Na veertig jaar vriendschap zei ik nee tegen de groepsreis, en nu voelt het alsof ik alles op het spel heb gezet

Ik heb het aanmeldformulier voor die reis nog steeds in mijn mail staan. Acht dagen Puglia, begin juni, met zestien mensen die ik voor een deel nauwelijks ken. Wijnproeverij, fietstocht door olijfgaarden, kookworkshop, gezamenlijke diners. Bijna drieduizend euro per persoon, exclusief de vlucht.

Bovenaan stond: “Fijn als iedereen meegaat, dan houden we de groep compleet.”

Dat zinnetje heeft me dagen dwarsgezeten. Niet eens vanwege dat geld, al vind ik drieduizend euro behoorlijk veel voor een vakantie waarop ik elke ochtend om half acht in een bus moet zitten. Het was vooral dat woordje “iedereen”. Alsof er geen mogelijkheid bestond dat iemand gewoon niet wilde.

Marijke en ik kennen Frank en Els sinds 1983. We woonden toen allebei in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, van die huizen waar de tuinen nog uit zand en een paar scheve coniferen bestonden. Onze oudste kinderen zaten bij elkaar in de klas. Frank hielp mij destijds met het behangen van de babykamer toen Marijke hoogzwanger was van onze tweede. Els zat naast Marijke in het ziekenhuis toen onze dochter met spoed geopereerd moest worden aan haar blindedarm.

We zijn samen naar Frankrijk geweest met een vouwwagen. We hebben verjaardagen, scheidingen van andere mensen, begrafenissen van ouders en onze eigen ongemakkelijke vijftigste verjaardagen met elkaar meegemaakt. Toen ik een paar jaar terug gedoe had met mijn hart, stond Frank de volgende ochtend met een tas boodschappen voor de deur. Dat vergeet ik niet.

Misschien maakt dat het juist zo lastig.

Frank en Els zijn vorig jaar allebei met pensioen gegaan. Hij werkte bij de gemeente, zij in het onderwijs. Ik ben al iets langer thuis, na mijn vervroegde pensioen bij een installatiebedrijf. Marijke werkt nog twee ochtenden in de week bij de bibliotheek, vooral omdat ze het leuk vindt en omdat ze anders te veel op mij zou zitten, zegt ze zelf.

In het begin vond ik het wel aanstekelijk, die energie van Frank en Els. Ze hadden een lijst gemaakt van dingen die ze “nu eindelijk” gingen doen. Padellen. Een elektrische fiets kopen. Elke maand naar een museum. Wandelweekenden. Vrijwilligerswerk bij de voedselbank. Cursussen Italiaans, hoewel Frank na drie lessen nog steeds alleen maar buongiorno en vino rosso zei.

Ze vroegen ons overal voor. Eerst zei ik meestal ja. Niet omdat ik overal zin in had, maar omdat het vertrouwd was. Op donderdag samen eten, op zondag fietsen, tussendoor een appje met: “Morgen even naar Utrecht? Er is een leuke expositie.”

Maar het bleef niet bij af en toe iets doen. Het werd een soort rooster waar je je doorheen moest werken.

Als ik op dinsdag zei dat ik die vrijdag liever thuisbleef, kwam er meteen: “Maar we zien jullie al zo weinig.” Terwijl we elkaar die week vaak al twee keer hadden gezien. Of Els stuurde iets als: “Je moet jezelf niet zo terugtrekken, Henk. Daar word je oud van.”

Dat zei ze waarschijnlijk half als grap. Maar ik merkte dat ik er boos van werd. Ik ben 67. Ik ben niet ziekelijk, ik zit niet de hele dag voor de televisie en ik hoef niet door iemand uit mijn stoel getrokken te worden om nog mee te tellen.

Ik wil soms gewoon na het eten de krant lezen. Een beetje rommelen in de schuur. Zonder plan op de fiets naar de Eem. Of met Marijke een serie kijken en om tien uur naar bed, zonder dat er eerst drie dagen in een groepsapp over gestemd moet worden.

Marijke voelde het ook, maar zij kon het minder goed loslaten. Zij en Els bellen elkaar soms drie keer per week. Els is ook degene die meteen merkt als Marijke ergens mee zit, nog voordat ik het doorheb. Toen Marijkes zus overleed, regelde Els praktisch de hele koffietafel na de uitvaart. Dat soort dingen wegen zwaar.

“Misschien moeten we gewoon wat selectiever zijn,” zei ik eens.

Marijke stond toen sperziebonen af te halen boven de gootsteen. Ze zei niets, maar ik zag haar schouders omhooggaan.

“Selectiever klinkt voor hen als afbouwen,” zei ze uiteindelijk. “En misschien ís het dat ook wel.”

