Na 38 jaar vriendschap zei ze dat we haar in de steek lieten omdat we niet drie dagen per week voor haar man wilden zorgen

Ik heb de foto van onze reis naar IJsland nog steeds op de koelkast hangen. Niet omdat die zo mooi is, al is hij dat wel. We staan er met z’n vieren op, met rode neuzen en veel te grote regenjassen, voor een waterval waarvan ik de naam alweer vergeten ben. Kees houdt een thermoskan vast alsof het een prijs is. Ria kijkt kwaad omdat Arjen net op het moment van de foto iets over haar capuchon zei.

We kennen Ria en Kees al achtendertig jaar. Onze oudste kinderen zaten bij elkaar in de kleuterklas in Amersfoort. Eerst was het koffie na het brengen, later verjaardagen, kamperen in Frankrijk, kerstbrunches, weekenden aan zee. Toen de kinderen uit huis gingen, bleven wij over. We hadden zelfs een vaste sleutel van hun huis, al weet ik niet eens meer wanneer dat begonnen is.

Dus toen Kees in november ineens benauwd werd en na allerlei onderzoeken te horen kreeg dat hij uitgezaaide longkanker had, voelde het niet alsof het iemand uit onze kennissenkring overkwam. Het voelde alsof er in onze eigen familie iets verschoof.

Kees was altijd degene die de barbecue te vroeg aanstak en daarna deed alsof dat de bedoeling was. Een brede man, luid lachen, altijd een mening over voetbal terwijl hij zelf al twintig jaar niet meer speelde. Binnen een paar maanden liep hij met een rollator door zijn eigen woonkamer. Bij de chemo was hij dagen misselijk. Soms was hij helder en grapte hij nog. Soms keek hij dwars door je heen, alsof hij te moe was om iemand te herkennen.

Ria nam alles op zich. Medicatie, afspraken in het ziekenhuis, bellen met de thuiszorg, eten dat Kees dan toch niet wilde, administratie, wassen. Ze werkte nog drie dagen per week bij een verzekeraar. Niet omdat ze zo dol was op haar werk, maar omdat ze pas een jaar eerder van minder uren weer naar bijna fulltime was gegaan. Hun hypotheek was niet helemaal afgelost en Kees had als zelfstandige nooit zo’n ruim pensioen opgebouwd als ze vroeger dacht.

In het begin hielpen we vanzelfsprekend. Arjen reed Kees een paar keer naar Meander. Ik bracht soep, deed boodschappen, zat eens een middag bij hem zodat Ria naar kantoor kon. Dat voelde niet als een opoffering. Je doet wat je doet.

Maar in februari belde Ria op een dinsdagavond. Ik stond net aardappels af te gieten. Arjen was boven, waarschijnlijk weer iets aan het uitzoeken voor onze camper. We hadden die een halfjaar eerder gekocht, tweedehands, niet luxueus of zo. Maar na alle jaren werken hadden we eindelijk het idee dat we konden gaan wanneer we wilden. Een paar weken naar Drenthe, misschien in het najaar naar de Elzas. Niet steeds plannen rond schoolvakanties, ouders of werkroosters.

Ria klonk vreemd rustig. Niet boos, eerder alsof ze een afspraak bij de tandarts wilde verzetten.

Ze zei dat ze een schema had gemaakt. Of wij maandag, woensdag en vrijdag konden komen. Van half negen tot een uur of vijf. Kees helpen met opstaan, zijn ontbijt klaarzetten, opletten met zijn medicatie, de was bijhouden en eventueel de wijkverpleging binnenlaten. Dan kon zij werken en één middag in de week ‘gewoon even niks hoeven’.

Ik weet nog dat ik naar het water in de pan keek en dacht: dit kan toch niet haar echte vraag zijn.

Ik zei dat we haar echt wilden helpen, maar drie hele dagen per week… dat we dat eerst met elkaar moesten bespreken. Ze zei: “Natuurlijk. Maar ik heb eigenlijk geen andere oplossing.”

Arjen zei meteen dat het te veel was. Hij zei het zachter dan dat, maar hij bedoelde het wel. Hij is 68 en heeft last van zijn knie. Ik ben 66, en sinds mijn darmoperatie van twee jaar geleden ben ik sneller moe dan ik graag toegeef. Bovendien wist ik niet of ik Kees wel veilig kon helpen als hij zou vallen, of wat ik moest doen als hij ineens heel benauwd werd. Ik ben geen verzorgende. Ria ook niet, natuurlijk, maar zij was zijn vrouw. Dat klinkt hard als ik het opschrijf.

