Na veertig jaar vriendschap wil ik voor het eerst niet meer mee

Ik heb drie dagen naar een appje gekeken voordat ik het aan Pieter liet zien. Niet omdat het zo ingewikkeld was, eigenlijk. Er stond gewoon een foto bij van een wit hotel aan een blauwe zee, ergens op Kreta, met daaronder: “Ik heb alvast een optie genomen voor ons vieren! Twee weken in september. Dit is echt precies wat we nodig hebben.”

Daarna kwamen de bedragen.

€ 2.340 per stel, exclusief lunches en excursies. En dan nog een regel: “Wel graag deze week bevestigen, anders vervalt de optie.”

Het appje was van Marijke. Mijn vriendin sinds 1985. Of, nou ja, vriendin. Dat woord voelt de laatste tijd zwaarder dan vroeger.

Pieter en ik leerden haar en Koos kennen op een camping in Frankrijk, toen onze kinderen nog klein waren en iedereen nog met van die opvouwbare stoelen voor de tent zat. Zij hadden twee jongens, wij een dochter en een zoon. We hadden meteen contact. Koos kon overal een gesprek van maken en Marijke was toen juist degene die zei: “Laat maar, we zien wel.”

Daarna werden we een vast clubje. Zaterdagavond eten, eerst om de beurt bij elkaar thuis en later vaker in een restaurantje. We gingen wandelen, we fietsten, we hadden jaren een seizoenkaart voor een klein theater in de buurt. Als er iets was met de kinderen, als een ouder overleed, als iemand een andere baan kreeg: we wisten het van elkaar.

Ik heb nooit gedacht dat zoiets kon gaan knellen zonder dat er één groot verschrikkelijk ding gebeurde.

Marijke stopte twee jaar geleden met werken. Ze was teamleider bij een zorginstelling en ik denk dat ze het lastig vond dat niemand meer op haar wachtte met vragen en planningen. Dat begrijp ik ook wel. Ik werk zelf nog twee ochtenden per week bij de bibliotheek, meer voor de gezelligheid dan voor het geld, al is dat geld inmiddels ook gewoon prettig.

In het begin zei Marijke steeds dat ze eindelijk tijd had. Tijd om te leven, zei ze dan. Binnen een paar maanden kwam er een gedeelde agenda voor ons vieren. Eerst als grapje. Toen stonden er opeens dingen in zonder dat iemand iets gevraagd had.

“Donderdag nieuwe tentoonstelling in Zwolle.”

“Zondag om tien uur fietsen, neem brood mee.”

“Vrijdag eten bij De Linde, ik heb gereserveerd.”

Als ik zei dat ik niet kon, kwam er bijna altijd iets terug als: “Jammer, maar we hadden juist gedacht dat jij dit leuk zou vinden.” Of: “Dan moeten we het weer helemaal omgooien.”

Het stomme is dat ik vaak tóch ging. Niet omdat ik wilde, maar omdat ik geen zin had in dat gedoe eromheen. En soms was het ook gewoon best gezellig. Daar zit precies mijn verwarring. Marijke is niet ineens een monster geworden. Ze kan ook nog steeds ontzettend lachen, ze weet precies hoe ik mijn koffie drink en toen mijn zus vorig jaar geopereerd werd, stond ze met een pan lasagne voor de deur.

Maar ik ben me bij haar gaan gedragen alsof ik toestemming nodig heb.

Vorige maand zaten we bij hen aan tafel. Koos had draadjesvlees gemaakt, dat moet ik hem nageven. Marijke vertelde dat ze ons had opgegeven voor een cursus keramiek. Acht woensdagavonden.

Ik zei: “Maar op woensdag pas ik soms op Noor.” Dat is mijn kleindochter. Niet iedere week, maar ik wil die ruimte gewoon hebben.

Marijke keek me aan alsof ik had gezegd dat ik niet van haar eten hield.

“Je kunt toch één avond in de week vrijhouden? Het is juist goed om iets samen te doen.”

Pieter zei niets. Hij sneed zijn vlees wat kleiner. Koos begon over de parkeerplaats bij het buurthuis.

In de auto naar huis zei ik dat ik die cursus niet wilde.

