Ik wil er zijn voor mijn zieke vriendin, maar mijn man zegt dat we geen tweede baan moeten maken van onze vriendschap

Vorige week stond ik bij Ineke in de keuken en zag ik dat ze de vuilniszak al drie dagen naast de achterdeur had gezet. Niet omdat ze slordig is. Ineke was altijd degene die tijdens een etentje nog even de glazen afspoelde voordat ze ging zitten. Maar nu stond ze met haar jas nog aan, haar hand op het aanrecht, alsof ze niet meer wist wat ze daar kwam doen.

Henk zat in de woonkamer in zijn stoel, met de televisie veel te hard. Hij heeft Parkinson. Eerst was het een hand die trilde als hij zijn koffie inschonk. Daarna liep hij langzamer en werd hij stiller. De laatste anderhalf jaar gaat het hard. Hij valt vaker, raakt in de war als er iets in de planning verandert en sommige ochtenden krijgt Ineke hem nauwelijks uit bed.

We kennen elkaar al sinds 1984. Rob en ik woonden toen net in Amersfoort, in een huurhuis waar de verwarming het alleen deed als je tegen de radiator tikte. Henk werkte bij de gemeente, Rob bij een installatiebedrijf. Ineke en ik kregen ongeveer tegelijk kinderen. We hebben vakanties gedeeld in Frankrijk, oud en nieuw, bruiloften, begrafenissen van ouders. Jarenlang hadden we bijna geen afspraak nodig. Zaterdagmiddag koffie bij hen of bij ons, en vaak bleef het dan vanzelf eten.

Toen Rob vorig jaar met pensioen ging, zeiden we tegen elkaar dat we eindelijk eens niet alles vooruit wilden plannen. Een paar weken met de camper naar Noord-Spanje. In september misschien naar de Wadden, buiten het hoogseizoen. Gewoon op dinsdag naar de markt kunnen zonder te denken aan werk, oppassen of een vergadering.

Dat klinkt misschien klein, maar voor Rob was het groot. Hij heeft vanaf zijn zestiende gewerkt. Eerst in de buitendienst, later als uitvoerder. Altijd bereikbaar, altijd mensen die iets van hem moesten. Toen hij stopte, was hij de eerste maanden ronduit chagrijnig. Hij miste de jongens op het werk, maar vooral het gevoel dat hij nodig was. Pas sinds kort zie ik hem weer wat lichter worden. Hij fietst, rommelt in de tuin, kijkt ’s ochtends soms tot half tien in zijn badjas naar het nieuws.

Ineke belde me drie weken geleden. Niet huilend, eigenlijk nog erger: heel beheerst.

‘Zou jij eens willen nadenken of jullie misschien twee vaste dagen iets kunnen doen?’ vroeg ze. ‘Niet de verpleging natuurlijk. Maar boodschappen, een was, even bij Henk zitten als ik naar de kapper of naar de fysio moet. Hij kan niet meer alleen blijven.’

Ze zei er meteen achteraan dat ze het verschrikkelijk vond om te vragen.

Ik zei dat ik erover zou praten met Rob. Terwijl ik dat zei, voelde ik al dat het laf klonk. Alsof ik toestemming moest vragen om mijn vriendin niet te laten verdrinken.

De thuiszorg komt bij Henk ’s morgens voor de medicatie en het aankleden als het nodig is. Er is dagbesteding, maar hij wil daar vaak niet heen. Hij zegt dat hij geen kleuter is die naar een clubje moet. De casemanager heeft volgens Ineke van alles uitgelegd, maar uitleg vult geen middag wanneer iemand onrustig door het huis loopt en je zelf al drie nachten nauwelijks hebt geslapen.

Rob luisterde thuis zwijgend toen ik het vertelde. Hij was aardappels aan het schillen. Hij schilt altijd veel te dik; ik zeg daar al veertig jaar iets van en hij trekt zich er niets van aan.

‘Twee vaste dagen?’ vroeg hij uiteindelijk.

‘Ja. Misschien eerst één. Maar wel structureel.’

