Mijn man boekte de jaarlijkse vakantie met onze vriendengroep alvast, inclusief de vriend van wie ik juist even afstand wilde
Ik wist dat er iets was toen ik op een dinsdagavond de afschrijving zag. Niet eens omdat het bedrag zo vreemd was, al is bijna vierduizend euro voor een vakantiehuis ook niet iets wat je over het hoofd ziet. Er stond alleen de naam van dat park bij, in Drenthe, waar we al jaren naartoe gaan.
Ik stond met mijn telefoon in mijn hand naast de aardappelen die ik net had afgegoten. Henk zat in de woonkamer naar het journaal te kijken, met zijn schoenen nog aan. Dat doet hij alleen als hij van plan is straks nog even naar de schuur te gaan, maar hij ging nergens heen.
Ik vroeg: “Heb jij het huis voor september al betaald?”
Hij keek niet eens meteen op. “Ja. Ik wilde er op tijd bij zijn. Vorig jaar was het gedoe met die slaapkamers.”
“Voor wie heb je geboekt?”
Toen keek hij wel op. En ik wist het eigenlijk al voordat hij antwoord gaf.
“Gewoon voor iedereen.”
Iedereen. Dus ook voor Karel.
We zijn met z’n achten, al sinds eind jaren tachtig. Henk kende Karel van de technische dienst bij de gemeente, ik kende zijn vrouw Els via hen. We waren jonge stellen toen, met kinderen die nog in de kinderwagens lagen. Eerst gingen we kamperen in Frankrijk, met van die lekke luchtbedden en blikken ravioli die je op een gammel gaspitje warm maakte. Later werden het huisjes in Nederland. Wat makkelijker, minder gedoe met de kleinkinderen die soms een paar dagen langskomen.
Het is nooit een spectaculaire groep geweest. We kaarten niet tot diep in de nacht en we doen niet alsof we nog dertig zijn. We wandelen, drinken ’s middags soms een biertje op een terras, koken om de beurt. Els maakt altijd te veel eten. Jan neemt ieder jaar dezelfde cd’s mee in een mapje, terwijl niemand meer een cd-speler heeft. Daar maken we dan grapjes over.
Juist omdat het zo gewoon is, is het altijd goed geweest.
Tot twee jaar geleden, toen Els overleed. Heel plotseling. Ze was nog maar 61. Een hersenbloeding, op zondagochtend. Karel belde Henk huilend op en zei alleen maar: “Ze is weg.” Ik hoor Henk soms nog die trap op rennen, twee treden tegelijk.
In het begin deden we wat je doet. Eten brengen. Meegaan naar de begrafenis. Appjes sturen. Karel uitnodigen op zondag. Hij wilde meestal niet, maar soms zat hij ineens bij ons aan tafel en at hij bijna niets. Hij werd stil, dun, verwaarloosde zichzelf een beetje. Zijn dochter heeft toen geregeld dat hij bij de huisarts terechtkwam. Hij kreeg hulp, antidepressiva, gesprekken. Hij heeft ook een paar weken in een kliniek gezeten, geloof ik. Niet opgenomen zoals vroeger werd gezegd, maar ik weet niet precies hoe het zat. Daar heeft hij nooit veel over verteld.
Ik vind het verschrikkelijk voor hem. Dat meen ik. Ik heb Els nog steeds in mijn telefoon staan. Ik kan haar nummer niet verwijderen.
Maar de vakantie vorig jaar was zwaar. Zwaarder dan ik achteraf durfde toe te geven.
Karel kwam wel mee, op aandringen van Henk en ook een beetje van ons allemaal. “Goed voor de afleiding,” zei Jan. Alsof een bos en een bungalow een depressie weg kunnen trekken.
De eerste avond ging nog. Karel zat buiten met een dekentje over zijn knieën terwijl het helemaal niet koud was. Hij zei dat het fijn was om er even uit te zijn. De volgende ochtend was hij niet beneden. Om half twaalf ook niet. Henk klopte aan. Karel zei dat hij hoofdpijn had.
Dat werd daarna het patroon. We hielden rekening met hem, wat logisch is. We deden rustig. Geen druk programma. Als we gingen wandelen, vroeg iemand of hij mee wilde, en als hij nee zei, keken we elkaar aan alsof we hem niet alleen mochten laten. Bij het eten viel er soms ineens een stilte, omdat Karel zei dat hij niet snapte waarom wij überhaupt nog moeite voor hem deden.
Een avond begon hij over Els. Dat mocht natuurlijk. Maar het ging niet over herinneringen aan haar. Hij zei dat zij waarschijnlijk teleurgesteld in hem zou zijn, dat hij voor iedereen een last was, dat het beter was geweest als hij die ochtend gewoon niet meer wakker was geworden.
