Mijn man wil onze vrienden niet loslaten, maar ik trek het niet meer om steeds klaar te staan

Ik heb nog steeds een map op mijn telefoon die ‘Frankrijk 2018’ heet. Daar staan honderden foto’s in. Rob met een te klein strohoedje op, mijn man Pieter die een halve stokbrood onder zijn arm heeft, Marja die op een plastic stoel in de zon zit met haar voeten in een teil omdat ze had gezegd dat dat ‘spa en camping tegelijk’ was. We hebben er destijds ontzettend om gelachen.

Met Rob en Marja waren we zo’n stel vrienden waarvan iedereen zei: jullie doen echt alles samen. Niet letterlijk alles natuurlijk. Maar verjaardagen, Pasen, oud en nieuw, weekendjes naar Limburg, twee vakanties naar Frankrijk en één keer een vreselijk nat huisje in Drenthe waar de verwarming kapotging. We belden elkaar makkelijk twee keer per week. Soms ging het nergens over. De nieuwe schutting van de buren, een aanbieding bij de Praxis, wie er nu weer een heupoperatie nodig had in onze straat.

Ik ben 64, Pieter is 66. Rob en Marja zijn ongeveer van onze leeftijd. Je denkt op deze leeftijd soms: fijn, we kennen elkaar zo goed, daar hoef je niet meer zo veel moeite voor te doen. Het is er gewoon.

Tot het ineens niet meer gewoon was.

Eerst was het Rob die afzei. Hij werkte nog drie dagen bij een installatiebedrijf, hoewel hij eigenlijk al lang aan pensioen dacht. Hij klonk moe aan de telefoon. Niet een beetje moe, maar alsof praten hem al te veel energie kostte. Marja zei toen nog: ‘Hij moet gewoon even pas op de plaats maken.’

Een paar maanden later zat zij zelf thuis. Burn-out, zei de huisarts volgens haar. Daarna kwamen er woorden als somberheidsklachten, paniekaanvallen en medicatie die nog moest aanslaan. Ik hoef niet precies te weten wat iemand slikt of bespreekt met een psycholoog. Maar het was duidelijk dat het niet goed ging.

In het begin deden we wat je doet. Soep brengen. Een kaartje door de bus. Appen dat ze nergens op hoefden te reageren. Pieter ging een keer met Rob wandelen, al kwamen ze na twintig minuten alweer terug omdat Rob duizelig werd. Ik heb Marja aan de telefoon gehad terwijl ze alleen maar huilde en steeds zei dat ze niet wist waarom.

Dat vond ik niet zwaar. Niet toen. Of misschien vond ik het wel zwaar, maar voelde het logisch. Als iemand ziek is, laat je die toch niet zitten.

Alleen bleef het niet bij die eerste periode.

Na anderhalf jaar waren onze afspraken bijna altijd voorlopig. Als we voor zondag iets planden, hoorde ik zaterdagavond vaak niets. Dan vroeg ik voorzichtig of het nog doorging. Soms kwam er pas zondag rond elf uur een berichtje: ‘Sorry, lukt niet. Alles te veel.’ Eén keer zaten Pieter en ik al in de auto, op weg naar een lunch die bij hen thuis zou zijn. Ik had een quiche gemaakt. Toen kwam het bericht van Marja.

Ik weet nog dat Pieter zei: ‘Ach meid, ze kunnen er ook niks aan doen.’

En dat klopt waarschijnlijk. Maar die quiche stond vervolgens drie dagen in onze koelkast, omdat ik te chagrijnig was om hem op te eten.

Het ging me ook niet alleen om afzeggen. Het was dat ik geen idee meer had waar we aan toe waren. Als ik Marja appte, zag ik soms dagenlang twee grijze vinkjes. Daarna stuurde ze ineens om half twee ’s nachts een heel lang verhaal dat ze zich schuldig voelde, dat iedereen zonder haar verderging, dat ze een slechte vriendin was. Dan voelde ik me een naar mens omdat ik eerder die dag nog tegen Pieter had gezegd dat ik er klaar mee was.

Pieter werd juist beschermender. Hij zei dat we niet moesten rekenen op hoe zij vroeger waren. Dat ziekte mensen verandert. Dat onze vriendschap nu bewezen moest worden.

Daar zat iets moois in, vond ik ook. Pieter is altijd loyaal geweest. Toen mijn vader in het verpleeghuis terechtkwam, reed hij iedere woensdag met me mee, ook al vond hij het verschrikkelijk daar. Hij is geen man die wegloopt als iets ingewikkeld wordt.

Maar langzamerhand voelde het alsof hij verwachtte dat ík die loyaliteit vooral uitvoerde.

