Mijn man wil drie dagen per week voor onze vrienden zorgen, maar ik voel dat ons pensioen dan verdwijnt

Vorige week heb ik de logeerkamer weer opgeruimd terwijl er helemaal niemand zou komen slapen. Ik heb het bed afgehaald, de handdoeken terug in de kast gelegd en de stapel tijdschriften van het nachtkastje gehaald. Daarna heb ik een halfuur op de rand van het bed gezeten, met dat rare gevoel dat je iets afzegt wat nog niet eens officieel was afgesproken.

Mijn man Kees en ik zijn allebei 68. Sinds anderhalf jaar zijn we met pensioen. Ik werkte op de administratie van een middelbare school, Kees zat bij een installatiebedrijf. We hebben niet breed geleefd, maar we hebben het goed. Een rijtjeshuis dat grotendeels is afbetaald, een kleine camper waar Kees veel te trots op is, en genoeg spaargeld om niet bij elke kapotte wasmachine in paniek te raken.

We hadden ons pensioen heel eenvoudig voorgesteld. Een paar maanden per jaar weg, oppassen op onze kleinkinderen als onze dochter dat vraagt, wandelen, fietsen, eindelijk eens doordeweeks naar het museum zonder dat je op de klok kijkt. Niks groots.

Ria en Henk horen al bijna veertig jaar bij ons leven. We leerden elkaar kennen op de camping in Zeeland, toen onze kinderen nog met schepjes door het zand liepen. Daarna kwamen de verjaardagen, oud en nieuw, weekendjes Texel, de echtscheiding van mijn zus, de operatie van Kees, de begrafenis van Henk zijn moeder. Je hebt van die mensen bij wie je niet hoeft uit te leggen waarom je stil bent. Zij waren dat voor ons.

Henk is al ruim een jaar depressief. Niet somber zoals iedereen wel eens somber is, maar echt weg. Hij is lichamelijk gezond. Hij kan lopen, autorijden, koken als hij wil. Maar hij wil niets. Soms komt hij drie dagen niet uit zijn pyjama. Hij neemt zijn telefoon niet op. Hij zegt afspraken af en kijkt Ria vervolgens aan alsof zij hem iets aandoet wanneer ze daar boos om wordt.

Hij heeft een huisarts, hij heeft gesprekken gehad met de praktijkondersteuner en later met een psycholoog. Ik weet niet precies wat er allemaal loopt, want Henk praat daar niet veel over. Ria wel, vooral de laatste maanden. Eerst voorzichtig, tussen neus en lippen door. Dat ze zo moe was. Dat ze niet meer wist hoe ze hem in beweging moest krijgen. Dat ze bang was om boodschappen te doen omdat hij dan misschien de hele middag op de bank zou liggen staren.

Ik luisterde. Ik bracht soep. We namen Henk mee voor een rondje langs de dijk, al zei hij na tien minuten dat hij terug wilde. Kees ging soms bij hem zitten voetballen kijken. Dat voelde allemaal vanzelfsprekend. Als je al zo lang bevriend bent, doe je iets.

Maar in februari belde Ria mij op een woensdagavond. Ik hoorde meteen aan haar ademhaling dat ze had gehuild.

‘Ik trek het niet meer, Marjan.’

Ik zei dat ik de volgende ochtend koffie kwam drinken. Ze zei nee, niet voor koffie. Ze wilde dat we met z’n vieren gingen praten.

Bij hen thuis rook het naar oude koffie en de kattenbak. Ria had haar haar niet geföhnd, wat voor haar veel zei. Henk zat in zijn stoel met een dekentje over zijn benen, hoewel de verwarming op twintig stond. Kees ging naast hem zitten. Ik bleef tegenover Ria zitten en had al snel spijt dat ik niet naast haar was gaan zitten.

Ria vertelde dat ze bij de huisarts had gezegd dat ze zelf begon in te storten. Slecht slapen, hartkloppingen, huilen in de supermarkt. De huisarts had gezegd dat ze hulp moest regelen en grenzen moest stellen. Dat klonk verstandig, maar Ria lachte er heel bitter om.

‘Welke hulp dan?’ zei ze. ‘Iedereen zegt dat ik het niet alleen moet doen, maar vervolgens zit ik hier weer alleen met hem.’

