Na veertig jaar vriendschap wilden onze beste vrienden naar Portugal vertrekken, maar mijn man weigerde hun spaargeldplan te steunen
De sleutel van het huis van Marijke en Henk hangt nog steeds bij ons aan het rekje in de bijkeuken. Aan een blauw koordje, naast die van onze schuur en die van mijn dochter. Ik zie hem elke keer als ik de was ophang, en sinds afgelopen november voelt dat ding ineens zwaar.
We kennen Marijke en Henk al meer dan veertig jaar. Niet van oppervlakkig ‘eens per jaar een etentje’, maar echt. We waren bij elkaars bevallingen, nou ja, Pieter stond natuurlijk buiten op de gang bij die van Marijke, maar je snapt wat ik bedoel. We gingen met twee auto’s naar Frankrijk toen de kinderen klein waren. Later zonder kinderen naar Texel, altijd hetzelfde huisje, altijd ruzie over wie de barbecue aan mocht steken als het waaide.
Toen mijn moeder in het verpleeghuis kwam, reed Marijke zonder vragen met me mee naar Gouda. Henk heeft Pieter geholpen toen hij na zijn ontslag bij de drukkerij een paar maanden helemaal dichtklapte. Wij waren er weer toen Henk zijn bypassoperatie kreeg. Het was nooit een rekensom.
Dus toen Marijke ons vorig jaar op een dinsdagmiddag belde en zei dat ze ‘iets geks’ gingen doen, dacht ik eerst dat ze een camper hadden gekocht. Dat wilden ze al jaren, maar dan vond Henk de stalling te duur en Marijke de douche te klein.
Ze hadden in de Algarve een huisje gezien. Niet aan zee, benadrukte Marijke meteen, alsof dat het verstandiger maakte. Twintig minuten landinwaarts, in een dorpje waar Henk tijdens een fietsvakantie verliefd op was geworden. Een wit huis met een terras, een sinaasappelboom en een apart kamertje dat ze als B&B wilden verhuren.
‘We zijn 67 en 65,’ zei Henk die avond bij ons aan tafel. ‘Wanneer dan, als niet nu?’
Ik zag hem glimmen. Dat deed hij de laatste jaren niet vaak meer. Sinds zijn pensioen was hij onrustig. Hij had eerst de hele schuur opgeruimd, daarna een cursus Portugees gevolgd via de bibliotheek en vervolgens drie maanden lang brood gebakken waar niemand om had gevraagd. Marijke had daar meestal geduldig om gelachen, maar zij wilde het uiteindelijk ook. Ze was klaar met altijd voorzichtig zijn.
Pieter zei niet meteen nee. Hij schoof zijn glas een stukje van zich af en vroeg wat zo’n huis kostte, hoe ze daar verzekerd zouden zijn, wat er met hun rijtjeshuis in Nieuwegein zou gebeuren. Henk zei dat ze het huis niet wilden verkopen. Ze zouden het voorlopig aanhouden, voor de kinderen en voor als het toch anders liep.
Toen keek Pieter mij aan. Niet boos, eerder moe.
‘Dus jullie willen een huis hier, een huis daar, en inkomsten uit een B&B die nog moet beginnen?’
Marijke zei dat ze ook AOW en pensioen hadden. Henk zei dat er overwaarde zat in het huis. Pieter knikte, maar op die manier waarop hij juist niet akkoord gaat.
De weken erna werd het concreter. Er moest iemand zijn die post opende, de energierekening in de gaten hield, een loodgieter binnenliet als dat nodig was. Henk wilde zijn motor verkopen, maar niet via Marktplaats vanuit Portugal. Marijke vroeg of ik af en toe naar het huis kon gaan. Ze vertrouwde ons, zei ze. ‘Jullie zijn eigenlijk onze familie.’
Dat raakte me. Misschien ook omdat onze eigen kinderen allebei druk zijn en niet meer om de hoek wonen. Ik zei ja voordat Pieter iets kon zeggen.
Thuis kregen we daar voor het eerst echt woorden over.
‘Je zegt overal ja op,’ zei hij.
‘Op post openmaken en een plant water geven?’
‘Nee, op hun hele plan. En straks zitten wij met de rommel als het misgaat.’
Ik vond dat hard. Alsof Marijke en Henk twee onbekenden waren die ons iets probeerden aan te smeren. Pieter zei dat het juist moeilijker was omdat we zo lang bevriend waren. Dat je dan niet helder meer ziet waar hulp ophoudt en verantwoordelijkheid begint.
Ik heb toen gezegd dat hij altijd alles kapot analyseert voordat iemand überhaupt iets durft. Daar schrok ik zelf van, want zo praat ik niet graag tegen hem. Hij werd stil en ruimde de vaatwasser in. Hij zette de glazen op de verkeerde plek. Dat doet hij alleen als hij zich inhoudt.
