Mijn man wil onze verhuizing naar Portugal uitstellen voor het bedrijf dat hem vroeger bijna kapotmaakte

De map met onze papieren voor Portugal ligt al drie weken op de eettafel. Niet omdat ik hem daar zo mooi vind liggen, maar omdat ik hem niet meer in de kast krijg. Iedere keer als ik hem pak, krijg ik het gevoel dat ik iets belachelijks doe. Alsof ik op mijn 67e nog steeds vakantieboekjes zit uit te knippen voor een droom die anderen voor mij mogen uitstellen.

We zouden in oktober gaan. Niet voor altijd met grote woorden en een huis met een zwembad, daar zijn we allebei te nuchter voor. Eerst een huurhuisje bij Tavira voor een jaar. Kijken hoe het bevalt. Theo wilde leren golfen, wat ik nog steeds komisch vind, want hij heeft zijn hele leven gezegd dat golfen iets was voor mensen die te veel tijd hadden. Ik wilde vooral licht. Geen natte fietstassen in november, geen wekker om half zeven, geen steeds terugkerende discussie over wanneer we nou eindelijk iets voor onszelf gingen doen.

We hebben er bijna twaalf jaar voor gespaard. Niet extreem zuinig, maar wel consequent. Geen nieuwe auto als de oude nog reed. Vakanties in Drenthe in plaats van verre reizen. Ik bleef na mijn werk in de thuiszorg nog twee avonden per week administratief werk doen voor een vriendin. Theo werkte tot zijn AOW nog drie dagen bij een installateur in Amersfoort, hoewel zijn rug al lang protesteerde.

Toen belde Karel.

Karel was vroeger zijn chef en later zijn compagnon bij Van Dijk Techniek, een klein bedrijfje dat onderhoud doet aan ventilatie en koelinstallaties. Theo is daar acht jaar geleden weggegaan. Officieel omdat hij minder wilde werken. In werkelijkheid omdat hij na een ongeluk op een bouwplaats niet meer kon slapen.

Daar praten we thuis nauwelijks over. Ik weet ook niet precies waarom. Misschien omdat ik er destijds zo dichtbij zat dat ik dacht dat ik het allemaal al wist.

Een jongen van 23, Youssef, viel door een slecht gezekerde sparing. Hij overleed diezelfde middag. Theo was niet degene die die dag de leiding had, maar hij had een week eerder gezegd dat de planning te krap was en dat er dingen werden overgeslagen. Karel had toen gezegd: „We moeten ook gewoon door, Theo.” Zo ging dat. Mensen hadden opdrachten, er was gedoe met de hoofdaannemer, iedereen wees later naar formulieren en versies van veiligheidsplannen.

Theo heeft nooit een officiële schuld gekregen. Dat zeg ik er eerlijk bij. Maar hij zat daarna maandenlang elke nacht beneden op de bank. Hij schrok van piepjes van achteruitrijdende busjes. Een keer vond ik hem in de bijkeuken, helemaal verkrampt, omdat de droger een vreemd geluid maakte. Hij ging uiteindelijk via de huisarts naar een psycholoog. Niet lang, want Theo is van het type dat na vier gesprekken zegt dat andere mensen het harder nodig hebben.

Ik dacht dat hij die tijd achter zich had gelaten toen hij wegging bij het bedrijf.

Vorige maand zat hij ineens weer met Karel in de keuken. Ik kwam terug van de markt met aardbeien die veel te duur waren en hoorde Karel al praten voordat ik mijn jas uit had. Hij klonk ouder. Niet zielig, meer alsof hij al dagen niet goed geslapen had.

Het bedrijf staat er slecht voor. Een grote klant is weggevallen, de boekhouding loopt achter, en de bedrijfsleider is ziek thuis. Er werken nog negen mensen, waarvan twee jongens die net een huis hebben gekocht. Karel wil stoppen maar kan niet zomaar de stekker eruit trekken. Hij vroeg Theo of hij tijdelijk de werkplaats en de planning wilde overnemen. „Jij weet hoe het daar loopt,” zei hij.

Theo keek mij aan toen Karel dat zei. Niet vragend, eerder schuldig. Alsof hij het antwoord al in zijn gezicht droeg.

Die avond zei hij dat hij erover nadacht om een jaar te helpen. Misschien twee dagen per week, misschien meer in het begin. Hij sprak heel voorzichtig, alsof ik ziek was.

Ik zei: „En Portugal dan?”

