Mijn beste vriend vindt dat ik hem in de steek laat, omdat ik niet mijn pensioenplannen wil opgeven voor zijn zorg
De tas met boodschappen stond nog op de achterbank toen Els zei dat ze eigenlijk niet meer mee wilde naar Henk en Marjan.
Niet omdat ze geen zin had in Henk, zei ze snel. Dat is ook niet zo. Maar omdat ze al de hele ochtend een knoop in haar maag had van het appje dat hij om half acht had gestuurd. Of we voortaan elke ochtend even langs konden komen. Niet alleen voor de boodschappen, maar ook om te kijken of hij uit bed was, of er iets opgeruimd moest worden, of Marjan het nog trok.
Ik ben 64, Els is 62. We wonen sinds vorig voorjaar in een opgeknapte dijkwoning bij Wijk bij Duurstede. Daar hebben we jaren voor gespaard. Ik heb veertig jaar bij een installatiebedrijf gewerkt, Els in de thuiszorg en later bij de planning. We hebben geen enorme pensioenen, maar wel genoeg om eindelijk wat rustiger te leven. Een paar weken weg met de camper, fietsen in Frankrijk, doordeweeks koffie drinken zonder op de klok te kijken. Dat soort simpele luxe.
Henk en Marjan waren altijd onderdeel van alles. We leerden elkaar kennen op een camping in Zeeland, ergens eind jaren tachtig, toen onze kinderen nog klein waren en alle vier de tenten lekten na een nacht onweer. Daarna kwamen de gezamenlijke vakanties, verjaardagen, kerstdiners waarbij we te veel aten, en die jaren dat we elkaar hielpen met verbouwen. Henk heeft nog de tegels in onze oude keuken gezet. Toen Els haar moeder naar een verpleeghuis moest, reed Marjan zonder dat iemand erom vroeg twee keer per week met haar mee.
Ik zeg dat niet om bij te houden wie wat voor wie gedaan heeft. Integendeel. Juist bij hen voelde het nooit als rekenen.
Tot Henk anderhalf jaar geleden de diagnose Parkinson kreeg. Eerst viel het mee, of misschien wilden we dat allemaal geloven. Hij trilde wat, liep langzamer, liet soms een glas vallen en maakte er dan zelf een grap over. Maar de laatste maanden gaat het sneller. Hij is vaak uitgeput. Marjan heeft artrose in haar handen en een versleten knie. Ze redt het huis nog wel, zegt ze, maar je ziet aan alles dat het haar boven het hoofd groeit.
In het begin deden we gewoon wat nodig was. Ik haalde medicijnen bij de apotheek, Els kookte geregeld extra en zette een pan soep bij hen neer. We brachten ze naar afspraken als hun auto niet handig was. Toen Henk een keer in de badkamer was uitgegleden, zijn we midden in de nacht gegaan. Ik zou dat morgen weer doen.
Maar langzaam werd het anders. Henk ging ervan uit dat wij er waren.
Als Els op woensdag niet kon omdat ze met haar zus naar het ziekenhuis moest, kwam er een teleurgesteld stilletje aan de telefoon. Als ik zei dat ik die week met de camper naar Limburg wilde, vroeg hij: ‘Maar wie doet dan de grote boodschappen?’ Niet boos, althans niet meteen. Meer alsof ik had gezegd dat ik geen zin had om mijn eigen kind op te halen.
We hebben geprobeerd er rustig over te praten. Ik heb de huisartspraktijk genoemd, de wijkverpleging, huishoudelijke hulp via de Wmo. Marjan wist daar natuurlijk veel meer van dan ik, omdat ze zelf in de zorg had gewerkt voordat haar rug problemen gaf. Zij zei dat ze het allemaal al hadden uitgezocht, maar dat er wachtlijsten waren en dat je steeds verschillende mensen over de vloer kreeg.
Dat snap ik ook. Eerlijk, ik zou er zelf waarschijnlijk ook niet om staan te springen.
Daarom hebben Els en ik aangeboden om een particuliere hulp te betalen voor twee ochtenden in de week. Niet voor altijd, maar voorlopig. We konden het missen. We dachten oprecht dat het een oplossing was. Iemand vast, die schoonmaakt, boodschappen doet en een beetje overzicht houdt. Dan konden wij vrienden blijven in plaats van een soort onbetaalde thuiszorgploeg te worden.
Henk keek ons aan alsof we iets heel smerigs hadden voorgesteld.
‘Dus jullie kopen je eruit,’ zei hij.