De reis naar Puglia kwam ter sprake tijdens een etentje bij Frank en Els. Er waren nog twee andere stellen, mensen van de padelclub. De tafel stond vol schalen en Frank schonk al een derde ronde limoncello in terwijl het nog geen negen uur was.

Els vertelde enthousiast dat zij alles had uitgezocht. Iedereen zou dezelfde vlucht nemen vanaf Schiphol. Een paar mensen vonden het bedrag hoog, zei ze, maar ja, “je leeft maar één keer”.

Toen keek ze mij aan.

“Jullie gaan toch gewoon mee?”

Ik had mezelf voorgenomen er niet omheen te draaien. Dat doe ik vaak wel. Dan zeg ik dat ik het nog moet overleggen of dat ik eerst mijn agenda moet bekijken, terwijl ik allang weet dat ik niet wil.

Dus ik zei: “Nee, ik denk het niet. Het programma is me te vol en eerlijk gezegd vind ik het ook te duur voor wat het is.”

Er viel zo’n stilte die niet echt stil is. Iemand schoof een glas over tafel. Frank lachte kort, maar niet omdat hij iets grappig vond.

“Te vol? Je hoeft toch niet overal aan mee te doen?” zei Els.

“Als je met een groep reist, doe je in de praktijk wel overal aan mee,” zei ik. “En ik heb geen behoefte aan acht dagen een programma.”

Frank zei toen: “Je hebt tegenwoordig overal geen behoefte aan, Henk.”

Dat kwam harder binnen dan ik verwacht had. Misschien omdat er een kern van waarheid in zat. Ik heb inderdaad minder behoefte aan drukte dan tien, twintig jaar geleden. Alleen vond ik niet dat hij dat als verwijt mocht gebruiken.

Marijke probeerde nog te zeggen dat we misschien zelf later een paar dagen naar Zeeland wilden. Els keek haar aan alsof ze had gezegd dat we met kerst geen zin hadden in familie.

“Maar dit gaat toch niet alleen om een vakantie?” zei ze. “We proberen juist met elkaar dingen te blijven doen. Anders verwatert alles.”

Daarop zei ik iets wat ik beter anders had kunnen zeggen. “Als het alleen blijft bestaan doordat we op commando meegaan, dan is het blijkbaar al verwaterd.”

Ik zag Marijke bleek worden. Frank legde zijn servet neer en zei dat hij daar geen zin in had. De rest van de avond ging over voetbal, een nieuwe heup van iemand uit de straat en de parkeerchaos bij Schiphol. Alsof we allemaal hadden afgesproken dat er niets gebeurd was.

In de auto naar huis zei Marijke eerst helemaal niks. Bij een rood licht begon ze ineens te huilen. Niet hard, gewoon met haar gezicht naar het raam gedraaid.

“Ik snap je wel,” zei ze. “Echt. Maar je had niet zo hoeven zeggen dat het blijkbaar al verwaterd is.”

Daar had ze gelijk in. Ik was moe en geïrriteerd en wilde eindelijk eens niet meebuigen. Maar ik gooide daarmee wel iets op tafel wat zij nog helemaal niet wilde aanraken.

Sinds dat etentje is het anders. De groepsapp gaat door, maar Frank reageert op mijn berichten met een duimpje of helemaal niet. Els belt Marijke nog wel, al blijft het gesprek blijkbaar steeds hangen bij wie zich al heeft aangemeld voor Puglia. Marijke heeft twee keer gezegd dat ze niet meegaat. De tweede keer zei Els: “Jammer. Ik herken jullie bijna niet meer.”

Dat heeft Marijke dagenlang pijn gedaan. En mij ook, al doe ik daar stoerder over dan nodig is.

We hebben vorige week wel gewoon met z’n tweeën gefietst. Geen route, geen reservering voor lunch. We zijn bij Spakenburg gaan zitten met kibbeling uit een kartonnen bakje. Marijke keek op een gegeven moment naar haar telefoon en zei: “Ik heb Els niet teruggebeld.”

Ik zei dat dat niet hoefde als ze daar geen ruimte voor had.

“Maar ik wil haar ook niet kwijt,” zei ze.

Dat is het hele nare. Ik wil Frank en Els niet kwijt. Ik wil alleen niet het gevoel hebben dat ik mijn pensioen moet gebruiken om te bewijzen dat ik nog gezellig genoeg ben.

Het aanmeldformulier staat er nog. De deadline is overmorgen. Marijke heeft het niet verwijderd en ik ook niet. Misschien omdat we allebei hopen dat er nog een versie van deze vriendschap bestaat waarin niemand hoeft te winnen.