Onze zoon wil een jaar bij ons wonen omdat hij niet meer kan, maar ik ben bang dat ik zelf ook verdwijn

De caravan staat nog steeds op de oprit, met dat blauwe zeiltje er half overheen. We zouden hem vorige week naar de stalling brengen, maar het kwam er niet van. Eerst omdat het regende, daarna omdat Martijn belde, en toen was ik de hele dinsdag bezig met bellen naar de huisartspraktijk omdat hij zelf niet door het keuzemenu heen kwam.

Ik ben 67, mijn man Henk is 69. Sinds januari zijn we allebei met pensioen. We hadden geen grootse plannen, hoor. Niet drie maanden door Spanje met zo’n camper en een zonnebril op ons hoofd. Maar wel meer vrijheid. In mei een paar weken naar Frankrijk, in september misschien een huisje op Texel. Zonder rekening te hoeven houden met schoolvakanties, werkroosters of wie de kat eten gaf.

We hadden het huis ook een beetje aangepast aan dat nieuwe leven. De kamer van onze zoon Martijn was vorig jaar eindelijk een logeerkamer geworden. Er stond een smal bed, een kastje van Marktplaats en mijn naaimachine. Ik had er gordijnen uitgezocht waar Henk zich totaal niet voor interesseerde, maar hij zei wel: “Prima, jij zit daar toch het meest.” Dat soort kleine, rustige dingen.

Martijn is 36 en werkt normaal gesproken bij een groot adviesbureau in Utrecht. Hij is altijd degene geweest die alles op orde had. Goede baan, net huurappartement, veel vrienden, sporten, stedentrips. Als hij op zondag kwam eten, keek hij tussendoor op zijn telefoon en zei hij dat hij maandag weer vroeg een presentatie had. Ik vond hem soms gejaagd. Maar ik dacht ook: hij redt zich wel. Hij is volwassen.

In februari belde hij me op een woensdagmiddag. Ik hoorde meteen dat er iets was, maar hij bleef maar zeggen dat hij “gewoon moe” was. Pas toen ik vroeg of hij gegeten had, werd het stil. Daarna begon hij te huilen. Niet hard, eerder alsof hij zich ervoor schaamde dat het gebeurde.

Hij bleek al weken nauwelijks te slapen. Hij meldde zich ziek op zijn werk, maar op vrije dagen lag hij alleen op de bank en staarde hij naar het plafond. De was stapelde zich op. Hij nam de telefoon niet meer op. Hij had een gesprek met de bedrijfsarts gehad en die had gezegd dat hij rust moest nemen en hulp moest zoeken via de huisarts.

Natuurlijk gingen we erheen. Eerst een paar keer per week. Ik nam soep mee, Henk zette een nieuw rookmeldersetje op omdat Martijn zei dat de piepjes hem gek maakten. We deden boodschappen. Dat voelde nog overzichtelijk. Je helpt je kind, je rijdt weer naar huis, je eet je eigen avondeten.

Toen kwam hij een zondag hier binnen met een grote sporttas en zei hij dat hij wilde vragen of hij een tijdje bij ons kon wonen.

“Niet voor altijd,” zei hij meteen. “Misschien een jaar. Gewoon totdat ik weer normaal ben.”

Hij legde uit dat zijn huurwoning duur was en dat hij bang was om hem op te zeggen. In deze woningmarkt zou hij nooit meer iets betaalbaars vinden, zei hij. Zijn werkgever betaalde een deel door, maar niet alles. Hij had spaargeld, maar daar wilde hij niet meteen doorheen. Hij zei ook dat hij bij ons beter zou eten, beter zou slapen en niet iedere ochtend alleen wakker zou worden.

Henk zei bijna direct: “Natuurlijk kun je hier terecht.”

Ik keek hem aan, maar hij zag het niet eens. Of hij wilde het niet zien.

Martijn keek zo opgelucht dat ik op dat moment niets meer kon zeggen. Hij zat met zijn handen om zijn theeglas, schouders helemaal opgetrokken. Ik wilde niet degene zijn die daar dan over begint met regels en termijnen.

Maar die avond, toen Martijn weg was, zei ik tegen Henk dat ik dit niet zomaar kon beloven.

Henk werd boos, wat niet vaak gebeurt. Hij zei: “Het is onze zoon, Els. Die jongen zit erdoorheen.”

“Dat weet ik ook wel.”

“Dan help je hem toch?”

Alsof ik dat niet al deed. Alsof ik graag nee wilde zeggen omdat ik zo gehecht ben aan mijn rustige ochtenden met de krant en een wandelingetje naar de bakker.

