Na veertig jaar vriendschap wilden we nog maar één keer per twee weken afspreken, en nu lijkt alles stuk
Het begon eigenlijk met een stoel op ons terras.
Geen bijzondere stoel, zo’n zwarte kunststof tuinstoel van de Praxis die we al jaren hebben. Maar op een dinsdagmiddag in april zag ik hem weer bij de tuintafel staan, terwijl ik zeker wist dat ik hem die ochtend tegen de schuur had gezet. Anja had erop gezeten. Ze was met Theo langsgekomen voor koffie, en drie uur later waren ze pas weggegaan.
Marijke keek die stoel aan en zei: “Ik kan die twee even niet meer aan.”
Ik zei eerst nog dat het wel meeviel. Dat zei ik vaak. Niet omdat ik het echt vond meevallen, maar omdat ik al veertig jaar gewend ben aan Theo en Anja. Je gooit zoiets niet zomaar in een andere vorm.
We kennen hen sinds 1983. Theo werkte toen bij dezelfde technische groothandel als ik, nog aan de balie. Marijke en Anja deden samen zwangerschapsyoga, geloof ik, hoewel Anja daar achteraf altijd om moest lachen omdat ze na twee lessen was afgehaakt. We kregen kinderen in ongeveer dezelfde jaren, gingen met de tent naar Frankrijk, vierden oudejaarsavond beurtelings bij elkaar. Toen de kinderen groter werden, bleven we fietsen, klaverjassen en een paar keer per jaar naar een klein hotelletje in Limburg of Duitsland.
Het was nooit één richting op. Als ik na mijn hartoperatie bang was om weer op de racefiets te stappen, kwam Theo me ophalen en reed hij expres langzaam. Toen Anja’s moeder in het verpleeghuis terechtkwam, namen wij eten mee en liet Marijke haar urenlang praten. Zo ging dat. Zonder boekhouding.
Daarom voelde het ook zo rot om toe te geven dat ik de laatste tijd soms niet opnam als Theo belde.
Theo en Anja zijn vorig jaar allebei met pensioen gegaan. Theo iets eerder dan gepland, na gedoe met zijn afdeling en een regeling. Anja stopte een paar maanden later bij de bibliotheek. In het begin was het gezellig. Ze waren vrij, wilden eindelijk alles doen waar ze nooit aan toekwamen. Op woensdag fietsen, op vrijdag naar de markt in Deventer, eens spontaan lunchen.
Alleen werd spontaan al snel gewoon.
Ze belden vaak rond half elf. “Wij zitten in de buurt.” Dat betekende meestal dat ze al bij de rotonde waren. Of Anja stuurde een berichtje: koffie vanmiddag? Als Marijke dan zei dat we al iets hadden, kwam er bijna altijd een vervolg: wat dan precies? Niet op een nare, ondervragende manier misschien, maar wel alsof je je agenda moest verantwoorden.
En als ze er waren, ging het steeds vaker over henzelf. Theo vond dat Anja hem commandeerde sinds hij thuis was. Anja vond dat Theo niets uit zichzelf deed en de hele ochtend op zijn telefoon naar filmpjes over oude brommers keek. Dan zaten wij aan onze eigen keukentafel als een soort onbetaalde relatietherapeuten.
“Zeg jij het eens, Kees,” zei Theo dan. “Is het normaal dat je vrouw een lijstje op de koelkast hangt met dingen die je moet doen?”
En Anja: “Hij zegt het nu alsof ik een kampcommandant ben. Op dat lijstje stond ook gewoon: afvalbak buiten zetten.”
Soms was het zelfs wel grappig. Ik ben niet heilig. Ik heb ook wel mee zitten mopperen op Marijke, over dat ze de vaatwasser op haar manier wil inruimen. Maar het werd zwaar omdat ieder klein voorval weer terugkwam. Een vergeten afspraak bij de tandarts. Een opmerking van Theo’s zus. Gedoe over geld voor een nieuwe auto die ze uiteindelijk toch niet kochten.
Marijke werkt nog drie dagen per week bij de thuiszorgadministratie. Ik ben twee jaar geleden met pensioen gegaan, maar ik help op maandag en donderdag bij de voetbalclub met de ledenadministratie en de kantine-inkoop. Dat klinkt misschien als veel voor een pensionado, maar ik vind het prettig. Ik wil ook weleens gewoon de krant lezen zonder dat er om kwart over twee iemand op de oprit staat.
