Na veertig jaar vriendschap durfde ik voor het eerst te zeggen dat ik een weekend alleen wilde zijn

Vorige week heb ik voor het eerst in bijna veertig jaar een bericht van Theo op stil gezet.

Niet geblokkeerd, dat vind ik nog steeds iets voor mensen die elkaar echt iets hebben aangedaan. Maar wel stil. Omdat ik merkte dat ik bij elk piepje van mijn telefoon al dacht: daar komt weer een voorstel, een herinnering, een opmerking waar ik iets mee moet.

Theo en Marjan zijn al sinds 1987 onze beste vrienden. Zo zeg je dat dan. Wij, ik en Ellen, woonden destijds twee straten verderop in Amersfoort, allebei met jonge kinderen en net iets te weinig geld. We deelden oppasavonden, kampeerplekken in Frankrijk, oude skispullen van de kinderen. Toen mijn vader overleed, stond Theo de volgende ochtend met een thermoskan koffie bij de deur. Toen Marjan borstkanker had, reed Ellen maandenlang met haar mee naar het Meander. Niet omdat iemand dat vroeg. Dat deed je gewoon.

We zijn ook altijd een stelletje vaste gewoontes geweest. Elke woensdagavond eten of borrelen, om en om bij elkaar. Met verjaardagen zaten we standaard naast elkaar. Eerste kerstdag deden we met onze eigen gezinnen, tweede kerstdag vaak met z’n vieren. En ieder jaar in november was er het grote etentje van onze oude vriendengroep uit de buurt: ongeveer vijfentwintig man, partners erbij, in een zaaltje achter een restaurant bij Leusden. Theo regelde dat al jaren.

Ik vond die dingen vroeger ook fijn. Of misschien vond ik vooral fijn dat er nooit over nagedacht hoefde te worden. Je agenda was vol, maar op een geruststellende manier. Iedereen wist waar hij aan toe was.

Sinds ik in april met pensioen ben, is dat veranderd. Ik heb zevenendertig jaar bij de gemeente gewerkt, eerst bij vergunningen en later in vastgoedbeheer. Altijd afspraken, telefoontjes, gedoe met termijnen en mensen die vonden dat hun dossier echt niet kon wachten. De laatste jaren trok ik dat steeds slechter, al gaf ik dat niet graag toe.

Ik dacht eerlijk gezegd dat ik na mijn laatste werkdag meteen van alles zou gaan doen. Fietsen, klussen, misschien vrijwilliger worden bij de voetbal. Maar de eerste weken zat ik ’s ochtends soms gewoon met een tweede kop koffie voor me uit te kijken. Ellen was nog twee dagen per week werkzaam in de thuiszorg en zei daar eerst niets van. Pas later vertelde ze dat ze bang was geweest dat ik in een gat zou vallen.

Dat was niet zo. Of niet helemaal. Ik merkte juist hoe moe ik was.

Niet lichamelijk moe. Meer alsof ik jarenlang overal naartoe was gelopen met mijn jas aan, en hem nu pas uitdeed. Ik wilde op dinsdag naar de markt zonder op de klok te kijken. Een middag in de tuin rommelen en daarna nergens meer heen. Soms wilde ik zelfs geen bezoek, ook niet van mensen van wie ik houd.

Ellen herkende het meer dan ik had verwacht. Zij gaat volgend voorjaar met pensioen en zei op een avond: “Misschien moeten we niet alvast alle lege ruimte weer volstoppen.”

Dat vond ik een opluchting. Tegelijk voelde het laf, want Theo en Marjan werken allebei nog. Theo drie dagen als projectleider bij een installatiebedrijf, Marjan op een basisschool. Voor hen is die woensdagavond blijkbaar juist een ankerpunt geworden.

Toen we in juni zeiden dat we niet meer elke woensdag konden en wilden afspreken, viel er aan de andere kant van de tafel een stilte. We aten bij hen. Marjan had lasagne gemaakt, Theo schonk nog wijn bij terwijl mijn bord eigenlijk al te vol lag.

“Dus wat bedoel je precies met niet meer elke woensdag?” vroeg hij.

Ik zei dat we best wilden blijven afspreken, maar liever wat losser. Misschien eens per twee of drie weken. Soms zouden we spontaan bellen. Niet alles vastleggen maanden vooruit.

Marjan keek naar Ellen, niet naar mij. “Maar jullie hebben nu juist alle tijd?”