Toen kwam het voorstel. Niet meteen als een eis, eerder alsof ze het al honderd keer in haar hoofd had geoefend. Of Henk drie dagen per week bij ons zou kunnen zijn. Maandag, woensdag en vrijdag. Dat wij dan met hem zouden ontbijten, een wandeling maken, erop letten dat hij doucht, iets eet en niet de hele dag terug in bed kruipt. Misschien kon hij af en toe een nacht blijven als het thuis te veel werd.

Kees zei vrijwel direct: ‘Ja, natuurlijk. Dat gaan we regelen.’

Ik keek hem aan. Hij keek niet terug.

Ik weet nog dat ik iets zei over onze plannen met de camper in april. Het klonk klein en beschamend op dat moment. Ria keek naar haar handen. Henk zei niets. Kees zei: ‘Die plannen kunnen toch wel even wachten?’

Thuis kregen we onze eerste echte ruzie sinds jaren. Niet zo’n gemopper over de vuilnisbak of over Kees die zijn schoenen midden in de gang laat staan. Dit was hard.

Ik zei dat ik Ria wilde helpen, maar dat wij geen dagbesteding waren en geen hulpverleners. Kees werd rood in zijn gezicht en zei dat ik alles meteen in regels en schema’s trok.

‘Het is Henk,’ zei hij. ‘Mijn vriend. Als hij zijn been had gebroken, zouden we toch ook niet zeggen dat het ons niet uitkomt?’

‘Maar zijn been is niet gebroken, Kees. En Ria is al maanden aan het verzuipen. Drie dagen per week Henk opvangen lost niet op wat er thuis gebeurt.’

‘Dus we doen maar niks?’

Dat heb ik niet gezegd. Maar eerlijk is eerlijk: een deel van mij wilde wegblijven van hun huis, omdat ik voelde hoe dat donkere, plakkerige verdriet zich aan alles vastzette. Daarna schaamde ik me daar weer voor.

Kees begon toch alvast dingen te regelen. Hij zei tegen Henk dat hij maandag kon komen. Hij kocht zelfs een extra tandenborstel. Toen ik dat zag staan in het bekertje in onze badkamer, werd ik disproportioneel boos. Ik huilde om een tandenborstel. Niet omdat ik Henk die tandenborstel niet gunde, maar omdat het voelde alsof er zonder mij was besloten dat ons huis voortaan een verlengstuk van hun crisis zou zijn.

Ik heb uiteindelijk tegen Kees gezegd dat ik niet akkoord ging met drie vaste dagen. Geen logeren, geen wassen, geen toezicht houden op of iemand zijn pillen neemt. Ik wilde best elke week een middag met Ria afspreken zodat zij eruit kon. Kees kon eens per week met Henk wandelen of koffie drinken. En we konden helpen bellen, meegaan naar de huisarts als Ria dat wilde, uitzoeken wat er via de gemeente mogelijk was. Maar ik wilde niet dat wij de vaste oplossing werden.

Kees noemde mij egoïstisch. Dat woord bleef dagen hangen. Hij sliep twee nachten in de logeerkamer, wat kinderachtig klinkt op onze leeftijd, maar zo was het wel.

Ria reageerde eerst niet op mijn bericht. Drie dagen later stuurde ze alleen: ‘Ik had meer van jullie verwacht.’ Daarna kwam er een lang bericht van Henk, waarschijnlijk deels door Ria ingegeven, waarin stond dat echte vrienden er juist zijn als het ongemakkelijk wordt.

Daar kan ik niets tegenin brengen zonder gemeen te klinken. Misschien hebben ze gelijk. Misschien zijn wij laf omdat we wel de leuke veertig jaar willen meetellen, maar terugdeinzen nu het zwaar wordt.

Tegelijkertijd denk ik aan Ria, die professionele steun nodig heeft, niet alleen een paar oudere vrienden die haar man bezig proberen te houden. En ik denk aan mezelf. Ik ben niet ziek, ik ben niet wanhopig, ik heb tijd. Maar ik ben ook niet onbeperkt.

Kees en ik praten inmiddels weer normaal, al zit het nog tussen ons in. Hij gaat morgen met Henk naar de markt in Gouda. Ik heb Ria aangeboden om die middag hier te komen lunchen, zonder Henk, zonder plan, gewoon even weg uit haar eigen woonkamer.

Ze heeft nog niet geantwoord. De extra tandenborstel staat nog steeds in het bekertje. Ik heb hem niet weggegooid.