Na veertig jaar vriendschap zei ik voor het eerst nee tegen Els

De foto van onze reis naar Portugal staat nog steeds als achtergrond op mijn telefoon. Daarop zitten Kees en ik met Henk en Els aan een plastic tafeltje bij de haven in Tavira. Vier glazen vinho verde, zonnebrillen op, allemaal net iets te rood van de zon. Henk maakt een rare bek met een sardientje op zijn vork.

Ik kan er niet goed meer naar kijken zonder dat ik denk: toen wisten we nog niet dat er iets aan het verschuiven was.

We kennen Henk en Els al sinds 1982. Onze kinderen zaten bij elkaar op zwemles, daarna kwamen de zaterdagavonden. Eerst met ranja en chips op de grond, later met wijn en de kinderen die boven zaten te gamen. We gingen elk jaar een weekend weg, meestal naar een huisje in Drenthe of Limburg. Toen Kees vervroegd stopte bij de gemeente en ik mijn baan in de apotheek afbouwde, zeiden we lachend dat we eindelijk tijd zouden hebben voor onze “viermans-bejaardenclub”.

Henk was altijd degene die alles onthield. Verjaardagen, afritten, welk restaurant in Zwolle goede saté had. Juist daarom viel het op toen hij tijdens een etentje drie keer vroeg of onze dochter inmiddels weer werk had. Els deed alsof het niets was. “Hij heeft gewoon veel aan zijn hoofd.”

Een halfjaar later belde ze me op een dinsdagmiddag. Ik stond net met mijn jas aan om naar yoga te gaan.

“Marianne, Henk is de weg kwijtgeraakt naar de Albert Heijn.”

Die supermarkt ligt letterlijk op vijf minuten lopen van hun huis.

Daarna ging het sneller dan ik had verwacht, al zegt iedereen bij dementie volgens mij altijd dat het langzaam gaat. Er kwamen afspraken bij de huisarts, geheugenpoli in het ziekenhuis, gesprekken met een casemanager. Henk kon op sommige dagen nog heel helder zijn. Dan belde hij Kees om te vragen of hij mee ging fietsen en klonk hij precies als vroeger. Op andere dagen wist hij niet meer waarom zijn portemonnee in de koelkast lag en werd hij boos als Els hem hielp.

In het begin hielpen we vanzelf. Kees ging een keer mee naar het ziekenhuis, omdat Els niet durfde te rijden op de ring van Utrecht. Ik kwam bij hen eten maken toen Els na een nacht met bijna geen slaap in tranen aan de keukentafel zat. Dat voelde niet als een opoffering. Dat doe je voor mensen die al veertig jaar bij je leven horen.

Maar zonder dat er ooit iets echt werd afgesproken, werden we onderdeel van hun zorgrooster.

Els appte ’s ochtends vroeg of ik Henk die middag een uurtje wilde meenemen, “gewoon even naar de markt, dan kan ik douchen en het huis doen”. Ze vroeg of Kees bij een gesprek kon zitten, want Henk luisterde beter naar een man. Als ze naar de kapper moest, ging ik erheen. Als Henk onrustig was, belde ze Kees, ook als wij net aan tafel zaten.

Het lastige was dat ze het nooit dwingend vroeg. Ze schreef dan: “Als het echt niet kan, snap ik het hoor.” Maar daarna volgde vaak een foto van Henk die op de bank zat, met daaronder: “Hij is vandaag zo verdrietig.”

Ik begon mijn telefoon om te draaien als we ergens waren. Daar schaamde ik me voor. Wie doet dat nou als een vriendin het zwaar heeft?

Kees werd stiller. Hij zei weinig, maar ik merkte dat hij al zuchtte wanneer mijn telefoon piepte. Op een zondag zouden we naar onze zoon in Amersfoort gaan, die net een andere baan had en voor ons wilde koken. Een uur voordat we weg moesten, belde Els. Henk wilde absoluut niet mee naar de verjaardag van zijn broer en zij durfde hem niet alleen te laten.

Kees zei dat hij wel even langs kon gaan.

“Even” werd vijf uur. Onze zoon had de lasagne ingevroren en zei aan de telefoon dat het niet erg was. Dat maakte het juist erger.

Die avond kregen Kees en ik ruzie. Niet hard, niet met deuren slaan. Dat soort ruzies zijn soms overzichtelijker. Hij zei alleen: “Wij zijn geen tweede hulpdienst, Mar.”

Ik antwoordde dat Els niemand anders had.

“Dat is niet waar. Ze heeft haar kinderen, haar zus, thuiszorg die ze kan aanvragen, die casemanager. Maar het is makkelijker om ons te bellen.”

Ik vond dat hard. Tegelijk wist ik dat hij niet helemaal ongelijk had. Els’ dochter woont in Groningen en haar zoon werkt veel in het buitenland. Haar zus heeft slechte knieën en zegt bij alles dat ze het emotioneel niet aankan. Els was bang om professionele hulp binnen te laten, omdat Henk daar volgens haar alleen maar onrustiger van werd.