We boden aan om elke woensdag te komen. Ik zou koken voor twee dagen. Arjen wilde ritten doen naar het ziekenhuis. We konden ook geld geven voor extra particuliere hulp, al wist ik niet precies hoeveel dat zou kosten. Ria zei dat ze geen geld van ons wilde. Ze wilde dat we er waren.

Het gesprek werd akelig zonder dat iemand echt schreeuwde.

“Dus jullie gaan straks met de camper weg terwijl ik hem hier alleen van bed naar wc probeer te krijgen?” vroeg ze.

Ik zei dat we helemaal niet van plan waren om nu zomaar weken weg te gaan. Dat we juist wilden kijken wat haalbaar was. Maar ik voelde al dat elk voorzichtig woord klonk als een excuus.

Ria zei toen: “Als het Arjen was, zou ik het niet eens hoeven vragen.”

Daar ben ik nog steeds boos om, al schaam ik me ook dat ik boos ben. Want misschien heeft ze gelijk. Misschien zou zij zonder aarzelen haar plannen afzeggen en hier drie dagen per week staan. Ria is altijd iemand geweest die doorgaat. Toen haar moeder dement werd, regelde zij alles naast haar baan en haar gezin. Wij zeiden toen vaak dat ze beter voor zichzelf moest zorgen. Nu zij dat blijkbaar niet meer kan, komen wij met grenzen aanzetten.

Arjen nam de telefoon van me over. Hij zei dat vriendschap niet betekende dat je iemands complete zorgsysteem werd. Dat de huisarts, de wijkverpleging en misschien de casemanager palliatieve zorg mee moesten denken. Het waren verstandige woorden. Ook hele kille woorden, op dat moment.

Ria antwoordde dat instanties geen vriend zijn. “Jullie zijn onze mensen,” zei ze. Daarna hing ze op.

De dagen daarna stuurde ik berichten. Of ze gegeten had. Of ik zaterdag kon komen schoonmaken. Geen antwoord. Kees stuurde één keer zelf een duimpje terug op een foto die Arjen hem had gestuurd van de camper. Verder bleef het stil.

Twee weken later kregen we een lange app van Ria. Ze schreef dat ze nu wist wat onze vriendschap waard was zodra het ongemakkelijk werd. Dat wij decennia lang hadden meegeprofiteerd van hun gastvrijheid en dat we nu, op het enige moment dat zij ons werkelijk nodig had, onze vrijheid belangrijker vonden. Ze eindigde met dat ze geen halve hulp en geen medelijden wilde. Als we niet bereid waren er echt te zijn, hoefden we volgens haar helemaal niet meer te komen.

Ik heb die app wel twintig keer gelezen. Eerst wilde ik terugschrijven dat ze oneerlijk was. Dat wij óók verdriet hebben om Kees. Dat zij niet kan bepalen hoe onze pensioenjaren eruitzien. Dat drie dagen per week geen klein verzoek is, maar praktisch een baan. Daarna wilde ik alleen maar mijn jas aantrekken, naar haar toe rijden en zeggen: prima, ik blijf morgen de hele dag.

Ik heb uiteindelijk niks gestuurd. Arjen vond dat we haar ruimte moesten geven. Misschien had hij gelijk. Misschien gebruikt hij dat ook omdat hij bang is dat één dag helpen alsnog drie dagen wordt. Dat verwijt ik hem soms, terwijl ik precies dezelfde angst heb.

Vorige week belde de dochter van Ria en Kees. Zij woont in Zwolle, heeft zelf twee pubers en kan niet zomaar telkens komen. Ze zei dat er inmiddels meer thuiszorg is geregeld en dat haar moeder uitgeput is. Niet boos, zei ze, vooral op. Ze vroeg of we misschien zondagmiddag even langs wilden gaan, maar wel pas na twee uur omdat Kees dan meestal slaapt.

Ik heb ja gezegd. Arjen ook.

Zondag staat nog niet eens in mijn agenda, wat vreemd is, want ik ben iemand die zelfs een tandartscontrole meteen opschrijft. De camper staat sinds februari stil op de oprit. Soms kijk ik ernaar en krijg ik een steek van schuld, alsof dat ding het bewijs is dat we egoïstisch zijn.

Tegelijk weet ik dat ik Ria niet kan beloven wat zij van ons vroeg. Niet omdat Kees me niets waard is. Juist omdat ik bang ben dat ik het niet volhoud, dat ik fouten maak of dat ik langzaam boos word op twee mensen van wie ik zo veel houd.

Ik heb voor zondag een pan hachee gemaakt. Veel te veel, zoals altijd. Misschien eten we hem samen. Misschien doet Ria de deur niet open. Ik weet het echt niet.