Mijn man wil ons pensioen beschermen, maar ik ben bang dat we ons leven voorbij laten gaan
Ik heb de brochure van een reis door Japan al drie keer uit de papierbak gevist.
Niet omdat ik hem stiekem wil bewaren, al voelt het inmiddels wel zo. Hij lag eerst op tafel, tussen de krant en de folder van de Plus. Kees pakte hem op, keek naar de prijs en zei niets. Hij vouwde hem precies dubbel en legde hem bij het oud papier.
Dat was twee weken geleden. Sindsdien zit dat dunne glanzende boekje in de la onder mijn sokken.
Kees en ik zijn allebei 64. Hij stopt over negen maanden bij de gemeente, waar hij sinds zijn drieëntwintigste op de financiële administratie werkt. Ik ben vorig jaar minder gaan werken in de thuiszorg omdat mijn schouders steeds opspelen. Officieel zou ik nog door kunnen, een paar ochtenden per week, maar ik merk dat ik moe ben van altijd op de klok leven. Om kwart voor zeven op de fiets, weer of geen weer. Mensen wassen, steunkousen aantrekken, intussen denken aan wat we vanavond eten.
We hebben het niet slecht. Dat is ook juist het lastige.
We wonen in een afbetaalde tussenwoning in Amersfoort, geen groot huis maar prima. De kinderen zijn uit huis. Onze dochter Marije woont met haar vrouw in Utrecht en heeft twee jongens van zes en acht. Onze zoon Bas zit met zijn gezin in Zwolle. We hebben AOW straks, Kees heeft een redelijk pensioen opgebouwd en ik ook iets, al is dat natuurlijk minder. Daarnaast hebben we spaargeld en beleggingen. Kees houdt alles bij in een Excelbestand dat hij elke zondag bijwerkt.
Ik weet niet precies hoeveel het is. Dat klinkt misschien dom, want het is ook mijn geld. Maar als ik ernaar vraag, draait hij zijn laptop een beetje mijn kant op en begint hij over belasting, vermogensrendementsheffing, inflatie en de kans dat een van ons langdurige zorg nodig heeft. Na vijf minuten ben ik het overzicht kwijt en voel ik me alsof ik op school niet heb opgelet.
Volgens Kees moeten we minstens tot ons tachtigste kunnen leven alsof er geen pensioen bestaat. Dat zegt hij letterlijk. “Je weet nooit wat er gebeurt.”
Dat weet je inderdaad nooit. Maar ik snap niet waarom dat betekent dat je dan ook niets meer mag doen zolang er nog niets gebeurd is.
Ik wil geen villa in Spanje en ook geen cruise met van die gala-avonden. Ik wil met Kees een paar maanden weg. Niet alles in één keer misschien, maar wel echt weg. Japan, Nieuw-Zeeland, misschien een treinreis door Italië. Dingen waar we vroeger om lachten omdat we geen geld hadden en de kinderen klein waren. Toen zeiden we altijd: later.
En ik heb een huisje gezien op een klein park in Drenthe. Oud, eerlijk gezegd. Er moet een nieuwe badkamer in en de keuken is donkerbruin, met van die tegeltjes waar mijn moeder ook nog een zwak voor zou hebben gehad. Maar er is een bos achter, een zandbak op het terrein en een zwembadje. Ik zag onze kleinkinderen er al met modderige knieën rondrennen. Niet ieder weekend, ik ben niet gek. Gewoon een plek waar iedereen af en toe terechtkan.
Kees keek één keer mee op Funda. Hij zei: “Je koopt geen huisje, je koopt onderhoud, parkkosten en gezeur.”
Daar had hij niet eens ongelijk in. Maar hij zei het op die toon alsof ik had voorgesteld onze hele inboedel te verbranden.
Vorige maand kregen we bericht van de notaris over de afwikkeling van de nalatenschap van mijn tante Ria. Geen enorm bedrag, maar voor mij voelde het groot. Tante Ria had geen kinderen. Ze was altijd een beetje apart, woonde alleen in een flat in Soest en ging ieder jaar met een georganiseerde busreis mee. Zelfs toen haar heupen slecht werden. Kees vond dat onverstandig van haar. Ik vond haar dapper.
Mijn deel van haar erfenis kwam op onze gezamenlijke spaarrekening terecht. Dat was praktisch, zei Kees. Ik heb daar toen niets van gezegd.
