Na 32 jaar vaste etentjes zei mijn vriendengroep dat ze niet meer bij ons thuis wilden komen

Afgelopen zaterdag stond ik om kwart over vijf aardappels te schillen voor zes mensen die uiteindelijk niet kwamen.

Dat klinkt misschien kinderachtig, want we hadden natuurlijk niets definitief afgesproken. Maar sinds 1992 is de eerste zaterdag van de maand gewoon onze avond. Eerst deden we dat met acht, later met zes toen Henk en Lies naar Frankrijk verhuisden. Soms bij ons, soms bij Rob en Anja, soms bij Peter en Els. Iedereen kookt, iedereen zeurt een beetje over de wijn, en na het hoofdgerecht doen we altijd datzelfde spelletje: ieder vertelt om de beurt wat er die maand gebeurd is. Geen telefoons op tafel. Dat was ooit een grapje van Peter, maar het werd een gewoonte.

Marijke hield van dat rondje. Zij onthield alles. Dat onze dochter in 2008 haar eerste baan had, dat Els een operatie spannend vond, dat Rob weer eens ruzie had met zijn broer. Als iemand zei: “Dat heb ik toch al verteld?”, dan wist Marijke meestal precies wanneer en tijdens welk diner.

Nu moet ze soms zoeken naar een woord dat vlak voor haar ligt. Ze loopt met een rollator als we verder dan de supermarkt moeten. Thuis redt ze zich nog best. Ze zet koffie, vouwt de was op, maakt soms ineens een heel verhaal over iets van vroeger waar ik niets meer van weet. Maar in een restaurant, met harde muziek en bediening die drie keer komt vragen of alles naar wens is, raakt ze het spoor kwijt. Dan gaat ze glimlachen alsof ze het gesprek volgt. Ik herken die glimlach inmiddels. Hij maakt me misselijk.

Vorig najaar ging het mis bij een etentje in De Zwaan, in het centrum. We moesten een klein trapje op naar de serre. Niet hoog, vier treden misschien, maar Marijke bevroor gewoon halverwege. Peter stond achter haar en zei nog: “Rustig aan, meid,” wat lief bedoeld was. Toch zag ik haar schouders helemaal strak worden. Eenmaal aan tafel was ze moe. Ze liet haar servet vallen en Rob bukte zich meteen om het op te rapen. Daar is op zichzelf niets vernederends aan, dat weet ik ook wel. Maar Marijke zei de rest van de avond bijna niets meer.

In de auto terug zei ze: “Ik wil niet dat ze allemaal op mij zitten te wachten.”

Ik zei dat niemand op haar wachtte.

Dat was niet helemaal waar. Iedereen wachtte. Niet expres, niet ongeduldig misschien, maar toch. Bij het lopen, bij het kiezen van eten, als zij even stilviel tijdens het vaste rondje.

Daarom heb ik voorgesteld om voorlopig vaker bij ons te eten. Onze woonkamer is gelijkvloers, de wc is dichtbij, en ik kan het eten rustig op tafel zetten. Geen gedoe met parkeren, geen stoepjes, geen menukaarten met te klein lettertype. Marijke kan boven even liggen als het haar te veel wordt, al wil ze dat zelf eigenlijk niet.

De eerste twee keer ging het goed. Anja nam soep mee, Els had een schaal salade gemaakt. We zaten langer aan tafel dan normaal, maar ik vond het eigenlijk gezellig. Marijke lachte zelfs hard om een verhaal van Rob over zijn cursus Italiaans. Hij heeft daar nu een vriendin, beweert hij. Een vrouw van 74 die hem steeds verbetert.

Maar daarna begon het gedoe dat nooit hardop gedoe mocht heten.

Peter en Els gingen wandelen in Zuid-Limburg en konden niet. Rob en Anja waren met de camper weg. De maand erna konden ze wel, maar alleen als we om vijf uur begonnen, omdat Rob de volgende ochtend vroeg wilde fietsen met een club. Ik vond dat prima. Marijke niet. Vijf uur vond zij ‘koffietijd’, zei ze, en ze was de hele dag zenuwachtig omdat ze dan al vroeg moest douchen en aankleden.

Vorige week belde Peter. Hij praat altijd alsof hij een slecht nieuwsbericht op kantoor moet brengen, heel vriendelijk en daardoor juist nog irritanter.

Hij zei dat ze met z’n vieren hadden gepraat. Niet over ons als personen, benadrukte hij, maar over hoe we de avonden “toekomstbestendig” konden maken.