Hij wreef met zijn hand over zijn knie. Dat doet hij altijd als hij zich klem voelt zitten.

„Dat kan toch ook een jaar later?”

Ik weet nog dat ik naar de pan op het fornuis keek. Sperziebonen. Heel gewone sperziebonen. Ik had ineens de neiging om de pan gewoon uit het raam te gooien, wat natuurlijk niet gebeurde. Ik zette het gas laag en zei dat wij niet ons hele leven hadden gewacht om op het moment dat het eindelijk kon weer achteraan te sluiten.

Theo werd boos, voor zijn doen. Hij zei dat het niet om een hobbyproject ging. Dat er gezinnen afhankelijk waren van dat bedrijf. Dat Karel hem nodig had.

„Karel had jou ook nodig toen hij je waarschuwingen wegwuifde,” zei ik.

Dat had ik niet moeten zeggen zoals ik het zei. Ik zag hem meteen dichtklappen. Maar het was er al uit.

Sindsdien is het alsof Youssef weer bij ons aan tafel zit, terwijl ik hem nooit gekend heb. Theo haalt oude mappen van zolder. Hij leest e-mails terug op zijn laptop. Hij heeft zelfs contact gezocht met iemand van vroeger die nu bij een arbodienst werkt, zogenaamd om te vragen hoe de regels tegenwoordig zijn. Hij zegt dat hij alleen wil helpen als het bedrijf echt veilig wordt en de administratie op orde komt.

Een deel van mij begrijpt hem daardoor juist beter. Misschien wil hij niet alleen Karel redden. Misschien probeert hij alsnog iets recht te zetten wat niet recht te zetten is.

Maar dan denk ik: waarom moet dat weer ten koste van ons?

Wij hebben ook geen makkelijk leven gehad. Toen hij destijds zo slecht ging, droeg ik alles. De rekeningen, zijn moeder die toen net naar een verpleeghuis moest, onze dochter Marije die midden in haar scheiding zat en met de kinderen om de haverklap bij ons kwam eten. Ik heb dat gedaan omdat je dat doet. Niet omdat ik een heilige ben. Ik was vaak chagrijnig en ik heb hem soms expres met rust gelaten omdat ik niet wist wat ik anders moest.

Nu zegt Theo dat hij desnoods eerst alleen gaat helpen en dat ik in oktober alvast naar Portugal kan. Hij zegt het alsof dat een praktische oplossing is.

Maar ik wil niet in een wit huisje in een land waar ik niemand ken iedere avond naar een lege stoel kijken. Ik wil ook niet de vrouw worden die thuisbleef en vervolgens door iedereen wordt bewonderd omdat ze haar man zo ruimhartig de wereld in liet trekken om andere mensen te helpen.

Vorige zondag kwam Marije koffie drinken. Ze zei dat ik niet moet doen alsof die negen werknemers mijn verantwoordelijkheid zijn. Daar heeft ze gelijk in. Later stuurde ze haar vader een berichtje dat ze trots op hem was dat hij veiligheid serieus nam. Daar heeft ze misschien óók gelijk in. Ik werd daar kinderachtig jaloers van, en daar schaam ik me dan weer voor.

Gisteren zei Theo dat Karel uiterlijk vrijdag antwoord nodig heeft. Hij heeft nog niet ja gezegd. Hij heeft ook nog niet nee gezegd. Hij liep vanochtend met de hond naar buiten zonder zijn jas goed dicht te doen, terwijl het miezerde. Dat soort dingen doet hij als hij in zijn hoofd vastzit.

De papieren voor Portugal liggen nog steeds op tafel. Bovenop ligt een print van een zorgverzekering voor in het buitenland. Er zit een koffievlek op de hoek. Theo heeft hem daar vorige week neergezet en niet eens gemerkt.

Vrijdag gaan we samen naar Karel. Niet om akkoord te geven, zegt Theo, maar om te horen wat er precies speelt. Ik heb gezegd dat ik mee wil. Hij keek verbaasd, daarna opgelucht, en dat maakte me nog bozer dan ik wilde zijn.

Ik weet niet of ik daar iets mee opschiet. Misschien blijkt het bedrijf een bodemloze put. Misschien blijkt dat Theo er juist iets kan voorkomen. Misschien zit ik daar alleen maar te tellen hoeveel maanden van ons plan er alweer verdwijnen.

Maar ik ga wel mee. Ik ben het zat dat zijn verleden in onze keuken rondhangt zonder dat iemand het hardop benoemt.