Ik was degene die een bericht formuleerde dat niet te opdringerig klonk. Ik belde Marja terug. Ik dacht eraan dat Rob misschien geen verjaardag wilde vieren, maar het toch pijnlijk zou vinden als we niks deden. Ik hield in de gaten wanneer we beter geen foto’s van een etentje in de groepsapp konden zetten. Pieter zei vaak: ‘Zullen we iets voor ze doen?’ Maar met ‘we’ bedoelde hij meestal dat ik iets moest verzinnen, regelen en aanvoelen.

Vorige maand kwam hij op een dinsdagavond met zijn laptop aan de keukentafel zitten. Ik was net klaar met mijn vrijwilligersdienst in de bibliotheek en wilde eigenlijk mijn serie kijken met een kop thee.

Hij had een huisje gevonden op de Veluwe. Vrijdag tot maandag. Niet luxe, maar wel met een open haard en een bad. Hij zei dat een andere omgeving misschien goed zou zijn voor Rob en Marja. Even geen huis waar alles hen aan hun gedoe herinnerde. Hij had het huisje alvast in optie gezet.

‘Voor ons vieren?’ vroeg ik.

Hij keek alsof dat vanzelf sprak.

‘Ja. Ik dacht dat jij met Marja een beetje rustig aan kon doen. Wandelen als het lukt, anders gewoon bij het huisje blijven. Ik neem Rob wel mee naar dat openluchtmuseum of zo. Geen druk, gewoon kijken hoe het gaat.’

Ik weet nog dat ik eerst alleen naar dat scherm keek. Naar foto’s van een beige bank, houten balken, een vuurkorf. En ik voelde meteen die bekende spanning in mijn schouders. Niet omdat een weekendje Veluwe zo vreselijk is. Maar omdat ik al wist hoe het zou gaan.

Pieter zou boodschappen willen doen voor iedereen, maar vragen wat Marja wel en niet kon eten zou bij mij terechtkomen. Als zij in bed bleef, zou ik me bezwaard voelen om weg te gaan. Als ze moest huilen, zou Pieter zeggen dat ik haar zo goed begreep. Als het op het laatste moment werd afgezegd, konden wij waarschijnlijk niet kosteloos annuleren en zou hij zeggen dat geld maar geld was.

Ik zei: ‘Ik wil niet mee.’

Hij dacht eerst dat ik een grap maakte.

Toen ik het herhaalde, werd hij stil. Daarna zei hij dat hij me niet herkende. Dat dit juist het moment was waarop vrienden elkaar nodig hebben. Hij zei niet dat ik harteloos was, maar het hing wel in de keuken, tussen ons in.

Ik werd boos en zei dingen die ik waarschijnlijk netter had kunnen zeggen. Dat ik geen hulpverlener ben. Dat ik niet nog een weekend op eieren wil lopen. Dat ik Marja niet meer durf te bellen omdat elk gesprek of heel oppervlakkig is of eindigt met mij die een uur later nog zit na te trillen.

Pieter zei toen: ‘Dus als het moeilijk wordt, haak jij af.’

Dat deed pijn, vooral omdat een deel van mij bang is dat hij gelijk heeft.

Ik wil niet dat Rob en Marja denken dat we ze laten vallen omdat ze niet meer gezellig zijn. Zo wil ik helemaal niet zijn. Ik mis Marja oprecht. Ik mis haar scherpe opmerkingen, haar slappe lach, het feit dat zij als enige meteen zag wanneer ik ergens mee zat zonder dat ik het hoefde uit te leggen.

Maar ik mis ook wie ik zelf was in die vriendschap. Iemand die gewoon langs kon gaan zonder vooraf een emotionele weersverwachting te moeten maken.

Pieter heeft het huisje uiteindelijk niet geboekt. Niet omdat hij het met me eens was, denk ik, maar omdat hij niet alleen met twee mannen in een huisje wilde zitten als Marja thuisbleef. Sindsdien is het onderwerp er een beetje omheen gaan hangen. We praten over de boodschappen, onze dochter, zijn afspraak bij de tandarts. Maar het zit eronder.

Afgelopen zondag stuurde Marja ineens een spraakbericht van twintig seconden. Ze klonk iets helderder. Ze vroeg hoe het met ons was en zei dat ze wist dat ze moeilijk bereikbaar was geweest. Ik heb het drie keer geluisterd voordat ik antwoordde.

Uiteindelijk heb ik alleen teruggestuurd dat ik blij was iets van haar te horen en dat ze, als ze daar ruimte voor had, misschien eens een halfuurtje bij mij koffie kon drinken. Geen plannen voor een weekend, geen grote beloftes. Gewoon koffie. Bij mij aan de keukentafel.

Ze heeft nog niet gereageerd. Pieter vraagt er niet naar. Ik ook niet.