Ellen zei dat tijd niet hetzelfde is als beschikbaar zijn.

Achteraf klinkt dat misschien hard. Op dat moment klonk het vooral ongemakkelijk. Theo zei dat hij het begreep, maar begon vervolgens over de zomerbarbecue, een weekendje wandelen in Limburg en het etentje in november. Alsof hij wilde testen welke afspraken nog overeind stonden.

De echte ruzie ging uiteindelijk over dat etentje.

Dit jaar was het extra groot omdat twee mensen vijftig jaar getrouwd waren en er ook oud-buurtgenoten zouden komen die we lang niet hadden gezien. Theo had een groepsapp aangemaakt met allemaal enthousiaste berichten, foto’s van menukaarten en vragen over carpoolen. Alleen al die app maakte me onrustig. Zestien meldingen terwijl ik een brood stond te smeren.

Ellen zei al weken dat ze ertegenop zag. Niet tegen de mensen persoonlijk, maar tegen het volume, het verplichte gezellig doen, de verhalen die je al kent en waar je toch om moet lachen. Ik zei steeds: we kijken wel. Dat was mijn oude manier. Uitstellen totdat iets vanzelf vastligt.

Drie dagen ervoor heb ik Theo gebeld. Ik heb gezegd dat we niet kwamen.

Hij was eerst heel stil. Daarna zei hij: “Dat meen je niet. Dit is één avond, Henk.”

Ik zei dat ik dat wist, maar dat één avond voor ons niet alleen één avond was. Van tevoren ernaar toe leven, de drukte zelf, de volgende dag herstellen. Ik hoorde mezelf praten en schaamde me een beetje. Alsof ik ineens heel kwetsbaar wilde zijn terwijl ik vroeger altijd degene was die zei: kom op, gewoon gaan.

Theo werd boos. Niet schreeuwen, dat doet hij nooit. Juist dat korte, beheerste stemmetje.

“Als iedereen alleen nog maar komt wanneer het perfect uitkomt, blijft er niks over van vriendschap.”

Ik zei dat ik niet vond dat we iedereen in de steek lieten omdat we één etentje oversloegen.

“Het gaat niet om één etentje,” zei hij. “Het gaat al maanden zo. Jullie willen alleen nog maar afspreken als het rustig is, op jullie moment, met z’n vieren. Alsof de rest teveel is geworden.”

Daar had hij misschien ook gelijk in. De rest ís me teveel geworden. Alleen vond ik niet dat ik daar verantwoording voor hoefde af te leggen alsof ik een dienst afzegde.

Ik zei iets onaardigs. Dat hij misschien niet moest doen alsof onze vriendschap een rooster was dat wij moesten invullen. Meteen nadat ik het zei, wist ik dat het hem zou raken. Theo organiseert juist alles omdat hij bang is dat mensen uit elkaar drijven. Zijn eigen broer spreekt hij nauwelijks meer. Dat weet ik. Ik had milder kunnen zijn.

Sindsdien is het stil. Marjan stuurde Ellen nog een berichtje: dat ze teleurgesteld waren en dat ze niet begreep waarom we hen op afstand hielden. Ellen heeft teruggestuurd dat afstand soms geen afwijzing is. Daar kwam alleen een duimpje op.

Afgelopen woensdag hebben Ellen en ik thuis gegeten. Stamppot andijvie, veel te vroeg op tafel. Daarna liepen we een rondje door de wijk. Bij Theo en Marjan brandde licht in de woonkamer. Hun auto stond er niet, dus waarschijnlijk waren ze nog aan het werk of ergens heen. Ik keek er langer naar dan nodig was.

Ik mis hen. Niet de verplichting, niet elke woensdag precies om half zeven, maar Theo die zonder vragen mijn boormachine terugbrengt met een nieuw bitje erbij. Marjan die altijd onthoudt welke thee Ellen lekker vindt. Het gemak van mensen die je niet hoeft uit te leggen wie je vroeger was.

Volgende maand zijn Theo en Marjan allebei een week vrij. Ellen wil voorstellen om dan een keer koffie te drinken, overdag, zonder eten en zonder agenda. Ik wil dat ook. Maar ik weet niet of Theo daar genoegen mee neemt.

Mijn telefoon staat inmiddels niet meer op stil. Ik kijk er alleen niet meer de hele tijd naar.