De echte ellende kwam pas drie weken later.
We zaten bij Marijke en Henk op de bank met koffie en van die droge amandelkoekjes die Henk ineens was gaan kopen omdat ze ‘Portugees’ waren. Marijke vertelde dat de bank in Portugal snel duidelijkheid wilde. Hun eigen bank wilde pas meewerken als het huis in Nieuwegein verkocht was, of als ze meer eigen geld inbrachten.
Ze kwamen 35.000 euro tekort voor de aanbetaling.
Henk keek vooral naar Pieter toen hij het vroeg. Of wij dat misschien tijdelijk konden lenen. Een jaar, hooguit anderhalf. Ze zouden de motor verkopen, misschien een deel van hun beleggingen, en zodra de B&B liep zou het ook makkelijker worden.
Ik voelde Pieter naast me verstijven. Ik wist dat we dat geld hadden. Niet op een lopende rekening, maar wel als spaargeld. Geld dat we na jaren eindelijk bij elkaar hadden. Pieter wilde er een deel van gebruiken om de badkamer te doen, maar het was geen geld dat we morgen nodig hadden.
Ik zei niet direct ja. Maar ik zei ook niet nee.
Pieter wel.
‘Dat doen we niet,’ zei hij.
Het viel zo plat in de kamer dat ik nog steeds weet hoe de koelkast aansloeg.
Henk lachte kort, alsof Pieter een grap maakte. ‘Je hoeft niet meteen—’
‘Jawel,’ zei Pieter. ‘Dit is geen lening voor een onverwachte rekening. Jullie willen twee levens tegelijk betalen. Ik snap dat jullie weg willen. Echt. Maar ik ga niet doen alsof dit financieel normaal is.’
Marijke kreeg rode vlekken in haar hals. Ze zei dat ze geen les nodig hadden. Pieter zei dat hij geen les gaf, maar dat hij ook geen geld ging uitlenen waarvan hij dacht dat ze het mogelijk niet terug zouden kunnen betalen.
Ik vond dat hij gelijk had in de woorden, maar niet in het moment. En misschien vooral niet in de blik van Marijke toen. Alsof Pieter niet alleen het geld weigerde, maar ook haar recht om nog iets nieuws te beginnen.
In de auto naar huis zei ik bijna niets. Pieter ook niet. Bij het stoplicht bij de A12 begon hij ineens: ‘Als jij dit echt wilt, dan moeten we het daar samen goed over hebben. Maar ik teken nergens voor.’
Daar werd ik woest van. Niet omdat hij dreigde, maar omdat hij het zo redelijk zei. Alsof ik onredelijk was omdat ik mijn vriendin niet wilde laten vallen.
‘Ze hebben ons nooit laten vallen,’ zei ik.
‘Nee. Maar ze hebben ons ook nooit om vijfendertigduizend euro gevraagd.’
Dat is natuurlijk waar. Ik heb hem dat die avond niet gegeven.
Marijke belde me twee dagen later. Ze huilde niet, maar ik hoorde dat ze moeite deed om rustig te blijven. Ze zei dat Henk zich vernederd voelde en dat ze het misschien anders hadden moeten brengen. Daarna zei ze iets wat nog steeds in mijn hoofd zit: ‘Ik dacht dat jullie blij zouden zijn dat we eindelijk durven.’
Ik heb gezegd dat ik blij voor haar wilde zijn. Dat was ook zo. Alleen wist ik niet meer of blij zijn betekende dat ik moest helpen betalen.
Uiteindelijk hebben ze het huis niet gekocht. De verkopers wilden niet langer wachten en Henk wilde niet nog een keer terug naar Portugal om opnieuw te zoeken. Hij praat nu over een halfjaar huren, eerst kijken hoe het echt is. Marijke klinkt opgelucht als ze dat zegt, maar ook teleurgesteld. Pieter vindt dat verstandiger, wat Marijke volgens mij alleen maar irritanter vindt.
We zien elkaar nog, maar anders. Afgelopen zondag kwamen ze koffie drinken. Henk vroeg of Pieter nog steeds dacht dat het zou mislukken. Pieter zei: ‘Ik hoop van niet.’ Niet warm, niet gemeen. Gewoon waar.
Toen ze weg waren, bleef de blauwe sleutel aan het rekje hangen. Marijke had hem niet meegenomen. Ik weet niet of dat praktisch was, of dat ze nog steeds verwacht dat wij op hun huis passen wanneer ze straks voor zes maanden weggaan.
Ik heb hem laten hangen. Pieter ook.