Ik heb vroeger voor mijn moeder gezorgd toen zij dement werd. Eerst alleen haar administratie, daarna haar medicijnen, daarna elke dag erheen. Uiteindelijk woonde ze niet bij ons, maar ik was er bijna voortdurend mee bezig. Ik deed het uit liefde, absoluut. Alleen ik weet ook nog dat ik op een gegeven moment in de supermarkt stond en niet meer wist wat ik zelf lekker vond om te eten. Alles draaide om wat zij kon kauwen, wat zij wilde, wat er op moest.

Dat stukje van mezelf wil ik niet opnieuw kwijtraken. Dat klinkt misschien hard als het over je eigen kind gaat. Maar Martijn heeft geen gebroken been waarmee hij zes weken op de bank ligt. Hij is depressief. Sommige dagen is hij heel lief en helder, andere dagen kan één verkeerd gevallen opmerking betekenen dat hij zich terugtrekt en urenlang niets zegt. Ik weet niet of ik daar de juiste persoon voor ben. Sterker nog, ik weet dat ik dan ga proberen het op te lossen. Iedere dag weer.

Drie weken later kwam hij met dozen.

Niet heel veel, zei hij. Alleen kleding, zijn laptop, wat boeken, een scherm. De rest bleef voorlopig in Utrecht. Hij had Henk al gevraagd of hij de sleutel van de schuur mocht voor zijn fiets.

Ik voelde mijn hart bonzen toen ik die dozen bij de voordeur zag staan. Niet omdat ik hem niet binnen wilde laten. Hij zag er mager uit, met een baardje dat hij normaal nooit had. Maar omdat ik ineens zag hoe het zou gaan. De naaimachine naar zolder. Mijn logeerkamer weg. Zijn medicijnen op het aanrecht. Stilte aan tafel die ik zou proberen op te vullen. Henk die overdag gaat fietsen en zegt dat Martijn “even tijd nodig heeft”, terwijl ik thuis ben en dus vanzelf degene word die alles opvangt.

Ik heb toen gezegd dat hij binnen mocht, maar niet op deze manier.

Martijn stond met zijn hand nog aan een doos. Henk kwam uit de keuken en zei niets.

Ik zei dat ik wilde dat er een duidelijk plan kwam. Dat hij eerst met de huisarts en een psycholoog of praktijkondersteuner moest bespreken wat hij nodig had. Dat hij hier bijvoorbeeld drie maanden kon wonen, en dat we daarna opnieuw zouden kijken. Dat we niet zijn hulpverleners konden zijn. En dat hij, hoe beroerd hij zich ook voelde, mee zou moeten blijven doen: zelf zijn was, een paar vaste taken, afspraken buiten de deur, niet hele dagen alleen boven liggen zonder dat iemand weet hoe het gaat.

Hij keek me aan alsof ik hem had gezegd dat hij niet welkom was.

“Dus ik mag hier alleen wonen als ik me gedraag volgens jouw schema?”

Dat was niet wat ik bedoelde, maar eerlijk gezegd zat er wel iets van waarheid in. Ik wilde een schema omdat ik bang was. Omdat ik grip wilde op iets waar geen grip op is.

Henk zei toen eindelijk: “Je moeder bedoelt het goed.”

Daar werd ik nog bozer van. Niet op Martijn, maar op Henk. Alsof ik de strenge ouder was en hij de warme, veilige vader. Terwijl hij niet degene is die ’s nachts wakker ligt van de vraag of Martijn zichzelf iets aandoet. Hij ligt vaak binnen vijf minuten te snurken.

Martijn heeft de dozen die dag weer in zijn auto gezet. Hij is wel gebleven voor het eten, heel ongemakkelijk. Ik had stamppot gemaakt, omdat dat op zondag blijkbaar nog steeds mijn reflex is. We hebben vooral over het weer gepraat en over een buurman die zijn schutting aan het vervangen was.

Sindsdien woont Martijn niet hier, maar hij komt nu meestal van vrijdag tot maandagochtend. Hij heeft via de huisarts hulp geregeld en zijn werkgever heeft een traject ingezet, al snap ik zelf niet precies wat daar allemaal bij hoort. Hij woont nog in zijn eigen appartement. Soms lukt het hem om daar een paar nachten achter elkaar te slapen, soms belt hij Henk om elf uur ’s avonds omdat hij paniek voelt.

Henk en ik hebben er nog steeds ruzie over, alleen zachter dan eerst. Hij vindt dat ik te veel vooruitdenk. Misschien heeft hij gelijk. Ik vind dat hij te makkelijk zegt dat we het wel redden. Misschien heeft hij daar ook gelijk in.

Gisteren vroeg Martijn of hij met Pasen een paar dagen langer kon blijven. Ik zei ja, maar ik hoorde mezelf er meteen achteraan zeggen: “Dan moeten we wel even kijken hoe we dat doen.”

Hij knikte. Hij zei niets gemeens. Hij zag vooral moe.

Daarna heb ik de caravan weer dichtgeritst. Niet omdat we binnenkort weggaan. Gewoon omdat het zeiltje loshing en er regen werd voorspeld.