Mijn beste vriend wil ons huisje in Frankrijk niet kwijt, maar zijn vrouw vroeg of wij daarvoor onze oude dag op het spel willen zetten

Vorige week zat ik met een uitdraai van onze pensioenoverzichten aan de keukentafel. Niet omdat ik daar plezier in heb, integendeel. Marjan had de enveloppen al drie dagen op de fruitschaal laten liggen, tussen de mandarijnen. Uiteindelijk zei ze: „Als we hier niet naar kijken, gaat het niet weg.”

Dat is een zin die zij vaak zegt als ze iets vervelends bedoelt.

We zijn allebei 64. Ik heb tot vorig jaar bij de gemeente gewerkt, Marjan werkte drie dagen per week in een apotheek. We redden ons prima, maar ruim zitten we niet. Ons huis is bijna afgelost, we hebben wat spaargeld en geen dure wensen. Alleen dat huisje in Frankrijk. Ons huisje, zeg ik altijd, maar officieel is het voor de helft van ons en voor de helft van Erik en Anja.

We kochten het twaalf jaar geleden, toen we nog dachten dat zestig worden iets voor andere mensen was. Het staat in een gehuchtje in de Ardèche, met een scheve blauwe luikenkast en een terras waar je rond vijf uur eindelijk schaduw hebt. Niet groot, niet luxe. De boiler doet het soms en soms niet. Erik kon uren mopperen op de Franse elektricien, om hem daarna een fles wijn mee te geven.

We verdeelden alles altijd netjes. De kosten, de weken, de schoonmaak aan het begin en eind van het seizoen. Als er een dakpan kapot was, stuurde Erik een foto in onze groepsapp met drie uitroeptekens. Anja maakte schema’s. Marjan en ik betaalden meestal te laat, maar nooit zo laat dat het een ding werd.

Het was meer dan een gezamenlijk bezit. We gingen er met de kinderen heen toen die nog mee wilden. We hebben er verjaardagen gevierd, ruzie gemaakt over kaarten, te veel rosé gedronken en ooit drie dagen binnen gezeten omdat het zo hard regende dat de beek achter het huis een bruine rivier werd. Erik zei toen dat hij nooit meer terug wilde. Een maand later boekte hij alweer de tolbadge.

In november kreeg hij de uitslag. Alvleesklierkanker, uitgezaaid. Ik vind het nog steeds vreemd om dat zo op te schrijven. Alsof het pas echt waar wordt als je het netjes in letters zet.

Erik is in een paar maanden tijd zo veranderd dat ik soms even moet zoeken naar de man die ik al sinds mijn negentiende ken. Hij was altijd de luidste van ons vieren. Nu is hij snel moe. Hij zit vaak met een deken over zijn knieën, ook als de verwarming hoog staat. Hij maakt nog grappen, maar je hoort dat hij ze maakt voor óns.

Anja regelt alles. De afspraken in het ziekenhuis, medicijnen, bellen met de wijkverpleging, formulieren. Zij is altijd al praktisch geweest, alleen was dat vroeger geruststellend. Nu klinkt het soms hard, terwijl ik denk dat ze gewoon geen ruimte meer heeft om zacht te klinken.

Erik wil, als het thuis echt niet meer gaat, naar een kleinschalig hospice in de buurt. Daar zijn extra dingen mogelijk die niet allemaal worden vergoed: een grotere kamer als die vrijkomt, maaltijden voor Anja als ze er lang is, vervoer, bepaalde aanvullende zorg. Anja wil ook dat ze tijdelijk dichter bij haar dochter in Utrecht kunnen zitten. Ik weet niet precies welk bedrag waarvoor nodig is. Eerlijk gezegd ben ik na een tijdje afgehaakt wanneer zij het uitlegt. Niet uit onwil, maar omdat ik alleen maar Erik zie zitten aan die tafel.

De kern is simpel: als hun helft van het huisje verkocht wordt, hebben ze geld. Niet genoeg om alle zorgen op te lossen, natuurlijk niet, maar wel genoeg om keuzes te hebben.

Alleen Erik wil niet verkopen.

Hij zegt dat hij er nog één keer heen wil. Misschien in mei, als hij sterk genoeg is. Hij weet zelf ook dat dat misschien niet haalbaar is. Maar hij zegt dat het huisje de enige plek is waar hij niet de zieke is. Daar is hij nog gewoon Erik die te vroeg de barbecue aansteekt en vergeet dat hij de luiken open heeft laten staan.