Hij legde het mes neer. ‘Marian, ik wil Henk echt helpen. Dat weet je. Maar twee vaste dagen is geen helpen meer. Dat is mantelzorg. En als we eenmaal ja zeggen, komen we er niet zomaar vanaf.’

Ik werd meteen boos, harder dan ik had verwacht. ‘Dus omdat het lastig kan worden, doen we maar weinig?’

‘Nee. Omdat wij ook niet ineens zijn zorgplan kunnen worden.’

Dat woord, zorgplan, maakte me nog kwader. Het klonk zo zakelijk voor iemand met wie we de geboorte van onze kinderen hebben gevierd. Ik zei dat Henk zich verloren voelde. Dat Ineke op was. Dat je na veertig jaar vriendschap toch niet zegt: sorry, we hebben een camperreis gepland.

Rob zei: ‘Je doet alsof ik wil doorrijden terwijl ze langs de weg liggen.’

Daar had hij gelijk in, maar ik wilde het op dat moment niet horen.

Sindsdien hangt het tussen ons in. Niet de hele tijd. We eten gewoon, we kijken ’s avonds een serie, hij vraagt of ik mee ga wandelen. Maar bij alles zit dat gesprek eronder. Als hij een folder van campings op tafel legt, denk ik aan Ineke die haar boodschappen alleen naar binnen sjouwt. Als ik zeg dat ik donderdag naar haar ga, zegt hij: ‘Prima,’ maar ik hoor in dat ene woord dat hij telt.

Afgelopen donderdag was Henk onverwacht helder. Ik had soep meegenomen en hij wilde per se zelf de broodjes snijden. Dat duurde eindeloos. Zijn hand trilde, hij liet het mes vallen en keek ernaar alsof het hem had verraden.

Later, toen Ineke boven even lag te rusten, zei hij zacht: ‘Ik merk dat iedereen bang is dat ik te veel word.’

Ik zei meteen dat dat niet zo was. Dat was niet helemaal waar. Ik ben er ook bang voor. Niet voor Henk zelf, maar voor wat er allemaal aan hem vastzit: de dagen, de afspraken, de vragen waar je geen goed antwoord op hebt. En de kans dat Ineke straks niet meer vraagt, maar gewoon aanneemt dat ik kom.

Henk knikte alsof hij mijn leugen doorhad, maar hij maakte er geen punt van. Hij vroeg of Rob nog steeds zo vloekte bij het klussen. Daarna praatten we over de oude caravan waarmee we ooit in de regen bij Annecy stonden. Heel gewone onzin. Ik moest er bijna van huilen, juist omdat het even weer als vroeger voelde.

Die avond zei ik tegen Rob dat ik niet twee dagen per week bij Ineke wilde gaan werken alsof ik op een rooster stond. Maar dat ik ook niet alleen af en toe een pan eten wilde brengen om mezelf gerust te stellen.

Hij keek lang naar zijn handen. ‘Wat wil je dan precies?’

Dat wist ik niet. Ik wil dat Ineke niet alles alleen hoeft te dragen. Ik wil dat Henk niet het gevoel heeft dat hij uit het leven van anderen verdwijnt. Ik wil ook met Rob weg kunnen zonder dat ik onderweg de hele tijd naar mijn telefoon kijk.

We hebben nu afgesproken dat ik voorlopig elke woensdag ga, en dat Rob op maandagmiddag twee uur bij Henk blijft zodat Ineke naar haar zwemles kan. Rob noemde het nadrukkelijk voorlopig. Ik vond dat eerst kil, maar misschien is het juist eerlijk. Over zes weken praten we opnieuw, ook met Ineke. Misschien moet er dan meer professionele hulp komen, hoe weinig die er ook lijkt te zijn.

Vanmorgen stuurde Ineke een foto van Henk op de bank, met een dekentje over zijn knieën en een scheve glimlach. ‘Hij vraagt of Rob maandag ook de krant meeneemt.’

Rob zag het bericht, snoof even en zei: ‘Die neemt natuurlijk weer de hele Volkskrant door alsof hij examen moet doen.’

Daarna zocht hij zijn jas. Hij moest nog naar de fietsenmaker, zei hij. De camperfolder lag nog op tafel. Hij schoof hem niet weg.