Sinds Kees ziek is, voelt onze vriendschap soms als een rooster dat nooit ophoudt

De afgelopen zondag hebben Hans en ik tot half elf in onze pyjama gezeten. Dat klinkt misschien kinderachtig, maar voor ons was het bijna bijzonder. Geen tas met boodschappen bij de deur. Geen telefoon die afging omdat er iets met de medicijnen was. Geen ritje naar het ziekenhuis in Utrecht omdat Kees zich te beroerd voelde om zelf te rijden.

Alleen koffie, de zondagskrant en regen tegen het raam.

Om kwart over tien belde Marjan toch.

Ik zag haar naam op mijn scherm en voelde direct iets samenknijpen in mijn buik. Niet omdat ik niet van haar houd. Juist daarom misschien. Ik nam niet op. Hans keek op van zijn krant, zag mijn gezicht en zei niets. Na een tijdje ging mijn telefoon weer stil.

Ik ben 63, sinds vorig voorjaar met pensioen, en ik had me mijn tijd eerlijk gezegd anders voorgesteld. Niet groots hoor. Een paar dagen met de camper weg, oppassen op onze kleindochter Noor als onze dochter daarom vroeg, weer aquarellen zoals ik vroeger deed. Gewoon een beetje zelf bepalen hoe een week loopt.

Kees en Marjan kennen we sinds 1987. We woonden toen allebei in dezelfde nieuwbouwwijk in Nieuwegein, van die huizen met zand waar je maandenlang overal korrels van terugvond. Onze zoons zaten bij elkaar in de klas. Eerst dronken we koffie bij het schoolplein, later gingen we kamperen in Frankrijk, vierden we verjaardagen samen en hielpen we elkaar verhuizen. Toen Hans een tijd zonder werk zat na de reorganisatie bij zijn bedrijf, heeft Kees hem aan een tijdelijk klusproject geholpen. Toen Marjan haar moeder naar een verpleeghuis moest, kookte ik wekenlang extra voor haar.

Het was nooit rekenen. Dat was juist het fijne. Als de een iets nodig had, deed de ander wat hij kon.

Drie jaar geleden kreeg Kees de diagnose COPD, ernstig. Hij had al langer last van benauwdheid, maar hij was zo iemand die bleef zeggen dat het door zijn conditie kwam en dat hij maandag echt zou stoppen met roken. Inmiddels rookt hij niet meer, gelukkig. Maar hij is snel uitgeput, raakt in paniek als hij geen lucht krijgt en heeft slechte dagen waarop zelfs douchen te veel is.

In het begin vonden Hans en ik het vanzelfsprekend dat we hielpen. Hans bracht Kees naar afspraken bij de longarts. Ik ging mee met Marjan naar de apotheek als ze door alle inhalers en wijzigingen het overzicht kwijt was. We haalden boodschappen als Kees een longaanval had gehad. Daar denk ik nog steeds niet anders over.

Alleen werd het langzaam iets anders.

Marjan belde steeds vaker, soms drie of vier keer op een dag. Niet altijd omdat er iets acuut was. Dan was Kees somber. Of hij wilde niet eten. Of Marjan durfde even niet naar boven omdat hij zo kortademig klonk. Ik heb begrip voor haar, echt. Ze is al jaren degene die alles opvangt. Maar op een gegeven moment wist ik dat als ik opnam, ik minstens drie kwartier aan de telefoon zou zitten terwijl zij huilde en Kees op de achtergrond de televisie hard had staan.

Hans ging er nog verder in dan ik. Hij deed alsof het hem weinig kostte. “Ik ben toch vrij,” zei hij dan. “Wat moet ik anders?”

Maar hij kwam steeds vaker zwijgend thuis. Zijn jas bleef dan aan de kapstok hangen, terwijl hij normaal meteen zijn schoenen uitdeed. Een keer had hij zes uur bij hen gezeten omdat Kees niet alleen wilde zijn terwijl Marjan naar de tandarts moest. Zes uur. Hans had daar op een krukje in de keuken gezeten, want Kees wilde niet dat hij in de woonkamer kwam stofzuigen of iets veranderde. Hij wilde alleen dat Hans er was.

Ik zei: “Dit is niet vol te houden.”

Hans werd boos, wat hij bijna nooit wordt. “Dus ik moet hem dan alleen laten als hij bang is?”

“Dat zeg ik niet. Maar wij zijn niet zijn zorgplan.”

Die zin vond ik zelf hard klinken. Hij bleef ook tussen ons in hangen. Hans keek me aan alsof ik iets afpakte wat voor hem belangrijk was. Kees was zijn vriend vanaf hun vijfentwintigste. Ze hadden samen voetbal gekeken, samen aan onze keukentafel zitten vloeken op hun puberzonen, samen de begrafenis van Hans’ vader geregeld toen Hans zelf helemaal dichtklapte.

