn man Arie en ik zijn allebei 62. We wonen al bijna dertig jaar in hetzelfde rijtjeshuis in Amersfoort, in een straat waar de kinderen inmiddels zelf kinderen hebben. Onze twee zoons wonen niet meer in de buurt. De oudste zit in Zwolle, de jongste in Utrecht. We zien ze geregeld, maar niet zomaar op dinsdagavond. Onze vrienden zijn daardoor, denk ik, steeds belangrijker geworden.

Met die vrienden doen we al jaren ongeveer hetzelfde. Op woensdagavond eten we om beurten bij elkaar, niet altijd uitgebreid. Soms gewoon stamppot of pasta en dan een spelletje klaverjassen. In de zomer fietsen we een rondje langs de Eem en drinken we ergens koffie met appeltaart. Met oud en nieuw staan we standaard bij Henk en Marja in de keuken, omdat hun woonkamer te klein is voor iedereen en Marja ieder jaar zegt dat ze volgend jaar echt minder hapjes maakt.

Het klinkt misschien saai. Dat mag. Het is ook een beetje saai. Maar het is ónze saaiheid. Je hoeft niets uit te leggen. Als ik een keer stiller ben, vraagt niemand meteen wat er aan de hand is. Als Arie weer een politiek verhaal begint, rolt iedereen wat met zijn ogen en gaat iemand verder met het inschenken van wijn. Het is niet spannend, maar het is veilig.

Sinds vorig najaar doet Arie vrijwilligerswerk bij De Brink, een buurtcentrum aan de andere kant van de wijk. Hij zou daar eerst alleen helpen bij de repairmiddag, kapotte broodroosters, lampen, dat soort dingen. Arie kan alles openmaken, maar niet altijd weer dichtkrijgen, dus ik vond het wel passend.

Alleen is het veel meer geworden. Hij helpt nu ook bij de taalochtend, zet stoelen klaar voor een maaltijd op donderdag en rijdt soms met een busje spullen ophalen. Hij komt thuis met verhalen over mensen die ik niet ken: Kadir, die vroeger in de bouw zat en nu vanwege zijn knie nauwelijks werk vindt. Selma, die twee kleine kinderen heeft en volgens Arie de beste linzensoep maakt die hij ooit gegeten heeft. Joop, een weduwnaar van 78 die bij elke activiteit verschijnt omdat hij anders hele dagen niemand spreekt.

Ik vond het aanvankelijk juist goed voor hem. Arie was na zijn vervroegde pensionering niet bepaald makkelijk geweest. Hij liep door het huis alsof hij op zoek was naar iets dat hij vergeten was, maakte om half elf ’s morgens al koffie en begon dan over dingen die vroeger beter geregeld waren op zijn werk. Bij De Brink kreeg hij weer kleur op zijn wangen. Letterlijk ook, omdat hij vaak op de fiets ging.

Maar op een avond zei hij tijdens het eten: „Waarom komen Kadir en Selma niet eens op woensdag? Gewoon bij ons allemaal. Dan leren jullie elkaar kennen.”

Ik dacht dat hij een grap maakte. Niet omdat zij niet welkom zouden zijn als individuen, maar omdat onze woensdagavond niet zomaar een open inloop is. We zijn met acht mensen, soms tien als de dochter van Peter langskomt. We kennen elkaars zwakke plekken, ruzies met kinderen, medische uitslagen, alle oude verhalen. Het is een klein wereldje, ja. Maar dat is niet hetzelfde als een verkeerd wereldje.

Ik zei: „Omdat het dan geen woensdagavond meer is zoals wij die kennen.”

Hij keek me aan alsof ik iets smerigs had gezegd.

„Precies,” zei hij. „Misschien is dat wel het probleem.”

Daarna ging het snel irritant worden. Arie wilde Kadir meenemen naar de fietstocht. Ik zei dat Kadir natuurlijk welkom was, maar dat ik niet ineens verantwoordelijk wilde zijn voor iemand die misschien helemaal niet van fietsen hield. Daar werd hij boos om, terwijl ik gewoon praktisch wilde zijn. Hij zei dat ik voor iedereen alvast invulde dat het niet zou passen.

Dat doe ik misschien ook wel, achteraf gezien. Ik ben niet iemand die makkelijk op mensen afstapt. Op mijn werk, ik heb jaren de administratie gedaan bij een installatiebedrijf, was ik vriendelijk maar nooit degene die na afloop nog bleef hangen. Ik hoef niet door iedereen aardig gevonden te worden. En ik vind het vermoeiend als mensen doen alsof dat een gebrek is dat dringend gerepareerd moet worden.