Tot vorige week.
We zaten aan tafel met stamppot andijvie. Kees had zijn laptop open, want hij wilde berekenen wat onze vaste lasten worden als hij stopt. Ik zei dat ik graag een aparte rekening op mijn naam wilde openen en daar het geld van tante Ria op wilde zetten. Niet omdat ik wilde scheiden of zoiets, maar omdat ik er zelf over wilde kunnen beslissen.
Hij legde zijn vork neer. Heel rustig. Dat doet hij als hij boos is.
“Dus jij wilt zonder overleg grote bedragen gaan uitgeven?”
Ik zei dat overleg iets anders is dan toestemming vragen alsof ik een kind ben.
Hij zei dat we altijd alles samen hebben gedaan.
Dat klopt niet helemaal. Hij heeft altijd beslist welke hypotheekvorm verstandig was, hoeveel we belegden, welke auto we kochten. Ik liet hem maar, omdat hij er beter in is en ik geen ruzie wilde over cijfers. Maar nu voelt het alsof ik jarenlang gemak heb verward met gelijkwaardigheid.
Ik zei iets lelijks. Ik zei dat hij liever geld op zijn rekening ziet groeien dan dat hij met mij leeft.
Hij werd bleek. Meteen had ik spijt, want Kees is geen koude man. Hij bracht vroeger elke woensdag de kinderen naar zwemles, ook als hij een rotdag had gehad. Toen mijn vader ziek was, reed hij zonder mopperen drie keer per week naar Hilversum om mijn moeder te helpen met boodschappen. Hij is niet gierig in kleine dingen. Hij koopt voor iedereen cadeaus en hij geeft altijd gul aan de collecte.
Maar zodra het over onszelf gaat, trekt hij dicht.
Hij vertelde die avond voor het eerst iets wat ik eigenlijk wel wist, maar nooit zo had gehoord. Zijn vader raakte in de jaren tachtig zijn baan kwijt. Er was thuis vaak geen geld, zei Kees. Zijn moeder verstopte rekeningen in een pan in de voorraadkast, omdat ze niet wilde dat de kinderen ze zagen. Kees was toen veertien. Hij heeft zichzelf blijkbaar beloofd dat hij nooit afhankelijk zou zijn van iemand, en dat zijn gezin nooit bang hoefde te zijn voor een blauwe envelop of een kapotte cv-ketel.
“Als jij straks zorg nodig hebt,” zei hij, “wil ik niet moeten denken: hadden we maar niet zo nodig naar Japan gemoeten.”
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Want ja, die angst is niet verzonnen. Mijn moeder ging de laatste jaren naar een verpleeghuis en hoewel veel gewoon geregeld was, kwam er toch van alles bij. Kees heeft gelijk dat oud worden duurder en ingewikkelder kan zijn dan je denkt.
Maar ik zei wel: “En als ik straks niks meer kan, wil ik ook niet denken: we hadden het geld, we hadden de tijd, en we deden alsnog niets.”
Daarna hebben we twee dagen nauwelijks gepraat. Niet echt zwijgen, want er moest gewoon gegeten worden en Bas belde over de verjaardag van zijn dochter. Maar het was alsof er een stoel tussen ons in stond waar niemand op wilde zitten.
Vanmorgen heb ik online een afspraak gemaakt met een onafhankelijke financieel planner. Niet om Kees klem te zetten en ook niet omdat ik denk dat een vreemde kan bepalen hoe wij moeten leven. Ik wil gewoon cijfers waar we allebei naar kunnen kijken, zonder dat Kees de enige is die begrijpt wat er staat. Misschien blijkt dat ik veel te optimistisch ben. Misschien blijkt dat hij zichzelf al twintig jaar voorbereidt op een ramp die nooit klein genoeg mag zijn.
De rekening op mijn naam heb ik nog niet geopend. De papieren liggen klaar op de eettafel, onder een schaal met mandarijnen.
Kees zag ze vanmiddag toen hij thuiskwam van zijn werk. Hij schoof ze niet weg. Hij zei alleen: “Die afspraak, wanneer is die?”
“Over drie weken,” zei ik.
Hij knikte, trok zijn jas uit en vroeg of we nog andijvie hadden. We hadden nog andijvie. Hij zette de pan op, zonder iets te zeggen over Japan of dat huisje in Drenthe.