Toch merkte ik dat ik begon te liegen. Als Marjan vroeg of ik even kon langskomen, zei ik soms dat ik weg moest, terwijl ik thuis mijn was stond op te vouwen. Ik zette mijn telefoon op stil als ik naar yoga ging. Daarna voelde ik me schuldig, en belde ik alsnog terug met een overdreven opgewekte stem.

De thuiszorg is wel een paar keer genoemd. Ook een wijkverpleegkundige, en hulp via de huisarts. Marjan had daar best voor open gestaan, denk ik. Maar Kees niet. Hij zei dat er dan vreemde mensen door zijn huis zouden lopen en dat hij geen nummer wilde worden. Hij vond dat ze hem bij het ziekenhuis al genoeg van het kastje naar de muur stuurden.

“Bij jullie hoef ik niks uit te leggen,” zei hij eens tegen Hans.

Daar zat natuurlijk iets liefs in. Maar ook iets waar ik van schrok. Want wat hij eigenlijk zei, was: jullie zijn makkelijker dan hulp regelen die ik niet wil.

Het liep echt mis rond Hemelvaart. Hans en ik zouden vier nachten met de camper naar Zeeland gaan. Niets bijzonders, gewoon naar een kleine camping bij Veere waar we vroeger ook al kwamen. We hadden al broodjes gereserveerd voor de eerste ochtend, belachelijk misschien, maar ik keek er enorm naar uit.

Twee dagen voordat we zouden vertrekken, belde Marjan. Kees had een slechte week. Niet opgenomen, geen spoed, maar hij was benauwd en angstig. Of Hans dat weekend misschien in de buurt kon blijven. “Je weet hoe hij wordt als jij er bent,” zei ze.

Hans zei meteen dat we konden annuleren.

Ik weet nog dat ik bij het aanrecht stond met een zak sperziebonen in mijn handen. Ik zei veel te fel: “Nee. Dit weekend niet.”

Hans keek me aan. Marjan kon het waarschijnlijk horen, want het werd stil aan de andere kant.

Ik nam de telefoon van hem over. Mijn hand trilde. Ik zei tegen Marjan dat we van Kees hielden, dat we echt wilden meedenken, maar dat we niet elk weekend beschikbaar konden zijn. Dat Hans niet de enige persoon kon blijven die Kees geruststelde. Ik zei ook dat zij maandag de huisarts moest bellen om te bespreken welke ondersteuning mogelijk was.

Marjan zei: “Dus als het moeilijk wordt, gaan jullie lekker weg.”

Daarna zei ik niets meer wat nog hielp. Ik begon over hoe vaak we al waren gekomen. Over onze plannen. Over dat ik ook moe was. Het klonk alsof ik een administratie bijhield, terwijl ik juist altijd trots was geweest dat wij zo niet waren.

Kees heeft later zelf een bericht gestuurd naar Hans: dat hij niet had verwacht dat oude vrienden hem zouden laten vallen nu hij ziek was. Hans heeft daar twee dagen niet op gereageerd. Hij was boos op Kees, maar ook op mij. Niet schreeuwend. Dat was bijna erger. Hij vroeg alleen of ik begreep hoe vernederend het voor Kees moest zijn om hulp nodig te hebben.

Ik zei dat ik dat heus begreep. Maar dat ik niet wist wanneer mijn leven ineens minder waard was geworden dan hun angst.

We zijn uiteindelijk wel naar Zeeland gegaan. Op de tweede avond zat Hans buiten bij de camper voortdurend op zijn telefoon te kijken. Ik deed alsof ik de puzzel in de Libelle maakte. We hadden wind, natte handdoeken en één keer een visje gehaald dat veel te duur was. Het was niet ontspannen zoals ik had gehoopt. Maar we waren er wel.

Sindsdien is het stroef. Hans gaat nog steeds naar Kees, alleen minder vaak en meestal op vaste middagen. Marjan belt mij nauwelijks meer. Vorige week stuurde ze een foto van een folder van een organisatie voor ondersteuning thuis, zonder tekst erbij. Ik heb alleen een hartje teruggestuurd. Meer wist ik niet.

Vanmorgen belde ze opnieuw. Ik heb haar na een uur teruggebeld. Kees had slecht geslapen, maar er was niets aan de hand. We praatten tien minuten over de regen, over Noor die naar groep zes gaat, over haar buurvrouw die haar kliko steeds verkeerd neerzet.

Aan het eind zei Marjan: “Jullie gaan toch binnenkort weer met de camper?”

Ik zei ja.

Ze zei: “Nou. Veel plezier dan.”

Ik kon niet horen of ze het meende. Misschien weet ik dat zelf ook niet meer.