Niemand wist wat hij moest zeggen. We zaten daar met borden op schoot, de vaatwasser nog open, en ik voelde mijn hart gewoon bonzen. Henk ging naast hem zitten. Jan haalde een fles wijn die niemand vervolgens opendeed.
De volgende ochtend deden we alsof we normaal ontbijt maakten. Broodjes afbakken. Koffie zetten. Karel was vriendelijk, zelfs wat opgewekt. Maar ik was kapot. Niet omdat ik hem niet gunde dat hij verdriet had. Ik was vooral bang dat er weer iets zou gebeuren en dat wij het zouden missen.
Thuis zei ik tegen Henk dat ik het volgend jaar anders wilde. Misschien een keer met z’n vieren weg, met Jan en Marijke. Of gewoon samen een week naar Terschelling. Niet als straf voor Karel. Niet omdat hij niet meer welkom mocht zijn in ons leven. Maar omdat ik merkte dat ik in die week geen vriendin meer was. Ik was voortdurend aan het opletten.
Henk werd toen boos op een manier die ik niet vaak bij hem zie.
“Dus als het lastig wordt, laat jij iemand vallen?” zei hij.
Dat vond ik gemeen. Misschien zei ik daarom ook iets gemeens terug. Ik zei dat het makkelijk praten was, omdat híj zich heldhaftig kon voelen terwijl ik degene was die Karel ’s nachts hoorde rondlopen en de volgende ochtend de sfeer probeerde te redden.
Daar schaam ik me nog steeds voor. Alsof sfeer belangrijker is dan iemand die zo diep zit. Zo bedoelde ik het niet. Maar ik wist niet hoe ik het anders uit moest leggen.
Sindsdien hebben we er steeds omheen gedraaid. In januari appte Marijke in de groepsapp al: “Zullen we weer iets prikken voor september?” Karel reageerde met een duimpje, pas twee dagen later. Henk schreef meteen dat hij wel zou zoeken.
Ik dacht dat we eerst nog zouden praten. Samen, thuis. Niet op zo’n moment tussen de aardappelen en het journaal door ontdekken dat hij allang geboekt had.
Hij zei dat hij bang was dat Karel het zou merken als we ineens kleiner gingen. “Hij heeft al het gevoel dat hij niemand tot last mag zijn. Wat denk je dat dit met hem doet?”
Ik vroeg of Henk ook had nagedacht over wat het met míj doet.
Toen werd hij stil. Niet schuldbewust, eerder koppig verdrietig. Hij zei: “Ik kan Karel niet nog een keer kwijtraken.”
Daar zat het natuurlijk. Niet alleen Karel. Ook Els. Henk mist haar op zijn eigen manier. Ze waren al vrienden voordat ik erbij kwam. Hij heeft na haar dood een keer gezegd dat hij zich schuldig voelde omdat hij de weken ervoor niet vaker bij Karel was langsgegaan. Alsof hij toen al had kunnen voorkomen wat er gebeurde.
Ik snap dat. Maar ik kan niet de oplossing zijn voor zijn schuldgevoel.
De boeking is niet terug te draaien zonder dat we veel geld kwijt zijn. Hij had een aanbetaling gedaan van zijn spaargeld, zei hij nog, alsof dat het minder erg maakte. De anderen weten het inmiddels. Iedereen heeft enthousiast gereageerd, ook Karel. Hij schreef: “Lief dat jullie me weer mee willen.” Met een hartje erachter. Karel gebruikt normaal nooit hartjes.
Ik heb daar drie dagen naar gekeken zonder iets te antwoorden.
Uiteindelijk heb ik alleen gezet: “Fijn Karel, ik hoop dat het een goede week wordt.” Meer kreeg ik niet uit mijn handen.
Vorige week heb ik Henk gezegd dat ik wel ga, maar niet weer de hele zorgrol op me neem. Als Karel het moeilijk heeft, hoeven we dat niet met acht mensen in een huis op te lossen. Dan bellen we zijn dochter, of hij neemt contact op met zijn behandelaar als dat nodig is. En als ik een middag alleen wil fietsen of in het huisje een boek wil lezen, ga ik dat doen zonder eerst te overleggen of het wel kan.
Henk knikte, maar ik zag aan hem dat hij het nog steeds als een soort verraad vindt. Misschien vindt hij dat ik me aanstel. Misschien vindt hij dat niet eens, maar kan hij er gewoon niet bij dat ik moe ben van iets wat hem vooral bang maakt.
Gisteren lag de informatiebrief van het park op tafel. Henk had met pen omcirkeld welke slaapkamer voor Karel het rustigst lag, aan het einde van de gang. Ik heb er niets van gezegd. Ik heb alleen de brief omgedraaid en de aardappels op het boodschappenlijstje gezet.
September lijkt nog ver weg, maar ik zie nu al op tegen de week. En tegelijk schaam ik me daar zo voor dat ik er met bijna niemand over praat.