Na veertig jaar vriendschap kochten wij een camper, en ineens leek het alsof we onze beste vrienden in de steek lieten

De camper staat sinds drie weken bij onze dochter op de oprit, omdat hij bij ons in de straat niet mag blijven staan. Elke keer als ik daar kom, loop ik er even langs. Alsof ik moet controleren of hij er nog echt is.

Hij is niet eens overdreven groot. Zes meter veertig, wit met zo’n grijze streep waarvan ik vroeger altijd dacht: dat is voor mensen die zichzelf op een camping ‘gezellig’ vinden. Maar nu ben ik dus blijkbaar zo iemand. We hebben hem tweedehands gekocht van een echtpaar uit Deventer dat wegens gezondheidsproblemen stopte. De vrouw had de kastjes van binnen nog schoongemaakt voordat we kwamen kijken. Er lag zelfs een map met bonnetjes in het dashboardkastje.

Mijn vrouw, Marijke, heeft er meteen twee kleine plantjes ingezet. Ik zei nog dat die het niet gaan overleven als we straks over bergwegen rijden. Ze zei: “Dan zien we dat wel.”

Dat zinnetje staat een beetje voor alles wat we de afgelopen maanden hebben gedaan.

Wij kennen Henk en Els sinds 1983. Ik werkte toen bij de gemeentewerf, Henk bij een installatiebedrijf. Marijke en Els zaten allebei bij de ouderraad van de basisschool, toen onze kinderen nog klein waren. Het begon met koffie na een voetbalwedstrijd en daarna werd het eigenlijk vanzelf een vast gegeven.

Kerstavond om en om. Pasen wandelen bij de Posbank, ook als het regende. Iedere zomer twee weken naar Frankrijk, later naar Oostenrijk toen Henk ineens helemaal gegrepen was door wandelen in de bergen. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk het huis uit gegaan. We hebben elkaars ouders begraven. Toen mijn moeder na haar beroerte naar een verpleeghuis moest, stond Els op dinsdagavond vaak met een pannetje eten voor de deur, zonder eerst te bellen.

Je hoeft niet uit te leggen wie iemand is als je elkaar zo lang kent. Dat is ook het mooie ervan.

Maar misschien zit daar ook iets lastigs in. Je merkt pas hoe vast een patroon zit als iemand eraan trekt.

Henk ging vorig jaar met pensioen. Els was al eerder gestopt vanwege haar rug en haar werk in de thuiszorg. Marijke stopte in januari bij de bibliotheek en ik ben in april officieel uitgezwaaid. Geen taart met fondant of een groot verhaal, gelukkig. Gewoon worstenbroodjes in de kantine, een cadeaubon en een collega die zei dat ik nu eindelijk mijn schuur kon opruimen.

Al jaren zeiden Marijke en ik: als we stoppen, kopen we een camper. Niet om elk weekend op pad te gaan. Juist om in het voor- en naseizoen weg te kunnen. Een maand door Duitsland, misschien via Tsjechië naar Slovenië. Geen planning die tot op de dag vastligt. Gewoon kijken waar we wakker worden.

Henk en Els wisten dat. Tenminste, ik dacht dat ze dat wisten. We hadden het vaak genoeg terloops gezegd. Henk maakte er grappen over: dat ik na twee dagen rijden heimwee zou hebben naar mijn eigen toilet. Els zei dan dat zij echt niet in zo’n “blik op wielen” hoefde te slapen.

Pas toen de koop rond was, veranderde de sfeer.

We hadden ze uitgenodigd om te komen kijken. Marijke had appeltaart gebakken en Henk had, heel Henk, een rolmaat meegenomen. Hij wilde weten of er wel vier stoelen om de tafel pasten. Els liep er langzaam doorheen, met één hand langs de kastjes. Ze zei dat het er netjes uitzag, maar ze keek niet alsof ze het leuk vond.

Aan tafel vroeg ze wanneer we voor het eerst weg wilden.

“Eind september,” zei Marijke. “Dan eerst zes weken. Misschien langer, als het bevalt.”

Els legde haar vork neer. Niet hard, maar ik hoorde het toch.

“Zes weken?”

Ik zei dat we nu eindelijk nergens meer rekening mee hoefden te houden. Achteraf had ik dat anders moeten zeggen. Het klonk alsof Henk en Els iets waren waar we vanaf moesten.

Henk keek naar buiten, naar onze achtertuin. “En wat moeten wij dan?”

Ik lachte nog een beetje, omdat ik dacht dat hij een grap maakte. “Nou ja, jullie kunnen gewoon langskomen als we er zijn. Of jullie komen een paar dagen mee, als jullie dat leuk vinden.”

