Na 34 jaar wil ik niet meer mee op vakantie met onze vaste vriendengroep, maar mijn man zegt dat ik hem laat vallen
Vorige week lag er een envelop van het reisbureau op de keukentafel, tussen de reclame van de Albert Heijn en een rekening van Vitens. Henk had hem daar neergelegd alsof het iets feestelijks was. Op de voorkant stond een foto van een wit hotel aan een blauwe zee. Algarve. Achttien dagen, volgend voorjaar.
Ik wist meteen wat het was.
Onze vriendengroep heeft het er al maanden over. We zijn met acht stellen, al is het eigenlijk al jaren niet meer echt acht stellen. Wim is weduwnaar, Els en Karel zijn gescheiden maar komen allebei nog naar de etentjes, en bij Marijke en Theo weet volgens mij iedereen behalve zijzelf dat het niet geweldig loopt. Maar de groep bestaat nog. Daar wordt behoorlijk aan vastgehouden.
Sinds 1991 gaan we iedere eerste zaterdag van de maand iets doen. Eerst was het klaverjassen bij iemand thuis, met kinderen die boven sliepen en jassen over een hele stapel schoenen in de gang. Later werden het etentjes, fietstochten, musea waar we vervolgens nauwelijks naar binnen gingen omdat we te lang koffie dronken. Het is een gewoonte geworden die ouder is dan onze huidige keuken, ouder dan de meeste banen die we hebben gehad.
Henk vindt het prachtig. Hij weet altijd wie er jarig is, regelt de restaurantreserveringen, maakt de groepsapp weer levendig als die stilvalt. Hij werkt al 38 jaar bij dezelfde installateur in Amersfoort en gaat over anderhalf jaar met pensioen. Sinds dat dichterbij komt, lijkt die vriendengroep voor hem nog belangrijker te zijn geworden.
Ik snap dat ook wel. Echt. Henk is geen man die zomaar ergens binnenloopt en een praatje aanknoopt. Bij die mensen hoeft hij niets uit te leggen. Ze kennen hem als de rustige jongen die vroeger de barbecue aanstak, die altijd de route op zijn fietscomputer had staan, die na een paar biertjes flauwe grappen gaat maken waar hij zelf het hardst om lacht.
Maar ik zie al jaren op tegen die avonden.
Niet omdat ze nare mensen zijn. Dat zou bijna makkelijker zijn. Ze zijn over het algemeen vriendelijk. Ze sturen kaarten als iemand geopereerd is. Toen mijn moeder in het ziekenhuis lag, stond Marijke met een pan lasagne voor de deur. Dat vergeet ik niet.
Alleen: we praten al twintig jaar over hetzelfde. De verbouwing bij Theo en Marijke. De caravan van Jos en Ria. Welke knie van wie nu weer niet meewerkt. De kinderen, die inmiddels allemaal richting de veertig zijn en zelf kinderen hebben. En dan vaak dat half-grappige vergelijken: wie het drukst is met oppassen, wie het beste contact heeft met de kleinkinderen, wie nog het meest onderneemt.
Ik lach mee. Ik vraag hoe het met iemand gaat. Ik help afruimen. En onderweg naar huis heb ik meestal hoofdpijn.
De laatste twee jaar ben ik op woensdagavond naar een leesgroep in de bibliotheek gegaan. Eerst vond Henk dat een beetje grappig. ‘Nou, mevrouw gaat weer moeilijke boeken bespreken.’ Maar ik ben er dol op. We lezen van alles, soms Nederlandse romans, soms geschiedenis, soms een boek waar ik zelf nooit aan begonnen zou zijn. Er zitten mensen bij die ik anders nooit was tegengekomen: een gepensioneerde docent biologie, een vrouw die jarenlang in de jeugdzorg werkte, een Surinaamse man van mijn leeftijd die prachtig kan vertellen zonder dat hij steeds het woord wil hebben.
Daar kom ik thuis met ideeën. Soms met irritatie, soms omdat ik iets niet snapte. Maar ik voel me wakker.
Toen Henk die envelop neerlegde, zei hij: ‘Ze willen voor eind van de maand weten wie meegaat. Wel snel beslissen, want die kamers zijn zo weg.’
Ik had net koffie ingeschonken. Ik weet nog dat ik naar het laagje melk op zijn koffie keek en dacht: zeg het nu gewoon normaal.
‘Ik ga niet mee, Henk.’
Hij keek eerst niet eens op. ‘Hoe bedoel je?’
‘Ik wil niet achttien dagen met iedereen op pad. En eerlijk gezegd wil ik volgend jaar liever iets voor mezelf doen. Misschien die schrijfcursus in Groningen waar ik naar gekeken heb. Of een week wandelen met mijn zus.’
Hij zei niets. Hij pakte de envelop op, deed hem weer dicht en legde hem terug.
