Mijn dochter wil dat we naar Kopenhagen verhuizen voor de kleinkinderen, maar ik weet niet of ik mijn pensioen daarvoor wil inleveren
Ik heb vorige week mijn yogamat opgerold en in de kast gezet, terwijl ik helemaal niet naar yoga hoefde. Het was dinsdagmiddag, mijn vaste les in het wijkcentrum. Normaal drink ik daarna koffie met Ria en Noura, veel te slap en in kartonnen bekertjes, en praten we vooral over knieën, kinderen en aanbiedingen bij de Lidl.
Maar ik kon de deur niet uit. Niet omdat ik ziek was. Ik wist gewoon dat Jeroen thuis zou zijn en dat we het dan wéér zouden hebben over Kopenhagen.
Onze dochter Eva woont daar al twaalf jaar. Ze ging ooit voor een traineeship bij een duurzaam energiebedrijf en bleef hangen. Eerst met een klein appartement, toen met Mikkel, en inmiddels met twee kinderen: Sofie van zes en Bram van drie. Eva doet het goed, echt goed. Ze is teamleider, heeft een mooi salaris, spreekt vloeiend Deens en heeft zo’n leven opgebouwd waar ik vroeger met bewondering naar keek. Ze durfde wat wij nooit gedurfd hebben.
Wij wonen in Amersfoort, in het rijtjeshuis waar we onze hele volwassen leven zo’n beetje hebben doorgebracht. Jeroen heeft veertig jaar bij de gemeente gewerkt, ik in de thuiszorg en later bij de planning van een zorgorganisatie. We zijn allebei twee jaar met pensioen. Niet rijk-rijk, hoor. Maar het huis is afbetaald, we redden ons prima, en we hadden eindelijk plannen die niet om werk, schoolvakanties of zieke ouders draaiden.
Met de trein door Zwitserland. In het najaar een maandje Portugal, niet op één plek maar gewoon kijken waar we uitkomen. Jeroen wilde een cursus Spaans doen. Ik ben begonnen met pottenbakken, wat ik lang belachelijk vond klinken als mensen erover praatten, maar ik ben er dus echt gek op.
En nu ligt er al weken een lijstje op tafel met huurprijzen in de buurt van Eva.
Het begon helemaal niet als een eis. Eva belde op een zondagavond en ze klonk moe. Niet een beetje moe zoals iedereen zegt, maar met zo’n stem alsof ze al dagen haar kaken op elkaar hield. Bram was weer ziek geweest. Sofie moest naar zwemles. De oppas had afgezegd. Mikkel werkt bij een adviesbureau en zit vaak bij klanten, soms in Aarhus of Odense. Eva had net een grote reorganisatie op haar werk.
“Pap, mam, ik trek dit gewoon niet meer,” zei ze.
Dat komt binnen, natuurlijk. Je kind kan veertig zijn, een leidinggevende baan hebben en een hypotheek in Denemarken, maar als ze zo praat hoor ik soms nog dat meisje dat op haar achtste niet alleen naar boven durfde als het stormde.
Jeroen zei meteen: “Dan komen we toch een tijdje helpen?”
Ik keek hem aan. Hij zat al rechtop op de bank, alsof hij zijn jas kon pakken.
Eva werd stil. Daarna zei ze dat een tijdje misschien niet genoeg zou zijn. De naschoolse opvang is daar volgens haar lastig te regelen op de dagen die zij nodig hebben, en een particuliere nanny is ontzettend duur. Bovendien, zei ze, zouden de kinderen zoveel aan ons hebben. Een vaste basis. Familie dichtbij.
Dat laatste vond ik gemeen van mezelf om irritant te vinden. Want het is waar. Ik mis die kinderen ook. We videobellen, we gaan vier keer per jaar die kant op of zij komen hierheen, maar Bram kijkt tijdens het bellen vaak naar iets anders. Sofie vertelt hele verhalen en ik versta soms de helft niet, omdat ze midden in een zin naar het Deens overschakelt.
Toen Jeroen en ik er later over praatten, zei hij: “We hebben maar één dochter, Marjan. En twee kleinkinderen. Waar sparen we onze tijd anders voor op?”
Ik zei dat tijd niet hetzelfde is als beschikbaarheid.
Dat was geen goed gesprek. Hij vond dat ik al in de verdediging schoot. Ik vond dat hij deed alsof ik een koud mens was omdat ik niet meteen ja zei.
Een paar dagen later had Eva alles uitgezocht. Niet dat ze letterlijk vroeg of we bij hen in huis wilden trekken; daar is hun woning ook te klein voor. Maar we zouden een appartement kunnen huren op twintig minuten fietsen. Ze noemde een wijk, een makelaar, internationale zorgverzekering, zelfs een Nederlandse vereniging waar ik misschien mensen zou kunnen leren kennen.