Bij onze vrienden lag het ook gevoelig. Henk zei vrij direct: „Arie kan toch gewoon met die mensen afspreken? Waarom moet onze avond ineens een maatschappelijk project worden?”

Marja vond dat te hard, maar ik zag aan haar gezicht dat ze hetzelfde dacht. Peter zei niets. Zijn vrouw Els zei dat ze het juist leuk vond om eens nieuwe mensen te ontmoeten, maar Els vindt alles eerst leuk en klaagt dan later bij mij aan de telefoon dat ze geen moment rustig heeft kunnen praten.

Arie hoorde via mij wat Henk had gezegd. Daar had ik misschien mijn mond over moeten houden. Hij werd woest, niet schreeuwen of zo, maar die stille boosheid waarbij hij alle kastdeurtjes net iets te hard dichtdoet.

„Jullie willen alleen maar mensen die op jullie lijken,” zei hij.

„Nee,” zei ik. „Wij willen af en toe gewoon met onze vrienden zijn.”

„En wat is daar dan zo bedreigend aan, aan iemand die niet dezelfde achtergrond heeft?”

Dat woord, bedreigend. Alsof ik bang ben voor Kadir of Selma. Dat ben ik niet. Ik ken ze nauwelijks. Juist daarom wil ik niet doen alsof we meteen één grote warme groep zijn omdat Arie dat graag ziet.

Het buurtfeest was zijn idee voor het vijfjarig bestaan van De Brink. Eerst zou het in de binnentuin van het centrum zijn, maar daar was gedoe met stroom en toestemming van de gemeente. Toen zei Arie, zonder het met mij te overleggen, dat het misschien bij ons kon. Wij hebben een diepe tuin, dat klopt. Een achterom en een schuurtje waar een koelkast in staat. Praktisch gezien kan het.

Maar onze tuin is ook de plek waar ik op zondagochtend met een dekentje zit, waar mijn moeder vroeger altijd haar sigaret rookte voordat ze stopte, waar de jongens met een plastic zwembad speelden. Ik weet heus wel dat een tuin geen heiligdom is. Toch voelde het alsof Arie iets van mij had weggegeven zonder het te vragen.

Toen ik zei dat ik dat niet wilde, zei hij: „Ik vraag niet of je ineens iedere dag naar het buurtcentrum komt. Eén middag, Karin.”

Ik zei dat het nooit één middag bleef. Dat het daarna zou gaan over wie we nog meer konden uitnodigen, welke tradities blijkbaar te bekrompen waren, en dat ik vervolgens de vrouw zou zijn die overal bezwaar tegen maakte.

Daarop zei hij iets wat nog steeds in mijn hoofd blijft hangen: „Misschien bén je die vrouw geworden.”

Ik heb die avond op de logeerkamer geslapen. Kinderachtig, waarschijnlijk. Arie heeft niet geprobeerd me tegen te houden. De volgende ochtend hadden we het alleen over de vuilnisbak die buiten moest.

Uiteindelijk gaat het feest door, maar niet bij ons. Kadir heeft via iemand een binnenterrein bij een basisschool kunnen regelen, met toestemming van de beheerder. Arie was daar zichtbaar opgelucht over, en ik ook. Dat vond ik misschien wel het vervelendste: dat onze ruzie ineens nergens meer voor nodig leek, terwijl hij natuurlijk niet weg was.

Afgelopen woensdag waren we gewoon bij Henk en Marja. Arie ging wel mee, maar hij was stiller dan anders. Halverwege vroeg Els naar De Brink. Arie vertelde over de maaltijd en over Joop, die nu weer elke week meehelpt met afwassen omdat hij daar volgens Arie trots van wordt.

Ik hoorde mezelf zeggen: „Misschien kunnen we een keer met z’n tweeën langsgaan. Niet op woensdag, maar gewoon een keer.”

Arie keek op. Niet blij, niet opgelucht. Eerder voorzichtig, alsof hij bang was dat ik het meteen weer zou intrekken.

Dat heb ik niet gedaan. Maar ik heb ook niet gezegd wanneer.

De tuinstoelen staan nog steeds geteld in mijn notitieblokje. Ik heb het blaadje niet weggegooid.