Na twee jaar aan haar bed te hebben gestaan, lijken we nu ineens te veel
Vorige maand zag ik op Facebook dat Marijke en Kees een weekend naar Texel waren geweest. Niet via hen, maar via de foto’s van hun dochter. Marijke stond met haar jas open aan de dijk, haar haar helemaal door de war van de wind, en ze lachte zoals vroeger: mond wijd open, ogen bijna dicht.
Ik zat met mijn koffie aan de keukentafel en was eerst vooral blij. Echt blij. Twee jaar geleden hadden we niet eens geweten of ze nog zonder zuurstofapparaat de woonkamer door kon. Maar na die blijdschap kwam iets lelijks in mij op. Niet eens jaloezie op Texel. Meer dat ik dacht: wij wonen veertig minuten verderop en wisten niet eens dat ze weg waren.
Mijn man Henk zei dat ik mijn telefoon weg moest leggen. Dat was makkelijk gezegd. Hij had zelf die foto ook al drie keer bekeken.
We kennen Marijke en Kees al sinds 1987. Henk werkte toen bij de gemeente in Amersfoort, Kees bij een installatiebedrijf. Marijke en ik zaten allebei thuis met kleine kinderen, al had zij daar nooit zoveel geduld voor als ik. Dat was juist prettig. Bij haar hoefde je niet te doen alsof alles leuk was. We hebben samen verbouwingen, ontslagen, pubers, overlijdens en een paar slechte vakanties doorstaan. Elke zondagavond belden we wel even. Niet altijd lang. Soms alleen: hoe was jullie week, nou prima, tot volgende week.
Wij waren geen mensen die elkaar elke dag zagen, maar als er iets was, stonden we er. Zo voelde het altijd. Wederzijds.
Toen Marijke tweeënhalf jaar geleden de diagnose longkanker kreeg, ging alles ineens sneller en tegelijk verschrikkelijk traag. Eerst onderzoeken in het Meander, dan behandelingen in Utrecht. Kees belde Henk op een woensdagavond. Ik weet nog dat de aardappels droog stonden te koken omdat Henk zo lang aan de telefoon bleef.
Hij kwam terug in de keuken en zei: „Kees trekt het niet. Hij vraagt of wij kunnen helpen.”
Niet een keertje, maar echt helpen. Rijden, meegaan naar afspraken, eten brengen als het niet lukte. Vooral bij Marijke zijn, omdat Kees bij ziekenhuisgesprekken helemaal dichtklapte. Dat wist ik ergens al. Kees is een aardige man, altijd bereid om een schutting te repareren of een lekkage te bekijken, maar met verdriet kan hij weinig. Hij gaat dan harder werken of de tuin harken.
Dus wij deden het.
In het begin voelde dat vanzelfsprekend. Henk reed haar op dinsdag naar de immunotherapie. Ik ging op donderdag mee als er een gesprek met de longarts was. Soms zat ik gewoon bij haar op de bank terwijl zij sliep. Ik deed een wasje, zette soep in de koelkast, en ging weer weg. We schoven onze bridgeavond op, zegden een weekendje Limburg af en vroegen mijn zus om kerst bij haar te doen in plaats van bij ons, omdat Marijke die dagen niet alleen wilde zijn.
Ik schrijf dit niet om een medaille te krijgen. Er waren ook momenten waarop ik moe was van haar. Van de spanning in huis, van het steeds wachten op uitslagen, van haar appjes om half zeven ’s ochtends: ‘Ben je wakker?’ Terwijl ik dan net wakker werd en eerst naar de wc wilde. Maar ik hield van haar. En zij zei vaak dat ze niet wist wat ze zonder ons moest.
Kees zei het ook. Een keer, toen Marijke was opgenomen wegens een longontsteking, stond hij buiten bij de fietsenstalling te roken. Hij keek naar zijn schoenen en zei: „Jullie dragen ons. Ik kan het niet alleen.”
Dat bleef bij me hangen. Misschien te veel, achteraf.
De behandeling sloeg wonderlijk goed aan. Na een jaar was er op de scans bijna niets meer te zien. Daarna bouwde Marijke langzaam haar conditie op. Eerst een rondje om het blok met haar rollator, later weer op de e-bike. Ze knipte haar haar kort, ging naar een kleuradviesmiddag met haar dochter en begon ineens kleding te dragen die ik haar nooit eerder had zien aantrekken. Felle broeken, grote oorbellen. Ik vond het eerlijk gezegd leuk voor haar.