Els werd meteen rood. Ze zei dat dat niet eerlijk was, dat we juist wilden helpen. Maar hij bleef erbij dat geld geen aanwezigheid vervangt. Hij zei dat hij geen vreemde wilde die aan zijn spullen zat en hem in zijn eigen huis zag aanmodderen.
Daar had ik begrip voor. Alleen kwam daarna de zin die ik nog steeds in mijn hoofd hoor.
‘Als dit jullie overkomt, laat ik jullie toch ook niet zitten omdat ik liever met de camper weg wil?’
Ik zei toen iets waar ik niet trots op ben. Ik zei: ‘Je weet helemaal niet wat je zou doen, Henk.’
Dat was hard en het maakte alles erger. Marjan begon te huilen, heel stil. Niet dat theatrale huilen dat mensen soms verwachten bij zo’n ruzie, maar gewoon met haar hand voor haar mond, alsof ze zich schaamde dat ze het niet meer binnen kon houden. Els pakte haar vast. Henk keek naar buiten en zei een tijd niets meer.
We zijn daarna toch gegaan, met de boodschappen nog steeds in de achterbak. Els heeft ze later bij de voordeur gezet. Heel laf misschien, maar ik kon op dat moment niet nog een gesprek voeren.
De week erna zouden wij tien dagen naar de Vogezen gaan. Alles was al geboekt. De camper was ingepakt, de route lag klaar, en toch voelde ik me alsof ik iets stal. Henk stuurde twee dagen voor vertrek een berichtje: ‘Dus jullie gaan echt.’
Geen vraagteken. Alleen die vier woorden.
Els wilde afzeggen. Ze zei dat ze anders niet ontspannen kon. Ik wilde juist gaan, misschien ook uit koppigheid. Ik had maandenlang naar die reis uitgekeken, na de verbouwing, na al het gedoe met de aannemer en de lekkage in de bijkeuken. Maar vooral dacht ik: als we nu afzeggen omdat Henk het verwacht, wanneer mogen we dan nog wel weg?
We zijn gegaan. De eerste dagen waren beroerd. Bij elk belletje dacht ik dat er iets was gebeurd. Ik stuurde Henk foto’s van een marktje in Colmar en kreeg geen reactie. Achteraf denk ik dat die foto’s ook nogal ongepast waren. Hij zat thuis, afhankelijk van Marjan en wachtend op hulp, terwijl ik een glas wijn op een terras fotografeerde.
Toen we terugkwamen, hadden we een kaart in de bus. Geen lange brief. Alleen: ‘We hebben besloten voorlopig wat afstand te nemen. Jullie begrijpen blijkbaar niet wat wij nu nodig hebben. Henk en Marjan.’
Dat is nu zes weken geleden. Els heeft Marjan twee keer gebeld, maar ze neemt niet op. Hun zoon Joris appte me een keer dat er inmiddels wijkverpleging komt en dat zijn moeder erdoorheen zit. Hij schreef ook: ‘Pap is vooral boos, maar volgens mij ook bang.’ Daar kan ik weinig tegenin brengen.
Vorige zaterdag kwam ik Henk toevallig tegen bij de AH. Hij liep met zo’n rollator met een mandje ervoor. Ik had hem al gezien voordat hij mij zag en heel kinderachtig heb ik nog overwogen een ander gangpad in te slaan.
We stonden uiteindelijk bij de koffie. Hij zei dat de thuiszorg ‘op zich prima’ was. Ik zei dat ik blij was dat er iets geregeld was. Daarna vroeg ik hoe het met Marjan ging. Hij haalde zijn schouders op.
Er viel een stilte waar vroeger meteen een grap in was gekomen.
Ik heb gezegd dat het aanbod voor die particuliere hulp nog steeds staat. Niet als afkoop, zei ik erbij, maar omdat we het menen. Ook heb ik gezegd dat ik best elke donderdag kan komen klussen, boodschappen doen of gewoon koffie drinken, zolang we samen afspreken wat haalbaar is. Hij knikte, maar zei niet ja.
Thuis vroeg Els of ik nu opgelucht was. Dat was ik niet. Ik mis mijn vriend. Tegelijkertijd voel ik nog steeds verzet als ik denk aan een leven waarin elke vakantie, elke vrije middag en elk plan eerst langs Henk moet.
Donderdag heb ik niets gepland. Ik weet niet of hij belt. Ik weet ook niet of ik zelf weer moet bellen. De camper staat inmiddels schoon onder de hoes, met nog zand in een hoekje van de Vogezen.