Ik merkte pas hoe moe ik was toen er weer een extra tandenborstel in onze badkamer stond

De tandenborstel was blauw, nog in de verpakking, en lag op de rand van de wastafel naast die van ons. Ik zag hem toen ik ’s ochtends mijn gezicht wilde wassen. Bert sliep nog. Beneden hoorde ik de waterkoker klikken en mijn schoonzus Saskia praten tegen haar zoon van twaalf, die blijkbaar al wakker was.

Ik wist op dat moment even niet meer hoe lang ze zouden blijven. Drie nachten, dacht ik. Of vijf. Bert had gezegd: “Ze hebben het thuis even lastig met de verbouwing, dus ze komen hier een paar dagen op adem.” Dat zei hij op een dinsdagavond, terwijl ik mijn jas nog aanhad en de boodschappen op het aanrecht zette.

Een paar dagen betekende bij Bert zelden een paar dagen.

We wonen in een rijtjeshuis in Amersfoort, niet groot, maar prima voor ons tweeën. Onze dochter Noor woont sinds vorig jaar op kamers in Utrecht, dus haar kamer is meestal de plek waar familie terechtkan. Ik had gedacht dat ik die kamer af en toe als naaihoek zou gaan gebruiken. Er staat nog steeds een opklaptafel met mijn naaimachine, een mand vol stof en een plant die ik steeds vergeet water te geven. Zodra er logees komen, schuif ik alles naar de zolder en leg ik schoon beddengoed neer.

Dat deed ik vroeger zonder er veel bij stil te staan. Bert komt uit een gezin van vijf. Bij hen liep iedereen altijd in en uit. Zijn moeder zette een pan soep op het vuur en er was vanzelf plek aan tafel, ook als er eigenlijk geen plek was. Ik vond dat juist leuk toen we net samen waren. Warm. Levendig. Mijn eigen ouders waren anders. Niet ongezellig, maar je belde eerst even. Mijn vader had een hekel aan onverwacht bezoek rond etenstijd en mijn moeder wilde alles netjes hebben voordat iemand binnenkwam.

Ik ben ergens tussen die twee manieren in blijven hangen. Ik vind mensen over de vloer best gezellig, zolang ik weet wanneer ze komen en wanneer ze weer weggaan.

Bert begrijpt dat verschil volgens mij nog steeds niet helemaal. Of hij begrijpt het wel, maar hij voelt de gevolgen niet op dezelfde manier. Als zijn broer met vrouw en twee kinderen langskomt, zet Bert muziek aan, haalt hij speciaalbier en vertelt hij dat ik “altijd zulke lekkere ovenschotels” maak. Vervolgens staat hij buiten bij de barbecue of op de bank een voetbalwedstrijd te kijken, terwijl ik in de keuken sta met vier verschillende wensen. Geen champignons. Wel glutenvrij. Kinderen die alleen pasta zonder saus eten. En dan zegt iemand later: “Jij maakt het ook altijd zo gezellig, Marije.”

Vroeger hoorde ik daarin een compliment. Nu krijg ik er een soort steek van.

Afgelopen zomer was zijn neef Jeroen er bijna drie weken. Hij was net uit elkaar met zijn vriendin en moest zijn appartement uit. Ik vond dat oprecht zielig. Hij is zesentwintig, werkt onregelmatig bij een logistiek bedrijf en zag er de eerste dagen echt verloren uit. Natuurlijk mocht hij bij ons slapen. Maar Bert had zonder mij te vragen gezegd dat hij kon blijven “tot hij iets had”.

Jeroen was niet lastig, eigenlijk. Hij ruimde soms de vaatwasser uit en kocht één keer pizza. Maar hij liet zijn sporttas in de gang staan, zijn handdoek over de badkamerdeur en hij werkte ’s nachts op zijn laptop aan tafel. Ik kon nergens rustig zitten. Als ik thuiskwam van mijn werk bij de apotheek, moest ik eerst bedenken of ik nog wel in mijn joggingbroek naar beneden kon.

Bert zei dan: “Hij zit in een moeilijke fase. Doe niet zo krampachtig.”

Dat woord bleef hangen. Krampachtig.

Alsof ik moeilijk deed omdat ik na acht uur werken niet nóg twee uur wilde koken, bedden verschonen en luisteren naar verhalen die niet van mij waren. Alsof mijn huis een soort familiepension was waar ik toevallig de beheerder van was.