Alleen veranderde de manier waarop ze met ons deed.
Als ik vroeg of ze koffie wilde, zei ze vaker dat ze „even geen afspraken” wilde. Als Henk aanbood om haar naar een controle te rijden, had Kees ineens al geregeld dat zijn broer meeging. We kregen appjes terug met hartjes, maar zonder voorstel voor een andere dag. Bij verjaardagen waren ze sneller weg. Of ze kwamen helemaal niet, met een reden die op zichzelf logisch was.
Ik bleef denken dat het wennen was. Herstellen is ook werk, zei ik tegen mezelf. Je moet je leven opnieuw indelen.
Maar rond onze trouwdag, in april, brak er iets bij mij. We waren veertig jaar getrouwd en hadden een eenvoudige lunch gepland bij ons thuis. Geen groot feest, gewoon kinderen, kleinkinderen, Marijke en Kees. Marijke had eerder nog gezegd dat ze er zin in had.
De avond ervoor stuurde Kees een berichtje: ‘We slaan morgen over. Marijke is erg moe. Gefeliciteerd alvast.’
Daarna zag ik via WhatsApp-status van zijn dochter dat ze diezelfde middag bij hen thuis met z’n allen hadden gebarbecued. Misschien was Marijke werkelijk moe. Misschien waren ze alleen even een uurtje gegaan. Maar ik voelde me zo dom dat ik de schaal met gevulde eieren die ik speciaal voor haar had gemaakt gewoon in de koelkast zette en naar boven liep.
Henk vond dat ik er te veel achter zocht. Dat zei hij eerst. Twee weken later belde hij Kees toch.
Het gesprek duurde nog geen tien minuten. Henk zat aan de keukentafel en zei nauwelijks iets. Alleen: „Ja. Nee, dat snap ik. Natuurlijk.” Toen hij ophing, bleef hij met zijn hand op zijn telefoon liggen.
Marijke had tegen Kees gezegd dat ze afstand nodig had van alles en iedereen die haar aan haar ziek-zijn herinnerde. Wij waren daarin blijkbaar het sterkst aanwezig. Niet omdat we iets verkeerd hadden gedaan, zei Kees, maar juist omdat we er zo diep in hadden gezeten. Onze bezorgdheid voelde voor haar als controle, ook al bedoelden we het niet zo. Ze wilde weer gewoon Marijke zijn, niet Marijke die geholpen moest worden met douchen, eten of ademhalen.
Ik werd meteen boos. Niet op haar ziekte, niet eens op haar behoefte aan ruimte, maar op de manier waarop het via Kees bij ons terechtkwam. Hij had gezegd dat hij geen ruzie wilde. Hij hoopte dat we het zouden begrijpen en voorlopig minder contact zouden zoeken.
‘Voorlopig’ is een woord waar je weinig aan hebt als iemand niet zegt of het weken, maanden of jaren zijn.
Ik heb drie dagen niet gereageerd. Daarna stuurde ik Marijke een bericht dat ik het moeilijk vond, maar dat ik haar wens respecteerde. Ik typte ook dat ik hoopte dat ze op een dag met ons kon praten, niet over schuld of dankbaarheid, maar gewoon eerlijk. Ik heb die laatste zin drie keer aangepast omdat ik bang was dat hij verwijtend klonk.
Ze antwoordde: ‘Dank je, Lien. Ik kan dat nu nog niet. Het spijt me dat het pijn doet.’
Dat was alles.
Sindsdien zijn we bijna vier maanden verder. Henk mist Kees meer dan hij toegeeft. Hij heeft nog wel eens een praktische app gestuurd over voetbal of de tuin, maar het blijft oppervlakkig. Ik mis Marijke soms zo plotseling dat ik haar nummer al open heb staan. Dan denk ik aan haar hand, koud en dun, in de wachtkamer in Utrecht. Aan hoe ze toen zei dat ik niet weg hoefde.
En dan leg ik mijn telefoon weer neer.
Misschien hebben wij tijdens die twee jaar te weinig gevraagd wat zij zelf wilde en vooral gedaan wat nodig leek. Misschien heeft Kees ons ook gebruikt als een soort noodverband, zonder te beseffen dat je dat niet zomaar lostrekt als het weer beter gaat. Ik weet het niet.
Volgende week is Henk jarig. Ik maak geen extra stoelen klaar. Maar ik koop wel een pak van die gewone filterkoffie die Kees altijd vies vindt en toch drinkt. Blijkbaar kan ik het nog niet laten om rekening met hem te houden.