Anja zegt dat hij aan een herinnering vasthoudt die zij straks niet kan betalen.

Daar zit ik dan tussenin, met Marjan naast me, en ik schaam me bijna dat ik ook aan onszelf denk.

Afgelopen zondag kwamen Anja en Erik eten. Ik had stoofvlees gemaakt, terwijl Erik bijna niets meer eet. Dat wist ik wel, maar ik wist niet wat ik anders moest doen. Je wilt iets normaals op tafel zetten. Hij nam drie happen en zei dat het heerlijk was. Daarna ging hij op de bank liggen.

Anja hielp Marjan afwassen. Ik hoorde hun stemmen in de keuken zachter worden. Even later vroeg Anja of ik erbij wilde komen.

Ze stond met haar handen op het aanrecht, natte vingers nog. „Ik wil jullie iets vragen waar ik me rot over voel.”

Marjan keek meteen naar mij. Dat deed ze vroeger ook als er onverwacht een rekening kwam.

Anja vertelde dat ze al met de bank had gesproken. Hun inkomen zou dalen, de mogelijkheden waren beperkt. Zij wilde haar deel van het huisje verkopen, maar Erik wilde zijn handtekening niet zetten. Juridisch lag het ingewikkelder dan ze had gedacht. Ze was moe van het uitzoeken, zei ze. Echt moe.

Toen kwam het.

Of Marjan en ik een persoonlijke lening zouden willen afsluiten. Niet om hun aandeel te kopen; dat konden wij niet dragen. Maar om Anja tijdelijk geld te lenen, zodat ze niet nu onder druk hoefde te verkopen. Zij zou het terugbetalen zodra het huisje later verkocht werd, of uit wat er overbleef.

„Dan kan Erik die rust houden,” zei ze. „En ik kan regelen wat geregeld moet worden.”

Ik zei niet meteen nee. Dat vind ik achteraf misschien het ergste.

Erik lag in onze woonkamer en keek naar het plafond. Anja stond daar met haar vermoeide gezicht, en ik dacht aan alle keren dat zij er voor ons waren geweest. Toen mijn vader overleed, reed Erik zonder vragen naar Groningen om me op te halen omdat ik na de uitvaart niet alleen wilde rijden. Toen Marjan een operatie had, zette Anja twee weken lang pannen soep voor de deur. Niet één keer moeilijk doen, niet één keer iets terugverwachten.

Maar een lening van misschien dertig- of veertigduizend euro is geen pan soep. Met rente erbij zouden wij daar jaren aan vastzitten. Als er iets met ons gebeurt, als het huis onderhoud nodig heeft, als een van ons zorg nodig krijgt, dan hebben we geen ruimte meer. Ik weet hoe kil dat klinkt naast iemand die doodgaat. Toch is het waar.

Marjan zei die avond pas iets toen de deur achter hen dichtviel.

„Ik wil Anja helpen,” zei ze. „Maar ik wil niet dat we straks tegen elkaar liegen dat we dit aankunnen.”

We hebben twee nachten slecht geslapen. Ik heb zelfs gekeken of we onze auto konden verkopen, alsof dat opeens het verschil zou maken. We hebben geen dure auto. Een zeven jaar oude Kia, met een kras op de achterbumper van een paaltje bij de Albert Heijn.

Gisteren heb ik Anja gebeld. Ik heb gezegd dat we geen lening aangaan. Ik hoorde haar stil worden. Ze zei niet dat ze het begreep. Ze zei alleen: „Oké, dan weet ik dat.”

Dat deed meer pijn dan wanneer ze boos was geworden.

We hebben wel aangeboden mee te betalen aan een onafhankelijk financieel adviesgesprek en mee te kijken naar andere mogelijkheden rond het huisje. Het klinkt mager als ik het zo typ. Misschien ís het ook mager. Erik heeft me vanmiddag een bericht gestuurd: een foto van het terras in Frankrijk, van jaren geleden. Marjan met een strohoed op, ik met een veel te korte broek, Anja lachend op de achtergrond.

Er stond alleen onder: „Weet je nog hoe heet het toen was?”

Ik heb nog niet gereageerd. Niet omdat ik niet weet wat ik moet zeggen. Ik weet juist te goed dat geen enkel antwoord gaat over waar het eigenlijk om gaat.