We gingen minder vaak bij mijn broer langs. Marijke zei een lunch met oud-collega’s twee keer af, omdat Anja net die middag “echt even” wilde praten. Dat hadden we natuurlijk zelf gedaan. Niemand dwong ons. Maar als je al decennia bevriend bent en iemand klinkt verdrietig aan de telefoon, zeg je niet makkelijk: vandaag niet.
Op die dinsdag ging het over een ruzie omdat Theo zonder overleg een elektrische fiets had gekocht. Anja had die fiets lelijk gevonden en bovendien te duur. Theo zat boos naar zijn koffie te kijken. Anja huilde ineens, heel stil. Ik kreeg medelijden met haar, en tegelijk voelde ik iets heel kinderachtigs: nee hè, niet alweer.
Toen ze weg waren, zei Marijke dat ze bijna een smoes wilde verzinnen als ze voortaan belden. Een afspraak, migraine, een kapotte cv-ketel, het maakte haar niet uit.
“Als we smoezen nodig hebben voor onze beste vrienden, is er iets mis,” zei ze.
Daar had ze gelijk in.
We hebben er een week over gepraat, steeds opnieuw. Ik vond één keer per twee weken eerst overdreven strak klinken. Alsof we een bezoekregeling voor kleinkinderen opstelden. Marijke zei dat we anders iedere keer opnieuw zouden gaan schuiven, omdat we geen nee durfden te zeggen. Uiteindelijk hebben we Theo en Anja uitgenodigd om te eten. Gewoon stamppot andijvie, niet alsof er iets ceremonieels moest gebeuren.
Na het toetje zei Marijke het. Rustig, met haar handen om haar theeglas.
“We merken dat we meer tijd voor onszelf nodig hebben. En ook voor andere mensen. Zullen we afspreken dat we elkaar ongeveer één keer per twee weken zien? Dan spreken we ook echt iets af, in plaats van steeds op goed geluk langskomen.”
Er viel zo’n stilte waarin je de koelkast hoort aanslaan.
Theo lachte eerst kort, maar het was geen lach. “Dus we moeten tegenwoordig intekenen?”
Ik probeerde uit te leggen dat het niet zo bedoeld was. Dat we hen niet kwijt wilden. Dat het juist ging om niet steeds uitgeput raken. Maar hoe meer ik praatte, hoe zakelijker het klonk. Ik hoorde mezelf woorden zeggen als balans en planning. Vreselijke woorden eigenlijk, tegen mensen die je al zo lang kent.
Anja keek alleen naar Marijke. “Hebben we dan zo veel tot last geweest?”
Marijke zei niet meteen nee. Dat was eerlijk, maar het kwam hard aan.
Theo werd kwaad. Niet schreeuwen, dat doet hij nooit. Hij werd juist heel netjes. Hij zei dat vriendschap blijkbaar alleen nog welkom was als het in ons schema paste. Hij zei ook dat zij ons er altijd bij hadden gevraagd, vroeger, met vakanties en verjaardagen en alles. Dat klopt. Alleen vergat hij gemakshalve dat wij hen ook overal bij vroegen.
Toen ze vertrokken, gaf Anja me een omhelzing die korter was dan normaal. Theo zei: “We weten nu waar we aan toe zijn.”
Sindsdien is het stil. Niet helemaal stil, want Anja stuurde Marijke vorige week een foto van hun nieuwe tuinset met de tekst: eindelijk mooi weer. Marijke antwoordde met een hartje. Dat is ongeveer het contact geweest.
Ik heb Theo een paar keer willen bellen. Niet om onze afspraak terug te draaien, denk ik. Misschien wel een beetje. Vooral omdat ik hem mis. Hij is de enige die nog weet hoe ik in 1991 met een lekke band op weg naar onze eerste vakantie langs de A1 stond, met twee huilende kinderen achterin en Marijke die toen ook al zei dat ik mijn reservewiel moest controleren.
Maar ik mis niet alles. Dat is misschien het naarste om toe te geven.
Afgelopen zondag zaten Marijke en ik op het terras. Diezelfde stoel stond weer tegen de schuur. We dronken koffie en niemand belde aan. Marijke zei dat ze haar zus misschien eens wilde vragen om volgende maand mee naar de markt te gaan.
Ik zei dat dat leuk was.
Daarna hebben we het over de tomatenplanten gehad, die het dit jaar opvallend slecht doen. En ik voelde me rustig. Ook schuldig, maar rustig.