Ik vroeg wat dat in hemelsnaam betekende.

Het voorstel was om voortaan af te spreken in het wijkrestaurant bij het nieuwe zorgcomplex. Daar is alles gelijkvloers, ruime toiletten, parkeren voor de deur. We zouden dan om vier uur kunnen beginnen met koffie en iets kleins, en uiterlijk om half acht afronden. Geen uitgebreide diners meer waarbij iemand uren in de keuken staat. Misschien af en toe een lunch. En dat rondje aan tafel wilden ze liever loslaten, omdat het volgens Peter soms “veel druk” op Marijke legde.

Ik zei eerst niets. Ik hoorde Marijke in de bijkeuken rommelen met potjes, terwijl ze daar helemaal niets nodig had.

Peter ging door. Hij zei dat ze ons graag wilden blijven zien. Dat het niet de bedoeling was om Marijke buiten te sluiten. Dat iedereen nu ook zijn eigen dingen had. Anja past regelmatig op haar kleinkind, Els schildert op maandagavond en is net begonnen met aquajoggen, Rob fietst alsof hij de Tour nog moet winnen. Peter zei letterlijk: “We zijn ook in een fase dat we nog willen genieten, Kees.”

Dat woord bleef hangen. Nog.

Alsof wij al aan de andere kant stonden.

Ik zei dat het wijkrestaurant prima toegankelijk kon zijn, maar dat Marijke daar geen zin in had. Ze wil geen bijeenkomst tussen de mensen die na het eten met hun rollator langs de bar rijden. Misschien is dat bekrompen van haar. Misschien ook van mij. Maar zij woont nog steeds in haar eigen huis, ze kan nog steeds zelf haar jas aantrekken, alleen duurt het langer. Dan voelt zo’n locatie niet neutraal. Dan voelt het als een mededeling.

Peter zuchtte. Niet eens boos. Meer moe.

“Maar Kees, bij jullie thuis wordt het voor iedereen ook anders. We letten de hele avond op. Wanneer we moeten praten, wanneer niet. Of Marijke nog mee is. Of ze naar boven wil. Dat is toch ook niet niks?”

Ik heb toen iets gezegd waar ik niet trots op ben. Ik zei: “Dus jullie willen vooral weer lekker onbelemmerd je gang kunnen gaan.”

Hij werd stil en antwoordde: “Ja. Soms wel.”

Dat was eerlijk. Juist daarom kwam het zo hard aan.

Marijke had blijkbaar meer gehoord dan ik dacht. Toen ik ophing, zat ze aan de keukentafel met haar jas nog aan. Ze vroeg niet wat Peter had gezegd. Ze zei alleen: “Ze hebben gelijk dat het anders is.”

Ik wilde zeggen dat zij niet moest doen alsof ze een last was. Maar ik zag dat ze haar handen onder de tafel tegen elkaar drukte, zoals ze doet wanneer ze probeert niet te huilen. Toen zei ik weer iets stoms: dat ze zich niet zo moest laten kennen.

Ze keek me aan alsof ik een vreemde was.

De volgende ochtend wilde ze haar servetten uitzoeken. We hebben een mand met stoffen servetten die we alleen voor die avonden gebruiken. Wit met een dun blauw randje, ooit gekregen van mijn moeder. Marijke legde ze op kleur, hoewel ze allemaal hetzelfde zijn. Ik heb haar niet tegengehouden.

In onze groepsapp is het sindsdien stil. Rob stuurde gisteren een foto van een modderig fietspad met de tekst dat hij blij was dat hij zijn regenjas bij zich had. Anja reageerde met een duimpje. Ik heb niets gestuurd.

Volgende maand is onze avond eigenlijk bij Peter en Els. Peter heeft me apart geappt dat het voorstel nog steeds staat en dat ze graag willen dat we komen, op welke manier dan ook. Marijke zegt dat ik moet gaan als ik wil. “Jij hoeft niet thuis te zitten omdat ik traag ben,” zei ze.

Maar ik weet ook dat ze die avond op de klok zal kijken. Niet omdat ze me wil controleren. Gewoon omdat ze al dertig jaar weet hoe laat wij normaal aan het hoofdgerecht beginnen.

De aardappels van zaterdag heb ik de volgende dag opgebakken. Marijke at er maar een paar. Daarna vroeg ze of ik de servetten weer in de mand wilde doen, niet in de was. “Ze zijn nog schoon,” zei ze.

Ik heb ze teruggelegd. Ik wist niet goed wat anders te doen.