Pieter zuchtte meteen. Niet boos, meer moe. “Anja, je hoeft toch niet overal zo’n punt van te maken? Marijke regelt dingen. Dat doet ze altijd al een beetje.”

“Niet altijd. En ik maak er geen punt van. Ik wil alleen niet dat er voor mij beslist wordt.”

“Dan ga je een keer niet. Maar ga nu niet doen alsof onze hele vriendschap verkeerd is.”

Daar werd ik zo kwaad van dat ik de rest van de rit niets meer zei. Alsof ik degene was die iets kapot wilde maken, terwijl ik juist al maanden aan het meebuigen was.

Sinds dat gesprek is het thuis ook stiller op dit onderwerp. Pieter en ik hebben een goed huwelijk, denk ik. We zijn geen stel dat uren praat over gevoelens. We lossen meestal dingen op door iets te doen: een kast verven, naar de bouwmarkt, even bij de kinderen langs. Pieter heeft ook niet veel andere vrienden. Hij kent mensen van zijn oude werk en van de tennis, maar Koos is zijn echte maat. Ze vissen samen, kijken voetbal, kunnen eindeloos ouwehoeren over gereedschap dat ze allebei niet nodig hebben.

Ik snap dus best dat hij bang is om dat kwijt te raken.

Maar ik ben bang dat ik mezelf kwijtraak in iets wat voor iedereen blijkbaar zo vanzelfsprekend is.

Gisteren vroeg Pieter aan tafel of ik Marijke al geantwoord had over Kreta. Ik zei nee.

Hij legde zijn vork neer. “Ik vind het echt overdreven dat je hier zo moeilijk over doet. We kunnen het betalen. We zijn gezond. Over een paar jaar weet je niet eens of we dit nog kunnen.”

Dat raakte me, juist omdat het waar kan zijn. We zijn 66 en 68. Je gaat op een bepaalde leeftijd toch rekenen in zomers, ook al spreek je dat niet uit.

Ik zei: “Ik wil best op vakantie. Alleen niet op een vakantie die Marijke voor mij uitzoekt, met een planning waar ik pas achter kom als er al een optie ligt.”

“Je weet hoe zij is.”

“Ja. En jij weet hoe ik me daarbij voel.”

Hij keek weg en zei toen iets wat ik nog steeds in mijn hoofd hoor: “Je bent de laatste tijd gewoon te gevoelig.”

Misschien ben ik dat ook. Ik ben sneller moe dan vroeger. Ik heb minder zin om elke vrije avond in te vullen. Soms wil ik gewoon op zaterdag in mijn pyjama blijven tot elf uur, de krant lezen en pas daarna besluiten of ik naar buiten ga. Het is niet eens dat ik eenzaam wil zijn. Ik wil weer kunnen kiezen.

Vanmiddag heb ik Marijke geappt dat wij niet meegaan naar Kreta. Eerst schreef ik een heel verhaal: dat het bedrag hoog is, dat we andere plannen willen, dat ik het fijn had gevonden als ze het vooraf had overlegd. Toen heb ik bijna alles weggehaald.

Er staat nu: “Lieve Marijke, dank voor het uitzoeken, maar Pieter en ik gaan deze keer niet mee. Ik wil graag later zelf iets plannen als we daar zin in hebben.”

Pieter weet nog niet dat ik het verstuurd heb. Hij is boodschappen doen. Marijke heeft het wel gelezen; de twee blauwe vinkjes staan er al bijna een uur.

Ik zit aan de keukentafel met een kop thee die koud is geworden. Over een halfuur komt Noor uit school en dan gaan we waarschijnlijk pannenkoeken bakken, als haar moeder het goedvindt. Mijn telefoon ligt met het scherm naar beneden naast mijn hand.

Ik heb geen idee of Marijke boos wordt, gekwetst, of alsof er niets aan de hand is meteen een ander plan stuurt. Misschien komt Pieter thuis en krijgen we ruzie. Misschien gaan Koos en hij straks zonder ons vieren. Dat zou ik hem nog het naarst vinden, geloof ik.

Maar voor het eerst sinds lange tijd voel ik, onder alle spanning door, ook iets van opluchting. Niet veel. Meer een klein beetje ruimte aan tafel.