‘Dus ik moet alleen?’ vroeg hij uiteindelijk.
Ik zei dat hij helemaal niet móést, maar dat hij van mij gerust kon gaan. Daar ging het meteen mis, denk ik. Want ik bedoelde: ik gun jou dat. Hij hoorde: zoek het maar uit.
‘Dat is toch raar?’ zei hij. ‘Iedereen gaat als stel. We hebben al die jaren alles samen gedaan.’
‘Niet alles samen, Henk.’
‘Nee, maar dit wel. Dit zijn onze vrienden.’
Dat woord, onze, bleef hangen. Want ik dacht: zijn ze dat nog wel voor mij? Of zijn het vooral mensen met wie ik een verleden deel?
De zaterdag erna hadden we een etentje bij Jos en Ria. Ik wilde afzeggen, maar Henk zei dat dat juist vragen zou oproepen. Dus we gingen. Ria had zalm uit de oven gemaakt en er stond zo’n grote schaal krieltjes op tafel. Iedereen was vrolijk omdat de vakantie eindelijk bijna vastgelegd kon worden.
‘Nou Ans,’ zei Els, ‘jij bent zeker al bikini’s aan het passen?’
Ik zei: ‘Ik ga niet mee.’
Het werd niet stil op een dramatische manier. Eerder op een onhandige manier. Alsof iemand een glas had laten vallen maar het nog niet op de grond lag.
Marijke zei meteen: ‘O, maar waarom niet? Henk gaat toch wel?’
Henk keek naar zijn bord.
Ik zei dat ik andere plannen had en dat ik niet zo van groepsreizen ben. Dat klonk flauwer dan ik wilde. Jos begon over dat je ook best een dag alleen kon gaan winkelen daar. Alsof ik bang was geen vrije middag te krijgen.
Later, toen Henk buiten stond te roken met Theo, vroeg Ria of er iets was tussen ons. Ik zei nee. Ook dat was niet helemaal waar, maar ik had geen behoefte om aan haar uit te leggen dat ik soms het gevoel heb dat ik in mijn eigen leven figurant ben geworden.
In de auto terug zei Henk ineens: ‘Je had het wel wat vriendelijker mogen brengen.’
Ik werd kwaad. Niet eens omdat hij dat zei, maar omdat hij zich de hele avond zo klein had gemaakt. Alsof ik hem voor schut had gezet.
‘Ik heb niks verkeerds gedaan,’ zei ik.
‘Nee, maar je weet hoe die mensen zijn. Nu denken ze dat ik niet mee wil of dat wij gedoe hebben.’
‘Misschien hebben wij ook gedoe.’
Dat had ik niet moeten zeggen terwijl hij reed. Hij kneep zijn handen strakker om het stuur en zei de rest van de rit niets meer.
Sindsdien doen we beleefd tegen elkaar. Te beleefd. Hij kookt, ik ruim op. We vragen of de ander koffie wil. ’s Avonds kijkt hij voetbal of van die programma’s over oude auto’s. Ik lees boven, terwijl ik helemaal niet lees wat er staat.
Gisteren zei hij dat hij waarschijnlijk niet meegaat als ik thuisblijf. Niet omdat hij niet wil, zei hij, maar omdat hij geen zin heeft in opmerkingen en vragen. ‘Dan ben ik die man van wie zijn vrouw geen zin meer heeft in de groep.’
Ik zei dat hij zich wel erg afhankelijk maakte van wat anderen zouden kunnen denken. Dat was gemeen, want ik weet precies dat dat zijn zwakke plek is. Hij werd rood en zei dat ik op mijn leeftijd nog zo nodig een nieuw leven moest beginnen.
Daarna heb ik gehuild in de bijkeuken, met mijn gezicht tegen een schone theedoek. Wat een belachelijke plek ook. Maar ik was niet alleen boos. Ik was vooral verdrietig omdat ik hem niet kwijt wil. Henk is niet mijn tegenstander. Hij is degene met wie ik al 36 jaar wakker word, degene die zonder vragen mijn fietsband plakt en die nog steeds mijn hand zoekt als we naar de tandarts lopen.
Maar ik wil ook niet nog jaren doen alsof ik het gezellig vind omdat iedereen dat van mij verwacht.
De optie bij het reisbureau loopt over negen dagen af. Henk heeft de envelop in de la van het dressoir gelegd. Ik heb hem nog niet gevraagd wat hij nu precies wil. Misschien durf ik dat niet, omdat ik bang ben dat hij zegt dat hij wil dat ik gewoon meega.
En het lastige is: een deel van mij zou dat waarschijnlijk nog doen ook. Niet voor de Algarve. Niet voor die mensen. Alleen om weer normaal naast hem aan de ontbijttafel te kunnen zitten.