Voor onbepaalde tijd, zei ze. In ieder geval totdat Bram naar school gaat en zij op haar werk weer wat rustiger zit. Maar Bram is drie. En werk wordt bij Eva volgens mij nooit rustig. Daarna is er weer een nieuwe functie, een nieuwe deadline, een kans die je niet kunt laten lopen.
Ik vroeg: “En wat doen jullie als wij over twee jaar terug willen?”
Ze zuchtte. Niet hard, maar ik hoorde het toch.
“Mam, waarom denk je meteen in terug willen? Jullie kunnen toch ook daar een leven opbouwen?”
Alsof een leven iets is wat je even in een verhuisdoos stopt.
Jeroen is inmiddels gaan kijken naar wat het kost om onze auto weg te doen. Hij heeft het over fietsen in Kopenhagen, alsof dat het belangrijkste obstakel is. Hij heeft zelfs Deense woordjes opgezocht voor brood, melk en dank je wel. Soms word ik daar week van. Hij wil geen vader zijn die op afstand toekijkt terwijl zijn dochter verzuipt. En eerlijk is eerlijk: hij heeft altijd meer moeite gehad met het lege nest dan ik.
Maar ik zie ook wat er gebeurt. Eva vraagt niet: kunnen jullie ons af en toe door een moeilijke periode heen helpen? Ze vraagt of wij onze dagen om hun rooster heen bouwen. Maandag Bram, dinsdag Sofie ophalen, woensdag allebei, waarschijnlijk koken als Eva laat is, misschien een was draaien omdat die er toch staat. Ik ken mezelf. Ik zou het doen. Ik zou niet op een Deens terras zitten kleien of een cursus volgen. Ik zou in een speeltuin staan met natte handschoenen in mijn tas en me schuldig voelen als ik een middag voor mezelf wilde.
En dan zouden mensen zeggen: maar je hebt toch alle tijd?
Vorige vrijdag escaleerde het. Eva belde terwijl Jeroen naast me zat. Ze had die dag een presentatie gehad die mis was gegaan doordat de crèche belde: Bram had koorts. Mikkel kon niet weg. Ze had hem opgehaald en daarna met een huilend kind op schoot geprobeerd haar werk af te maken.
Ik zei dat het me speet, en dat we best zes weken konden komen in de zomer. Echt helpen, niet alleen gezellig opa en oma spelen. Daarna konden we misschien kijken naar vaste periodes, bijvoorbeeld een paar weken in het voorjaar en najaar.
Ze zei: “Maar daar lossen we het dagelijkse probleem niet mee op.”
Ik zei dat ik dat snapte.
“Niet echt, volgens mij,” zei ze. “Jullie zijn gezond, jullie zijn vrij. Het is toch onredelijk dat je dan zegt: we willen liever reizen?”
Ik werd zo boos dat ik eerst niets zei. Jeroen keek naar de vloer.
Toen zei ik iets waar ik me deels voor schaam: “Het is ook onredelijk om te verwachten dat wij naar een ander land verhuizen omdat jullie leven te vol gepland is.”
Eva begon te huilen. Niet heel luid, maar wel op die ingehouden manier die ik van haar ken. Ze zei dat ze niet om luxe vroeg, maar om hulp. Daarna zei ze dat ze later terug zou bellen en hing op.
Jeroen zei meteen dat ik te hard was geweest. Daar heeft hij waarschijnlijk gelijk in. Zij zit echt klem. Mikkel doet volgens haar veel, en ik geloof dat ook wel, maar met twee banen die allebei altijd iets van je willen en twee kleine kinderen is er gewoon geen rek meer.
Tegelijkertijd zit ik nu hier met een knoop in mijn maag, omdat ik niet weet of hulp alleen maar meetelt als je alles geeft.
We hebben vanavond weer gebeld. Ik heb gezegd dat we in juni zes weken komen en dat we in die tijd ook samen serieus willen kijken wat er lokaal mogelijk is: een andere oppas, minder uren werken, misschien hulp via hun werkgever, ik weet niet eens precies hoe dat daar geregeld is. Eva was afstandelijk, maar ze zei wel goed.
Jeroen wil daarna nog steeds doorpraten over een verhuizing. Ik heb hem niet verboden erover te beginnen. Misschien verandert mijn gevoel nog. Misschien zie ik die kinderen daar elke dag en denk ik: waarom hebben we hier zo moeilijk over gedaan?
Maar ik heb ook mijn pottenbakles weer in mijn agenda gezet voor dinsdag. Dat voelde kinderachtig, bijna demonstratief. Toch ga ik. Ik wil niet dat ik alvast verdwijn uit mijn eigen leven voordat we überhaupt een besluit hebben genomen.