“Je kunt haar toch niet alleen laten?” zei mijn vrouw, terwijl ik onze voordeur op slot deed
“Je gaat nu toch niet weg?”
Anja stond met haar hand om de deurklink van onze bijkeuken. Haar jas hing al over haar arm, maar haar pantoffels stonden nog naast de verwarming. Het was kwart voor elf op een dinsdagavond. Buiten sloeg de regen tegen de ramen van ons rijtjeshuis in Amersfoort.
Marijke keek mij aan alsof ik iets verschrikkelijks had gezegd.
“Ik zeg alleen dat ze morgen thuiszorg krijgt,” zei ik zacht. “En dat we om acht uur naar de tandarts moeten.”
Anja’s gezicht trok wit weg. “Thuiszorg zet koffie en vertrekt weer. Willem is al vier maanden dood, Henk. Vier maanden. Iedereen denkt dat het dan wel weer een beetje gaat.”
Dat laatste kwam hard binnen. Willem was mijn beste vriend geweest sinds 1981. We leerden elkaar kennen bij de voetbalclub, toen we allebei nog in een fabriek werkten en dachten dat zestig jaar oud ongeveer hetzelfde was als stokoud. We gingen met de kinderen kamperen in Drenthe, hielpen elkaar verhuizen, zaten bij elkaars ouders aan het sterfbed. Hij was de enige die wist hoe bang ik was geweest toen Marijke borstkanker had.
Toen hij vorige herfst onverwacht aan een hartstilstand overleed, beloofde ik bij zijn graf dat we Anja niet zouden laten vallen.
Ik wist alleen niet dat die belofte ons huis zou binnendringen.
In het begin voelde het vanzelfsprekend. Marijke haalde Anja op voor boodschappen. Ik maaide haar gras. Op zondag at ze bij ons stamppot, want alleen koken vond ze “zinloos”. We luisterden naar haar verhalen over Willem. Vaak dezelfde verhalen. Ik luisterde, echt. Soms lachten we zelfs.
Maar daarna bleef ze slapen. Eerst omdat het stormde. Toen omdat haar cv-ketel een vreemd geluid maakte. Daarna omdat ze wakker was geworden en dacht dat Willem beneden riep.
Marijke legde zonder nadenken een schoon dekbed klaar in onze logeerkamer. “Het is maar voor vannacht,” zei ze steeds.
Alleen werd ‘voor vannacht’ twee nachten. Toen drie.
Op een ochtend zat Anja in mijn stoel aan de eettafel, met mijn krant voor zich. Ze had de cryptogrambladzijde al ingevuld. Dat deed Willem altijd samen met mij op zaterdag. Een onbenullig ritueel misschien, maar ineens voelde het alsof iemand met natte schoenen over mijn herinneringen liep.
“Je hebt 7 horizontaal fout,” zei ze, zonder op te kijken.
Ik zei niets. Marijke schopte onder tafel tegen mijn voet. Zo van: doe normaal, ze bedoelt het niet zo.
Die avond barstte het tussen ons los.
“Je doet koud tegen haar,” zei Marijke in de slaapkamer. Ze trok de gordijnen dicht met korte, boze bewegingen. “Alsof rouw besmettelijk is.”
“Dat is het niet. Maar ik ben ook geen hotelhouder.”
“Ze heeft niemand meer.”
“Ze heeft een dochter in Zwolle, een zus in Zeist, de kerk, haar buurvrouw. En ons. Maar wij hoeven toch niet haar hele leven over te nemen?”
Marijke draaide zich om. Haar ogen stonden vol tranen, maar ook vol woede. “Willem zou dit voor ons gedaan hebben.”
Dat was het gemene ervan. Ze had gelijk. Als mij iets was overkomen, zou Willem waarschijnlijk elke dag bij Marijke op de stoep hebben gestaan. Misschien had hij zelfs een sleutel van ons huis gehad.
Maar ik was niet Willem. En ik wilde niet dat mijn pensioen bestond uit fluisteren in mijn eigen keuken omdat Anja boven lag te slapen.
De week erna kwam ze zonder te bellen. Ik had net mijn trainingsbroek aan en wilde naar de sportschool. Marijke was naar haar zus. Anja stond voor de deur met een plastic tas, haar ogen rood en gezwollen.
“Ik kon niet in dat huis blijven,” zei ze. “Alles ruikt nog naar hem.”
Ik liet haar binnen. Natuurlijk liet ik haar binnen.
Ze ging op de bank zitten en begon te huilen. Eerst stil. Daarna met van die schokken door haar hele lijf. Ik zette thee, legde een plaid over haar knieën en belde Marijke. Na drie uur zei Anja: “Ik blijf vannacht wel hier, hè?”
Niet: mag het? Niet: komt het uit?
Gewoon: ik blijf.
Ik keek naar de klok. Naar de tas op de grond. Naar Willem op de foto boven de kast, lachend met een biertje in zijn hand tijdens onze vakantie in Limburg.
Toen zei ik iets waar ik me nog steeds voor schaam en tegelijk ook niet.
“Anja, je mag altijd bellen. We eten vrijdag samen, zoals afgesproken. Maar vannacht niet. Ik breng je naar huis en ik blijf nog even bij je totdat je dochter er is.”
Ze keek me aan alsof ik haar een klap gaf.
“Dus ik ben te veel geworden.”
“Nee,” zei ik. “Je verdriet is te veel om alleen door ons tweeën gedragen te worden.”
Marijke sprak drie dagen nauwelijks tegen me. Toen Anja uiteindelijk belde om excuses te maken, huilde Marijke aan de telefoon harder dan Anja. We hebben nu vaste afspraken: twee avonden per week eten, één ochtend wandelen, en als het echt niet gaat, bellen we eerst. Geen tas meer zomaar bij de deur. Geen stilzwijgende logeerpartijen.
Het klinkt zakelijk. Misschien is het dat ook. Maar sinds die afspraken is Anja weer voorzichtig naar haar rouwgroep gegaan. Haar dochter komt vaker. En Marijke en ik drinken soms weer koffie in stilte, zonder dat die stilte meteen gevuld moet worden.
Toch denk ik nog vaak aan Willem. Had hij mij egoïstisch gevonden? Of had hij juist gezegd: “Goed zo, jongen. Zorg ook een beetje voor jezelf”?
Waar ligt volgens jullie de grens, als een vriend in rouw langzaam een plek in je hele leven begint in te nemen?