Bij Saskia knapte er iets kleins, niet eens spectaculairs. Op vrijdagmiddag kwam ik thuis en zag ik drie boodschappentassen in de keuken staan. Bert had gewerkt tot zes uur. Saskia zat met haar zoon in de woonkamer een serie te kijken. Ze riep: “O, fijn dat jij er bent. Bert zei dat jij vast wel wist wat we konden eten.”

Ik zei dat ik dat niet wist.

Ze keek me aan alsof ik een grap maakte.

“Ik ga vanavond niet koken,” zei ik. Mijn stem klonk heel vlak. “Er ligt brood. Of jullie halen iets.”

Saskia werd rood. Niet boos-rood, meer ongemakkelijk. “Maar ik dacht…”

“Ja,” zei ik. “Dat denk ik ook steeds.”

Ik ben naar boven gegaan, heb de deur dichtgedaan en ben op bed gaan liggen met mijn jas nog aan. Dat is kinderachtig, dat weet ik. Noor belde toevallig die avond en ik nam niet op, omdat ik bang was dat ik zou gaan huilen zodra ze vroeg hoe het ging.

Bert kwam later boven. Hij was geïrriteerd omdat Saskia zich afgewezen voelde. Hij zei dat ik haar niet zo had hoeven behandelen. Daar had hij misschien gelijk in. Zij had niet besloten dat ik alles moest doen. Zij was gewend geraakt aan hoe het ging, net als de rest.

Maar ik zei: “Jij nodigt mensen uit en ik betaal ervoor met mijn tijd.”

Hij begon meteen over geld, dat we niemand geld vroegen, dat Jeroen zelf ook boodschappen deed. Ik bedoelde dat niet. Ik bedoelde dat ik iedere keer mijn rust, mijn plannen en mijn huis inleverde zonder dat iemand dat blijkbaar als iets zag wat ik gaf.

We hebben die avond niet echt gepraat. Hij sliep op de bank, wat nogal overdreven was, want ik had hem niet weggestuurd. De volgende ochtend was Saskia met haar zoon al vertrokken. Ze stuurde later een kort appje: Bedankt voor alles. Ik las er van alles in wat er waarschijnlijk niet stond.

De week erna heb ik een lijst gemaakt. Echt op papier, met een pen. Bezoek minstens een week van tevoren overleggen, behalve noodsituaties. Maximaal twee nachten voor gewone logees. Als iemand langer blijft, regelen we samen een schema voor boodschappen, koken, schoonmaken en de badkamer. Geen mensen uitnodigen met de mededeling dat ik wel wil helpen. En als Bert familie wil opvangen die langer nergens terechtkan, dan is hij degene die vrij neemt, bedden verschoont en de praktische dingen regelt.

Hij vond die lijst zakelijk en kil. Ik vond hem bijna beschamend, alsof ik een contract moest maken met mijn eigen man om niet om te vallen.

Toch hangt hij nu aan de binnenkant van het keukenkastje, achter de pakjes rijst. Niet letterlijk als huisregel voor bezoek, maar als afspraken tussen ons. Bert kookt sinds die vrijdag vaker. Niet omdat hij het ineens leuk vindt, denk ik, maar omdat hij heeft gezien hoeveel er gebeurt voordat er überhaupt eten op tafel staat.

Zijn moeder is nog steeds gekwetst. Ze zegt niet rechtstreeks dat het door mij komt, maar vorige maand zei ze bij de koffie dat mensen vroeger “wat makkelijker inschoven”. Ik heb alleen geknikt. Bert zei niets. Dat deed nog steeds pijn, eerlijk gezegd.

Maar afgelopen zondag wilde zijn broer met gezin op zaterdag komen slapen, omdat ze naar een verjaardag in de buurt moesten. Bert vroeg het aan mij voordat hij antwoord gaf. Ik zei ja, maar één nacht, en ik zei ook dat ik die zaterdagmiddag naar mijn zus ga en pas tegen etenstijd terug ben.

Hij zei: “Prima. Dan regel ik het.”

Ik geloofde hem niet meteen. Ik heb toch nog extra handdoeken klaargelegd. Dat zit blijkbaar ook diep.

Maar toen ik die zaterdag thuiskwam, stond er chili op het fornuis, waren de bedden opgemaakt en lag mijn naaimachine nog gewoon op haar plek. De keuken was een rommel en er stonden glazen op tafel, maar niemand wachtte op mij om het op te lossen.

Ik heb mijn jas opgehangen, mijn tas neergezet en ben eerst gewoon gaan zitten.