Els zei: “Jij weet toch dat dat niet kan met mijn rug. En Henk redt die hoge instap ook niet meer zo makkelijk.”

Dat wist ik natuurlijk. Henk heeft sinds zijn knieoperatie goede en slechte dagen. Hij loopt nog prima naar de supermarkt, maar een paar kilometer door een stad is voor hem te veel. Els is de laatste jaren voorzichtiger geworden; één verkeerde beweging en ze heeft dagen pijn.

Daar ging het ook niet om, zei ik. We hoefden niet alles samen te doen.

Toen werd het stil. Marijke schonk koffie in, terwijl de kan nog halfvol was. Dat doet ze als ze ongemakkelijk wordt.

Een week later belde Els Marijke. Ik hoorde maar de helft, want Marijke zat in de bijkeuken met de deur dicht. Daarna kwam ze naar binnen met rode vlekken in haar hals. Ze zei dat Els had gevraagd of wij ons wel realiseerden dat dit juist de jaren waren waarin je elkaar nodig had. Dat Henk zich sinds zijn pensioen al zo nutteloos voelde. Dat zij iedere vrijdagavond op ons rekenden, en de zondagse koffie, en de vaste vakantie in juni.

Marijke zei: “Alsof we overlijden omdat we zes weken weggaan.”

Maar ik merkte dat het haar raakte. Mij ook, eerlijk gezegd.

Sindsdien is het niet meer echt normaal geweest. We zien elkaar nog wel, maar er hangt iets tussen ons in. Henk zegt dingen als: “Jullie zijn straks zeker te druk met jullie nieuwe leven.” Dan lacht hij erachteraan, maar niet op een manier waardoor het weg is.

Vorige vrijdag liep het mis. We zaten bij hen aan tafel. Stamppot andijvie, gehaktbal, precies zoals altijd. Henk had een paar biertjes op en zei dat hij het egoïstisch vond. Niet de camper zelf, zei hij, maar dat wij zomaar maanden konden verdwijnen nu zij minder makkelijk ergens heen konden.

Ik werd boos. Veel bozer dan ik had verwacht.

Ik zei dat ik mijn hele leven al rekening had gehouden met anderen. Met kinderen, ouders, werkroosters, een hypotheek, kapotte auto’s, mantelzorg. Dat ik niet van plan was om de rest van mijn gezonde jaren in de agenda van vier mensen vast te zetten omdat verandering blijkbaar als verraad voelde.

Els begon te huilen. Niet hard. Ze veegde gewoon telkens onder haar bril met een servet.

En toen zei ze iets waar ik nog steeds aan denk: “Wij vragen toch niet dat jullie nooit weggaan. We zijn gewoon bang dat jullie terugkomen en merken dat jullie ons niet meer nodig hebben.”

Dat vond ik oneerlijk, want nodig hebben is toch geen voorwaarde om vrienden te zijn. Maar ik snapte ook wat ze bedoelde. Hun wereld is kleiner geworden, terwijl de onze ineens groter dreigt te worden. Daar zit waarschijnlijk de pijn.

Ik heb die avond nog gezegd dat ze ons geen schuldgevoel moesten aanpraten. Dat was ook gemeen van mij, want ik weet niet eens of ze dat bewust doen. Henk bracht ons niet naar de deur zoals hij normaal altijd deed. Marijke en ik reden zwijgend naar huis.

De volgende ochtend heb ik Henk een bericht gestuurd. Geen heel verhaal. Alleen dat ik spijt had van mijn toon, maar niet van onze plannen. Hij antwoordde pas uren later: “Ik moet er nog aan wennen.”

Meer niet.

We vertrekken over vijf weken. Marijke is routes aan het opslaan die we waarschijnlijk toch niet volgen. Ik heb een opvouwbare stoel gekocht die achteraf te groot blijkt voor het luik. Dat soort gedoe. Tegelijk proberen we met Henk en Els af te spreken zonder dat het voelt als een afscheidsetentje.

We hebben aangeboden om iedere zondag te bellen. Els vond dat eerst onzin, want bellen is geen samen koffie drinken. Daar heeft ze gelijk in. Toch zei ze gisteren dat ze misschien een kleine reisgids van ons wil lenen, over de Moezel. Niet omdat ze mee wil, denk ik. Misschien gewoon om te kijken waar we straks zijn.

Ik weet niet of dit goedkomt zoals het vroeger was. Misschien is dat ook te veel gevraagd. Veertig jaar vriendschap verdwijnt niet door een camper, maar hij past blijkbaar ook niet zomaar meer in dezelfde vorm.

Vanmiddag ga ik de luifel nog een keer proberen op te zetten bij onze dochter. Daarna drinken we koffie bij Henk en Els. Gewoon koffie, zonder het meteen over september te hebben. Als dat tenminste lukt.