Dus bleven wij over.

In januari hadden Kees en ik eindelijk die reis naar Portugal geboekt. Drie weken, in april. Geen groepsreis, gewoon een appartementje en een huurauto. We hadden er twee jaar over gepraat en steeds uitgesteld: corona, gedoe met mijn knie, een lekkage in huis. Ik had er bijna schuldgevoel over dat ik er zo veel zin in had.

Toen vertelde ik het Els. Ze keek eerst blij verrast, maar vroeg daarna: “Drie weken echt?”

Ik zei ja.

Ze knikte, maar haar gezicht veranderde. “Nou ja. Dan moeten we maar kijken hoe we dat doen.”

In maart ging Henk merkbaar achteruit. Hij stond ’s nachts op om naar zijn oude werk te gaan. Hij verdacht Els ervan dat ze geld van hem afpakte. Een keer liep hij zonder jas naar buiten en was hij pas na drie kwartier terug. Els belde mij huilend op. Ik ben meteen gegaan. Natuurlijk ben ik gegaan.

Een paar dagen voor ons vertrek had ze een afspraak bij de casemanager. Het advies was om dagbesteding te regelen en, voor de nachten, te informeren naar respijtzorg. Els hoorde vooral wat ze niet wilde horen. Henk tussen vreemde mensen. Henk ergens laten slapen. “Hij denkt dan dat ik hem wegstop.”

Die vrijdagavond belde ze Kees. Ik hoorde maar de helft, omdat hij in de bijkeuken stond.

Daarna kwam hij binnen en ging tegenover me zitten.

“Ze vraagt of we de reis kunnen verzetten.”

Ik zei niets. Ik weet nog dat de vaatwasser piepte. Alsof dat op zo’n moment belangrijk was.

“Ze zegt dat het nu echt niet kan zonder ons,” zei hij.

Ik voelde meteen medelijden, en daarna boosheid omdat ik dat medelijden alweer voelde voordat ik überhaupt had nagedacht.

We hebben haar de volgende ochtend samen gebeld. Kees zei rustig dat we niet gingen annuleren, maar dat we die dagen ervoor wilden helpen met bellen en regelen. Ik zei dat we contact zouden houden vanuit Portugal en dat er echt andere ondersteuning moest komen.

Els was eerst stil.

Toen zei ze: “Dus als Henk straks midden in de nacht verdwijnt, moet ik maar iemand van een loket bellen?”

Ik zei dat ik dat niet bedoelde.

“Nee,” zei ze. “Jullie bedoelen vooral dat jullie vakantie belangrijker is.”

Dat woord, vakantie, klonk ineens kinderachtig. Alsof wij drie weken aan een zwembad wilden liggen terwijl zij aan het verdrinken was.

We zijn toch gegaan. De eerste dagen heb ik slecht geslapen. Bij ieder berichtje dacht ik dat er iets was gebeurd. Els stuurde weinig. Haar dochter was uiteindelijk een week gekomen en via de casemanager was er iemand geregeld die twee middagen met Henk wandelde. Niet alles liep soepel. Henk wilde de eerste keer niet mee en Els stuurde een spraakbericht waarin je hem op de achtergrond hoorde roepen dat iedereen tegen hem samenspande.

Na onze terugkomst hebben we Els gezien. Henk zat erbij, maar haakte al snel af en ging in de woonkamer naar een oude voetbalwedstrijd kijken.

Els zette koffie neer zonder ons aan te kijken. Ze was magerder geworden. Ik wilde zeggen dat het me speet, maar niet op de manier waarop zij dat wilde horen. Ik wilde niet zeggen dat we nooit hadden moeten gaan.

Kees zei: “Hoe gaat het met de dagbesteding?”

Ze haalde haar schouders op. “Hij gaat nu één ochtend. Als hij wil.”

Daarna hebben we vooral over praktische dingen gepraat. De nieuwe medicatie, een lekkende kraan, onze vlucht die vertraging had. Het voelde alsof we bij verre kennissen op bezoek waren.

Sindsdien bellen we minder. Ik ga nog geregeld bij Els langs, maar ik spreek vooraf een tijd af. Soms neemt ze niet op. Soms stuurt ze alsnog om half zeven ’s ochtends een bericht en dan ga ik toch weer te snel in de benen.

Vorige week zei Kees dat hij Henk mist. Niet zoals hij nu is, zei hij meteen, en daar schrok hij zelf van. Hij mist zijn vriend die zonder te vragen een fles wijn opentrok en altijd wist waar we de auto hadden geparkeerd.

Ik mis Els ook. Maar ik weet niet of zij nog kan geloven dat we haar niet in de steek hebben gelaten. Misschien geloof ik dat zelf ook niet altijd.